Het schilderij 'De anatomische les van professor Louis Bolk' door Martin Monnickendam

Perspectief
B. Baljet
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1993;137:2638-44
Abstract
Download PDF

In 1992 kreeg het schilderij De anatomische les van professor Louis Bolk, in 1925 geschilderd door Martin Monnickendam, weer zijn plaats in het Anatomisch-Embryologisch Laboratorium van de Faculteit der Geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam (Academisch Medisch Centrum (AMC)) en wel in de Tulpkamer (figuur 1). Deze vergaderkamer van de Vakgroep Anatomie en Embryologie in het AMC is genoemd naar Nicolaas Tulp. Een kopie van een borstbeeld van hem staat naast deze kamer.1 Deze kopie stond oorspronkelijk in de hal direct aansluitend op de hoofdingang van het Ontleedkundig Laboratorium aan de Mauritskade 61, dat in 1909 werd geopend.23 De anatomische les van professor Louis Bolk sierde de kamer van de hoogleraar in dit laboratorium tot diens dood in 1930. Daarna kreeg het schilderij een plaats aan het einde van de gang op de benedenverdieping van het gebouw naast de toegang tot de wasruimte van de snijzaal. Na de verhuizing van de Vakgroep Anatomie en Embryologie naar het AMC in 1985 heeft het schilderij na een restauratiebeurt te hebben ondergaan tot 1992 opgeslagen gestaan in het depot van het universiteitsmuseum De Agnietenkapel. Vervolgens kon het in goed overleg met conservatoren van dit museum zijn eigenlijke plek herkrijgen.

Gezien de rijke traditie van de als anatomische lessen bekend staande portretten van Amsterdamse hoogleraren in de anatomie,45 met als absoluut hoogtepunt De anatomische les van Nicolaas Tulp van Rembrandt,67 wordt in dit artikel aandacht gevraagd voor deze twintigste-eeuwse anatomische les van Bolk, de daarop voorkomende personen en de orang-oetan, die wordt ontleed.

De schilder en het schilderij

De schilder

De schilder Martin (Martijn) Monnickendam werd geboren te Amsterdam op 25 februari 1874 en overleed aldaar op 4 januari 1943.89 Hij was van 18911893 leerling van de tekenschool Felix Meritus en van J.A.Rust, A.Allebé, N.van der Waay en C.Dake van de Rijksakademie te Amsterdam. Van 1895-1897 studeerde hij in Parijs. Terug in Nederland werden in oktober 1897 drie van zijn tekeningen van Parijs en één van Amsterdam geëxposeerd bij Maatschappij Arti et Amicitiae in Amsterdam. Hij schilderde, aquarelleerde, tekende, etste en lithografeerde stadsgezichten, landschappen, portretten, figuurstukken, stillevens et cetera. Bekende werken in zijn tijd waren De Schouwburgloge, een olieverfschildering op doek uit 1912, nu in het bezit van de collectie Toneelmuseum Amsterdam, en de Optocht der hoogleraren bij het 300-jarig bestaan van de Universiteit, een olieverfschildering op doek uit 1932, nu in het bezit van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (figuur 2). Zijn omvangrijke oeuvre heeft ‘iets onHollands en doet in zijn kleurenpracht, feestelijkheid of dramatiek eerder oosters aan.’10 Hij maakte vele portretten, vaak van (joodse) kunstenaars en geleerden.11 Tussen 1892 en 1905 waren er tentoonstellingen van zijn werk in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam.11 Tussen 1908 en 1914 had hij diverse tentoonstellingen in Berlijn en andere Duitse steden.12 In 1913 ontving Monnickendam de Gouden Medaille van H.M. de Koningin voor zijn schilderij Salomé. In 1922 exposeerde hij bij kunsthandel Bernard Houthakker pasteltekeningen, die hij had gemaakt op een vakantietrip naar de Veluwe en tijdens uitstapjes in de buurt van Amsterdam.13 In 1932 exposeerde hij bij Buffa in Amsterdam en in 1934 weer bij Houthakker.8

