regels voor resectie

Het pleiomorf adenoom van de glandula parotis

Klinische praktijk
Abstract
Mischa de Ridder
Ludi E. Smeele
Alfons J.M. Balm
Downloaden
Citeren

Toets voor nascholing (verlopen)

Aan dit artikel was een toets gekoppeld waarmee je nascholingspunten kon verdienen.

Bekijk de toets

artikel

Dames en Heren,

In deze klinische les willen wij aan de hand van 2 ziektegeschiedenissen het belang aantonen van adequate primaire behandeling van speekselkliertumoren, in het bijzonder van het benigne pleiomorf adenoom van de glandula parotis (figuur 1).

Figuur 1

Deze tumor kan voorkomen in zowel de 2 grote gepaarde speekselklieren (glandula parotis en glandula submandibularis) als in de kleine submucosale kliertjes van het slijmvlies dat de gehele bovenste lucht- en voedselweg bedekt. Vooral het pleiomorf adenoom van de glandula parotis is berucht om de kans op een recidief na onvolledige chirurgische verwijdering.1 Bovendien kan in deze tumor op de langere termijn maligne ontaarding optreden naar een zogenoemd ‘carcinoma ex pleiomorf adenoma’.

Wij beschrijven 2 patiënten die aanvankelijk elders waren geopereerd en die vervolgens in ons ziekenhuis werden behandeld voor een recidief. De 2 casussen maken duidelijk hoe belangrijk het is deze benigne afwijking radicaal te reseceren.

Patiënt A, een man van 28 jaar, had 10 jaar tevoren in een ander ziekenhuis een lokale excisie ondergaan van een zwelling onder de oorlel. Blijkens het opgevraagde rapport van de patholoog ging het om een pleiomorf adenoom, maar gegevens over de volledigheid van de resectie ontbraken. Patiënt had recent bemerkt dat zich ter plaatse van het operatielitteken een aantal knobbeltjes gevormd hadden. Hiervoor meldde hij zich bij de huisarts, die vaststelde dat hij meerdere pijnloze subcutane noduli ter plaatse van het litteken had, zonder een uitval van de vertakkingen van de N. facialis. De huisarts vermoedde een recidief van de parotistumor en verwees patiënt vrijwel direct naar ons instituut.

Bij gericht lichamelijk onderzoek zagen wij een litteken onder de linker oorlel met daarin multipele subcutane noduli van enkele millimeters diameter, die bij cytologisch onderzoek van een punctaat bleken te bestaan uit pleiomorf adenoom. Aanvullend onderzoek middels een MRI van de parotisregio en de hals toonde een multiloculair proces in de linker glandula parotis, voornamelijk in de oppervlakkige kwab gelokaliseerd, deels doorlopend tot in de diepe kwab. Tevens werden tot in de subcutis haardjes waargenomen die vermoedelijk uit tumorweefsel bestonden (figuur 2).

Figuur 2

Hierop werd er een totale parotidectomie links uitgevoerd waarbij alle N.-facialisvertakkingen werden gespaard. Het postoperatieve beloop was ongecompliceerd, behoudens een voorbijgaande parese van de mondtak van de N. facialis. Bij histopathologisch onderzoek bleek het te gaan om een multifocale tumorlokalisatie, met tumorhaardjes zowel binnen de glandula parotis als daarbuiten in het bovenliggende subcutane vet. Mede gezien de voorgeschiedenis werd besloten tot postoperatieve radiotherapie tot een totale dosis van 50Gy. Behoudens passagère pijnklachten en smaakverandering tijdens en kort na de bestraling leverde deze behandeling verder geen problemen op. Bij de laatste controle, 3 maanden na behandeling, was patiënt geheel hersteld zonder restklachten.

Patiënt B is een 81-jarige man bij wie 8 jaar tevoren een zwelling onder de linker oorlel chirurgisch was verwijderd. De zwelling bestond al jaren toen deze destijds verwijderd werd. Hij had het idee dat er sinds een jaar een zwelling ter plaatse van het litteken groeide. Hiervoor was hij elders door een chirurg onderzocht, maar herhaalde cytologische puncties hadden niet tot een conclusie geleid. Ook een MRI-onderzoek had geen tumoreuze afwijkingen laten zien. Het beeld werd geïnterpreteerd als een parotitis, waarvoor patiënt met antibiotica werd behandeld. Toen de zwelling daarop niet verdween en patiënt vervolgens bemerkte dat de beweeglijkheid van zijn hoofd verminderde, besloot de behandelend chirurg hem te verwijzen naar ons instituut.

Bij gericht onderzoek werd een voor tumor verdachte, vast-elastisch aanvoelende zwelling gepalpeerd onder en rond de oorlel, met uitbreiding naar niveau III van de hals (mid-jugulair). Door het diffuse karakter van de zwelling was de diameter niet goed te bepalen. De zwelling was immobiel ten opzichte van de onderlaag en vergroeid met de overliggende huid. Retro-auriculair was er een sprake van een rood veranderd huidgebied met intrekkingen, een zogenoemd ‘peau d’orange’-aspect. De functie van de N. facialis was symmetrisch intact. Opvallend was een dysesthesie van de huid onder de linker oorlel.

Uit het opgevraagde histopathologische rapport van destijds bleek dat er sprake was geweest van een pleiomorf adenoom, reikend tot in het snijvlak. Er werd een MRI verricht die een grote, diffuus infiltrerende afwijking liet zien, zich uitstrekkend van de uitwendige gehoorgang tot de clavicula; deze afwijking sloot tevens de A. carotis in (figuur 3). Met echografie werd dit inhomogene beeld bevestigd; circumscripte tumorbegrenzingen waren niet in beeld te brengen.

Figuur 3

Een herhaling van de cytologische punctie uit de tumor leverde geen interpreteerbaar celbeeld op, zodat een incisiebiopt werd uitgevoerd. Hieruit kwam het beeld van een carcinoma ex pleiomorf adenoma naar voren. Op grond van de bevindingen bij palpatie en de radiologisch vastgestelde uitbreiding werd het proces als inoperabel ingeschat. Daarop werd besloten tot radiotherapie volgens een in opzet curatief schema. Deze behandeling zou bestaan uit 23 x 2 Gy op de gehele linker hals en de parotisregio, met uitzondering van het pretracheale gebied, en een boost van in totaal 24 Gy op de tumor in combinatie met dagelijks cisplatine 10 mg/m2 intraveneus.

Patiënt ervoer de behandeling als erg zwaar. De gedachte aan de geringe kans op curatie, de pijnklachten van de bestraling en het op en neer reizen naar het ziekenhuis werden hem uiteindelijk te veel. Na 1 kuur cisplatine en 5 dagen radiotherapie werd in overleg met de radiotherapeut besloten het curatieve bestralingsschema niet af te maken en verder te gaan met een palliatief schema van 6 x 6Gy.

Beschouwing

Pleiomorfe adenomen zijn de meest voorkomende speekselkliertumoren. Zij worden het frequentst