In 1924 schreef de kunsthistoricus Albert Plasschaert over Monnickendam: ‘'k Had sinds eenigen tijd reeds, de lust om over Monnickendam te schrijven. Dat was niet omdat hij vijftig jaar ging worden, het was om iets anders. Vijftig jaar, het is iets, maar het is nog geen tijd om een eindelijk loflied te zingen. Er was een andere beweegreden voor dat willen schrijven, en eene, die gansch en al zuiver was van jaartal en leeftijd: ik vond Monnickendam miskend. En er is niets, dat meer weerbarstig maakt dan miskenning; ge krijgt dan altijd het gevoel, dat een hoop lieden zonder reden en zonder kennis zich misdragen, die niets anders te doen hebben dan zich goed te gedragen. Want Monnickendam is miskend, dat is zeker’. Naar het oordeel van Plasschaert kan hij van miskenning spreken, omdat de combinatie van de persoonlijkheid en de kundigheid van Monnickendam hem nog meer bekendheid zouden moeten geven.14 D'Ailly maakte in 1929 de volgende opmerking: ‘De waardering voor het stadsschoon van Amsterdam zien wij al dadelijk aan het werk der schilders, die zich op onze stad inspireerden bijvoorbeeld Breitner en Monnickendam. Monnickendam's visie is verwant aan die van Breitner, inzoverre hij de stad in felle kleuren ziet’.15 Het werk van Monnickendam raakte na zijn dood tijdens de bezetting in 1943 min of meer in de vergetelheid. Het feit dat Monnickendam een vergetene was, was voor een aantal liefhebbers van zijn werk een reden om in 1973 de Stichting Vrienden van Martin Monnickendam in het leven te roepen. Het bestuur, waarin twee dochters van Monnickendam zitting hadden, mw.M.Monnickendam en mw.R. Mulder-Monnickendam, besloot in 1974 een overzichtstentoonstelling in de zalen van de Maatschappij Arti et Amicitiae te houden.11

Het schilderij

Het schilderij is vrij eenvoudig van compositie (zie figuur 1).16 De hoogleraar in de anatomie aan de Universiteit van Amsterdam Louis Bolk zit tussen zijn ‘leerlingen’, die in 1925 allen ook hoogleraar waren. De vier anatomen omringen het kadaver van een jonge orang-oetan. Het dier ligt echter niet op een sectietafel, maar op een soort console. Bolk kijkt de toeschouwer aan en hanteert een scalpel in de rechter hand om aan te geven dat er een incisie in de huid van de kop gemaakt gaat worden. Met de linker hand wordt de kop van het dier vastgehouden. Hij draagt geen chirurgische handschoenen. Bolk wordt geflankeerd door Jan Boeke, hoogleraar in de histologie en embryologie aan de Rijksuniversiteit van Utrecht, die links op het schilderij de toeschouwer aankijkt. Arnold van den Broek, hoogleraar in de anatomie aan de Rijksuniversiteit van Utrecht, zit rechts en is en profil weergegeven. Beiden zitten op zogenaamde Savonarola-stoelen. Jan Barge, hoogleraar in de anatomie en embryologie aan de Rijksuniversiteit van Leiden, staat op het doek links achter Bolk en heeft een pen en een aantekeningenboekje in zijn handen en kijkt naar de te ontleden orang-oetan. Op de achtergrond is tussen Bolk en Van den Broek op een piëdestal een buste van de achttiende-eeuwse anatoom Petrus Camper te zien. De vier hoogleraren dragen een witte doktersjas, zoals gebruikelijk in laboratoriumruimten en op de snijzaal. Onder de jas dragen zij een kostuum, waarboven de witte gesteven boorden uitsteken. Bolk draagt een artistieke vlinderdas en de andere drie hoogleraren een stropdas. Het schilderij is linksboven gesigneerd ‘Martin Monnickendam 1925’.

Louis bolk

Louis Bolk werd op 10 december 1866 in Overschie geboren en ingeschreven in het geboortenregister onder de naam Lodewijk. Hij bezocht het gymnasium in Schiedam. Vóór het eindexamen verliet hij deze school en ging in 1885 te Waalwijk in opleiding voor notaris. Op 9 augustus 1888 legde hij met goed gevolg het examen voor kandidaat-notaris af.17 Deze studie beviel hem echter niet en hij ging daarom geneeskunde studeren aan de Universiteit van Amsterdam.18 Na het behalen van het kandidaatsexamen in de geneeskunde schreef Bolk een verhandeling naar aanleiding van een prijsvraag, die door de rector en de senaat van de Universiteit van Amsterdam was uitgeschreven.19 Hij ontving in 1892 voor deze verhandeling de Gouden Erepenning. In 1896 stelde de hoogleraar in de anatomie prof.G.Ruge hem aan als assistent bij het Ontleedkundig Laboratorium en deed Bolk zijn artsexamen.20 In datzelfde jaar nam prof.Ruge zijn ontslag en vertrok naar Zürich.21

De opvolging van Ruge gaf vele problemen. De curatoren van de universiteit legden de gemeenteraad van Amsterdam een voordracht voor met als kandidaten: dr.O.Seidel, lector in de ontleedkunde te Amsterdam, en dr.E.Dubois uit Leiden. De voordracht van de curatoren stuitte echter op verzet van de gemeenteraad, omdat Seidel een Duitser was. Men had geen behoefte aan weer een Duitse hoogleraar die na enige tijd zou vertrekken, zoals het geval was geweest bij Ruge en zijn voorganger Führbringer. De raad besloot op 23 februari 1898 Lodewijk Bolk, die niet was gepromoveerd en dus eigenlijk niet in aanmerking kwam voor deze functie, te benoemen.22 Hij hield op 12 mei 1898 zijn inaugurele rede: ‘De morphotische eenheden van het menschelijk lichaam’.23 In deze rede gaf hij een overzicht van zijn concepten over de segmentatie van het menselijk lichaam. Deze concepten waren gebaseerd op zijn onderzoek, dat hij publiceerde als een serie artikelen in vaktijdschriften. De eerste twee publiceerde hij echter voor een breder medisch publiek in 1897 in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.2425

Bolk hield zich vervolgens niet alleen meer bezig met de segmentale anatomie, maar ook met het zoogdiercerebellum. Hij schreef hierover een monografie, waarvoor hij in 1927 de gouden Retzius-medaille ontving van de Svenska Läkaresällskapet (Koninklijke Zweedse Academie van Wetenschappen).26 Op 28 mei 1902 werd hij doctor honoris causa in de geneeskunde aan de Universiteit van Leiden.

In 1909 vond eindelijk de opening plaats van het nieuwe Ontleedkundig Laboratorium aan de Mauritskade 61, waar Bolk vele jaren om had gevraagd. Het werd ingericht naar zijn wensen.27 Het was zeer fraai gelegen op het terrein van de voormalige Oosterbegraafplaats, in het beroemde Muiderboschje.28 De gevels waren opgetrokken in rode baksteen, afgewisseld met hardsteen. In de linker vleugel van het gebouw bevonden zich de Lijkenkelder, de grote Sectiezaal en de Museumzaal en in het centrale gedeelte een studiezaal en een collegezaal, belangrijk voor het onderwijs. Bolk had zijn zitkamer aan de voorzijde op de eerste verdieping. Deze stond via twee schuifdeuren in verbinding met zijn eigen laboratorium, een L-vormige ruimte op de hoek van het gebouw. In dit laboratorium verrichtte Bolk zijn gedetailleerde anatomische dissecties. De prachtige Museumzaal, die zich over de gehele linker vleugel uitstrekte en door geen enkele steunpilaar werd onderbroken, maakte in het begin van deze eeuw grote indruk.29 Doordat de graven op de voormalige Oosterbegraafplaats waren geruimd en de botten aan Bolk ter beschikking waren gesteld, kreeg hij de gelegenheid veel humaan skeletmateriaal te bestuderen. Om deze reden startte Bolk zijn odontologische en antropologische studies.30-32 Door de bestudering van schedels van primaten en op basis van ander vergelijkend anatomisch onderzoek raakte Bolk ervan overtuigd dat vele eigenaardigheden in de bouw van het volwassen menselijk lichaam erop wijzen, dat delen ervan maar ook het gehele lichaam zelf een grotere overeenkomst hebben behouden met de bouw van de menselijke foetus, dan dit bij apen het geval is.33 Deze gedachte sprak hij voor de eerste maal uit op 8 januari 1918 in zijn rectorale rede, op de dies natalis van de Universiteit van Amsterdam, getiteld: ‘Hersenen en cultuur’.34

In 1926 verscheen van zijn hand Das Problem des Menschwerdung.35 In deze publikatie legt Bolk zijn concept met betrekking tot de zogenaamde retardatie of foetalisatietheorie nader uit. Deze theorie zou men het beste kort kunnen samenvatten aan de hand van de uitspraak van Bolk zelf: ‘De mens is een foetale aap’.36 De gegevens die de basis vormen voor zijn bewijsvoering van deze theorie betreffen vooral morfologische kenmerken zoals onder andere het ontbreken van pigment, de afwezigheid van haren, de bouw van de hand en de voet, de stand van het bekken, de positie en de vorm van de vrouwelijke externe genitalia, de vorm van de mandibula, de stand van het foramen magnum, het blijven bestaan van suturen en de vorm van de oorschelp. Deze kenmerken noemt Bolk primair. De kenmerken die te maken hebben met de rechtopgaande gang van de mens beschouwt hij als secundair.

In zijn algemeenheid kan men stellen, dat in de visie van Bolk de oorzaak van een dergelijke evolutie een omstandigheid is, die bij de mens een retardatie in de embryonale ontwikkeling van ‘de aap’ bewerkstelligt. Deze retardatie leidt bij de mens uiteindelijk tot een volwassen stadium, dat in vergelijking met de volwassen aap een foetaal stadium genoemd zou kunnen worden. Deze retardatie is volgens Bolk eenvoudig waar te nemen aan de hand van de volgende feiten: de lange periode van adolescentie, de lange periode van senilitas, de afwezigheid van haar op het grootste gedeelte van het lichaam en het blijven bestaan van suturen. Een belangrijk aandeel in de omstandigheid die de retardatie veroorzaakt, wordt volgens Bolk geleverd door het endocrinon. De verandering in het endocrinon was volgens Bolk een interne kracht, die zijn oorsprong vond in de anatomie en de fysiologie van de aapachtige primaten. Deze kracht zou volgens Bolk leiden tot een continuering van het foetalisatieproces bij de mens. Dat de retardatie ook gevolgen heeft voor de psychologische en sociale kanten van het menselijk bestaan, is voor Bolk logische consequentie van het proces. Voor veel tijdgenoten bleef de grondgedachte van Bolks foetalisatieleer van grote waarde, voor zowel het begrip van de menswording in het algemeen als dat van de differentiatie van verschillende rassen.3637

Als docent stond Bolk bekend als een goed en streng leermeester.38 Zijn colleges en practica werden druk bezocht en waren helder, eenvoudig en wars van vals effect.39 Hij was uiterst correct in zijn optreden en vroeg dat ook van anderen. Hij eiste op responsies en tentamens korte en duidelijke formuleringen. Een voorbeeld van zijn wijze van examineren van de osteologie was dat hij een pijpbeen in zijn mouw stak en de student aan het uitstekende einde moest herkennen wat het was, wat vóór en achter was en wat links en rechts.40 Bij het praktische anatomische onderwijs was Bolk ook steeds zelf betrokken. Hij droeg in tegenstelling tot de assistenten en de prakticanten, die een lange witte jas droegen, een kort, wit jasje en hield persoonlijk toezicht op de snijzaal. Op de snijzaal had hij ook een bureau staan, zodat hij daar kon werken en indien nodig zich met de practikanten bemoeien.41 Bolk overleed op 17 juni 1930, 12 jaar na de eerste exarticulatie van zijn rechter been wegens een sarcoom. De beide operaties die hierna nog volgden vanwege lokaal recidief hadden niet het gewenste succes.38

De verdienste van Bolk is geweest dat hij een school voor Nederlandse anatomen heeft gesticht waaruit leerlingen zijn voortgekomen, die alle leerstoelen in de anatomie in Nederland hebben bezet, namelijk te Amsterdam M.W.Woerdeman, te Utrecht A.J.P.van den Broek, J.Boeke (embryologie) en W.A.Mijsberg, te Groningen M.W.Woerdeman (histologie) en M.de Burlet en te Leiden J.A.J.Barge. Bij de inrichting van deze Nederlandse anatomische school stelde Bolk zich als voorbeeld de beroemde Duitse anatomische school van Carl Gegenbauer (1826-1903) in Heidelberg. De beide scholen werden gekenmerkt door het invoeren in de humane anatomie van de evolutieleer van Darwin, die de grondslag van de biologische wetenschap was geworden. Door zijn baanbrekend werk op het gebied van de vergelijkende anatomie van het cerebellum, het gebit en het perifere zenuwstelsel en op het gebied van de antropologie was het Louis Bolk, die in het begin van deze eeuw de Nederlandse anatomie haar oude roem teruggaf, de oude roem van Frederik Ruysch en Petrus Camper.

Monnickendam's anatomische les

Het schilderij werd in opdracht van Louis Bolk gemaakt en kreeg een plaats boven de schoorsteenmantel op zijn kamer in het Ontleedkundig Laboratorium (figuur 3). Op het schilderij staat op één van de latten van het spieraam de met potlood geschreven aanduiding ‘gereed en opgehangen 12 Febr. 1925’, waaronder gesigneerd is met een ‘B’. Deze tekst is waarschijnlijk door Bolk geschreven. Het schilderij is door Bolk bij testament, samen met het portret van Bolk van Lizzy Ansingh en zijn boeken, aan de gemeente Amsterdam geschonken.42

Midden op de schoorsteenmantel stond, vóór het schilderij deze plaats kreeg, het borstbeeld van Petrus Camper (figuur 4). Ditzelfde borstbeeld staat ook op het schilderij afgebeeld. Het borstbeeld van Camper kreeg vervolgens een plaats op de kast in zijn laboratorium (figuur 5). De achttiende-eeuwse anatoom Petrus Camper was van 1755-1761 hoogleraar in de anatomie en chirurgie aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam.18 Hij was zeer bekend om zijn uitstekende, vergelijkendanatomische en zijn chirurgische studies.4344

Dat Bolk een grote waardering had voor zijn achttiende-eeuwse voorganger, blijkt uit het feit dat hij het tijdschrift, dat hij samen met de neuroloog prof.dr.C.Winkler in 1902 oprichtte, ‘Petrus Camper’ noemde.4546 Het tijdschrift met internationale allure zou echter maar vier jaar verschijnen. In de eerste jaargang publiceerde Bolk een artikel over de hersenen van de orang-oetan.47 In het tijdschrift publiceerde hij tot 1906 een aantal andere artikelen over het cerebellum van apen en van de mens. Uit de literatuurlijst van Bolk blijkt dat hij zich na die tijd niet meer met de dissectie van een orang-oetan heeft beziggehouden.32

Volgens de lijst, waarin vergelijkend-anatomisch dissectiemateriaal van het Ontleedkundig Laboratorium is genoteerd, was er een compleet exemplaar van een jonge, mannelijke orang-oetan in de collectie aanwezig. Deze lijst is niet gedateerd, maar het preparaat is ongetwijfeld ingeschreven vóór 1925. Waarschijnlijk kon Bolk voor het schilderij dus beschikken over een complete, gefixeerde en jonge orang-oetan. De stand van de extremiteiten van het dier op het schilderij wijst ook eerder op een gefixeerd exemplaar, dat uit een glazen pot komt waar het in bewaard werd, dan op een slapend of verdoofd exemplaar, dat door de schilder bestudeerd zou zijn.16 Dat Bolk geen chirurgische handschoenen draagt, is ook normaal voor een anatomische dissectie in die tijd. Het algemene gebruik van chirurgische handschoenen bij een anatomische dissectie is pas in de jaren zeventig usance geworden. De Savonarola-stoelen, overigens zonder gekruiste poten, waren de stoelen die Bolk in zijn laboratoriumruimte had staan (zie figuur 5).16 Voor hem was zo'n stoel gemakkelijk om in te zitten bij het verrichten van een gedetailleerde dissectie. Zoals de foto van figuur 5 laat zien werden dissecties (hier een humane foetus) van mens of dier in het algemeen door hem in zijn laboratoriumruimte verricht en niet op de snijzaal. De initiële dissectie van een orgaansysteem van een gefixeerd of een niet gefixeerd stoffelijk overschot deed Bolk wel op de snijzaal, maar na het uitprepareren ervan werd de detaildissectie, vaak met behulp van een loep, in zijn laboratoriumruimte verricht.48 Een jonge orangoetan zou door Bolk zeker in deze ruimte zijn ontleed, maar hij zou dit niet op zo'n console, maar op zijn laboratoriumtafel hebben uitgevoerd. De console maakt het echter mogelijk op het schilderij de drie zittende heren dicht bij elkaar te plaatsen. Er zijn geen gegevens voorhanden dat de dissectie die op het schilderij in gang wordt gezet ook daadwerkelijk is uitgevoerd. Het is overigens niet te zien of Bolk zijn befaamde korte witte jasje draagt of een lange doktersjas.3

Voor het schilderij zijn door Monnickendam twee nu bekende voorstudies gemaakt. De eerste is een aquarel op papier, niet gesigneerd en zonder jaartal, die een andere opstelling van Boeke, Van den Broek en Barge laat zien dan het schilderij (figuur 6). Op deze aquarel zijn Boeke en Van den Broek staand afgebeeld en beiden kijken de toeschouwer aan. De posities van Bolk en Barge komen overeen met die op het schilderij. De tweede voorstudie, gedaan met aquarel en pen op papier, is vergelijkbaar met het schilderij en heeft dus de voorkeur van de schilder (of van de geportretteerden?) gekregen.

De conclusie van Scheller dat de ‘leerlingen’ van Bolk op het schilderij de auteurs zijn van het Leerboek der beschrijvende ontleedkunde van de mens lijkt zeer plausibel.1649 Als Bolk echte leerlingen op het schilderij had willen hebben, zouden daarvoor zijn assistenten die later prosector waren geworden, het meest voor de hand hebben gelegen, achtereenvolgens F.Meursing, A.J.P.van den Broek, G.P.Frets, J.A.J.Barge, W.G.Mijsberg en H.Rijnders, of andere oud-assistenten zoals M.W.Woerdeman, zijn latere opvolger. Nu passen Van den Broek en Barge in de rij van assistenten, maar Boeke zeker niet. Boeke, die net als Van den Broek en Barge in Amsterdam studeerde, zal tijdens zijn studie Bolk als assistent hebben meegemaakt, maar Boeke is zelf nooit assistent op het Ontleedkundig Laboratorium te Amsterdam geweest. Hij was assistent op het Pathologisch Anatomisch Laboratorium en het Fysiologisch Laboratorium, en promoveerde op een fysiologisch onderwerp bij prof. Thomas Place.50 De aanwezigheid van Boeke op het schilderij, in combinatie met Van den Broek en Barge, en niet de twee laatsten met Mijsberg, Rijnders of Woerdeman wijst in de richting van de auteurs van het leerboek. De eerste druk van het eerste deel van het leerboek kwam uit in 1922.50 Waarschijnlijk verscheen het in oktober, omdat in deel 1 van het privé-exemplaar van Bolk in het handschrift van Van den Broek staat ‘Op 19 Oktober 1922 werd dit exemplaar aan Prof.Dr.L.Bolk namens de schrijvers overhandigd door A.J.P.vd Broek’. Dit staat boven de gedrukte tekst ‘De schrijvers dragen dit werk op aan hun leermeester Doctor Louis Bolk, Hoogleraar aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam’. Het vijfde en laatste deel verscheen in 1926. De tweede druk van het eerste deel verscheen in oktober 1925. Dit wees op het succes van het boek, dat 8 drukken (de 8e druk verscheen tussen 1954 en 1956) beleefde. Een betere verklaring dan dat Bolk op het schilderij wordt afgebeeld met de schrijvers van een succesvol leerboek der ontleedkunde is nog steeds niet te geven.

De bezoekers van de vergaderkamer in het Anatomisch-Embryologisch Laboratorium in het AMC kunnen zich aan de hand van bovenstaande gegevens nu een goed beeld vormen van het tafereel dat op het schilderij van Martin Monnickendam is te zien.

De auteur dankt mr.R.J.C.van Helden, secretaris van de Stichting Vrienden van de schilder Martin Monnickendam, voor zijn hulp bij het verzamelen van gegevens over de schilder en zijn werk, en C.J.Hersbach en C.E.Gravemeijer voor de fotografische ondersteuning.

Literatuur
  1. Regteren Altena IQ van, Thiel PJJ van. De portretgalerijvan de Universiteit van Amsterdam en haar stichter Gerard van Papenbroeck1673-1743. Amsterdam: Swets & Zeitlinger, 1964.

  2. Baljet B. Uit de geschiedenis van het Museum Vrolik, deSnijkamer en het Theatrum Anatomicum te Amsterdam. In: Gids voor het MuseumVrolik. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam, 1990: 7-24.

  3. Baljet B. Louis Bolk. Anatoom in hart en nieren. In: BlomJHC, ed. Een brandpunt van geleerdheid in de hoofdstad. Amsterdam: AmsterdamUniversity Press, 1992: 141-58.

  4. Nuyens BWTh. Het ontleedkundig onderwijs en degeschilderde anatomische lessen van het chirurgijnsgilde te Amsterdam in dejaren 1550-1798. In: Jaarverslag van de 70e algemene vergadering van hetOudheidkundig Genootschap. Amsterdam: Oudheidkundig Genootschap,1928.

  5. Wolf-Heidegger G, Cetto AM. Die anatomische Sektion inbildlicher Darstellung. Basel: Karger, 1967.

  6. Heckscher WS. Rembrandt's anatomy of Dr. NicolaasTulp: an iconological study. New York: New York University Press,1958.

  7. Schupbach W. The paradox of Rembrandt's anatomy ofDr. Tulp. Med Hist Suppl 2. London: Wellcome Institute for the History ofMedicine, 1982.

  8. Vollmer H. Algemeines Lexikon der bildenden Künstlerdes 20 Jahrhunderts. Band 3. Leipzig: Seemann, 1956: 414.

  9. Scheen PA. Lexicon Nederlandse Beeldende Kunstenaars1750-1950. Deel 1. Den Haag: Scheen, 1970: 70.

  10. Caenegem RC van, Groenman S, Lauwerier HA, Lissens RF,Mengelberg MMC, red. Grote Winkler Prins. Deel 15. Amsterdam: Elsevier, 1982:491.

  11. Helden RJC van. Catalogus van deoverzichtstentoonstelling van Martin Monnickendam. Amsterdam: Arti etAmicitiae, 1974.

  12. Helden RJC van. Catalogus van de expositie van het werkvan Martin Monnickendam. Laren: Stichting Vrienden van de schilder MartinMonnickendam, 1983.

  13. Houthakker B. Catalogus tentoonstelling Monnickendam.Amsterdam: Houthakker, 1922.

  14. Plasschaert A. Monnickendam. Maandblad voor de BeeldendeKunsten 1924; 1: 36-41.

  15. Ailly AE d‘. Historische gids van Amsterdam. 1edruk. Amsterdam: De Bussy, 1929.

  16. Scheller RW. Twee anatomische lessen. In: Historischesprokkelingen. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam, 1985: 75-88.

  17. Emde Boas W van. Ten geleide bij de heruitgave. In: BolkL. De segmentale innervatie van de romp en de ledematen bij den mensch.Utrecht: Bohn, Scheltema & Holkema, 1985: 715.

  18. Winkel JW te. Album Academicum van het Athenaeum Illustreen de Universiteit van Amsterdam (1632-1913). Amsterdam: De Vries,1913.

  19. Anonymus. Almanak van den Amsterdamschen Studentenbondvan het jaar 1893; 7: 69-71.

  20. Archief van het College van Curatoren van de Universiteitvan Amsterdam. Inv. nr. 5674. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam,1896.

  21. Archief van het College van Curatoren van de Universiteitvan Amsterdam. Inv. nr. 3148. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam,1897.

  22. Extract uit de Notulen van de Gemeenteraad van Amsterdam.Nr. 3796. Amsterdam: Gemeenteraad van Amsterdam, 23 februari 1898.

  23. Bolk L. De morphotische eenheden van het menschelijklichaam. Haarlem: De Erven Bohn, 1898.

  24. Bolk L. Een en ander uit de segmentaal-anatomie van hetmenschelijk lichaam. I. Ned TijdschrGeneeskd 1897; 41 (I): 982-95.

  25. Bolk L. Een en ander uit de segmentaal-anatomie van hetmenschelijk lichaam. II.Ned TijdschrGeneeskd 1897; 41 (II): 365-79.

  26. Bolk L. Das Cerebellum der Säugetiere. Haarlem: DeErven F Bohn, 1906.

  27. Theissen JS. Levensberichten van professoren en lectoren.In: Brugmans H, Scholte JH, Kleintjens Ph, eds. Gedenkboek van het Athenaeumen de Universiteit van Amsterdam. Amsterdam: Stadsdrukkerij, 1932:554.

  28. Anonymus. Het nieuwe ontleedkundige laboratorium derUniversiteit te Amsterdam. De Bouwwereld 1909; 8: 1-5.

  29. Anonymus. Professor Bolk. Propria Cures 1903; 14:315-6.

  30. Visser JB. Bolk's theories of dentition. ActaMorphol Neerl Scand 1975; 13: 55-68.

  31. Salomé AJ. Bolk's anthropological work. ActaMorphol Neerl Scand 1975; 13: 69-75.

  32. Limborgh J van, Janbroers WF. Bibliography of L.Bolk.Acta Morphol Neerl Scand 1975; 13: 91-9.

  33. Limborgh J van. Sketch of the life of ProfessorDr.L.Bolk. Acta Morphol Neerl Scand 1975; 13: 3-4.

  34. Bolk L. Hersenen en cultuur. Amsterdam: Scheltema &Holkema, 1918.

  35. Bolk L. Das Problem des Menschwerdung. Jena: Fischer,1926.

  36. Bolk L. Over het probleem der menschwording. Amsterdam:Koninklijke Akademie van Wetenschappen, 1925; 34: 1228-39.

  37. Dullemeijer P. Bolk's foetalizaton theory. ActaMorphol Neerl Scand 1975; 13: 77-86.

  38. Broek AJP van den. Louis Bolk. Morphol Jahrb 1931; 65:497-516.

  39. Mijsberg WA. In memoriam prof.dr.L.Bolk. Geneesk TijdschrNed Indië 1930; 8: 737-8.

  40. Visser H. Simon Vestdijk een schrijversleven. Utrecht:Kwadraat, 1987: 92.

  41. Luber J. De drie levens van Nina Vesper. Amsterdam: VanHolkema & Warendorf, 1927.

  42. Archief van het College van Curatoren van de Universiteitvan Amsterdam. Uittreksel uit het testament van Prof. Bolk. Inv. nr.1930 249 24 juni3032. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam,1930.

  43. Visser RPW. The zoological work of Petrus Camper(1722-1789). Nieuwe Ned Bijdr Gesch Geneeskd Natuurw 12. Amsterdam: Rodopi,1985.

  44. Doets CJ. De heelkunde van Petrus Camper. Leiden: IJdo,1948. Proefschrift Leiden.

  45. Winkler C. Herinneringen. Arnhem: Van Loghum Slaterus,1947.

  46. Broek AJP van den. Het aandeel van Nederland in devooruitgang der geneeskundige wetenschap van 1900 tot 1950: Ontleedkunde.Ned Tijdschr Geneeskd 1951; 95 (I):170-5.

  47. Bolk L. Beiträge zur Affenanatomie. II. Ueber dasGehirn von Orang-Utan. Petrus Camper 1902; 1: 25-84.

  48. Baljet B. The plaster models of segmental innervation ofLouis Bolk. Proceedings of the 6th meeting of the EAHMS. Lyon: FondationMarcel Mérieux, 1994; 6: 117-32.

  49. Broek AJP van den, Boeke J, Barge JAJ. Leerboek derbeschrijvende ontleedkunde van den mensch. Deel 1. 1e druk 1922. 2e druk1925. Deel 2. 1e druk. 1925. Utrecht: Oosthoek, 1922, 1925 en 1925.

  50. Heringa GC. Prof. Dr. Jan Boeke en zijn betekenis voor deneurohistologie. Reeks 2. Deel 53. Amsterdam: Koninklijke NederlandseAkademie van Wetenschappen, 1961; 4: 1-31.

Auteursinformatie

Academisch Medisch Centrum, Anatomisch-Embryologisch Laboratorium, Meibergdreef 15, 1105 AZ Amsterdam.

Dr.B.Baljet.

Gerelateerde artikelen

Reacties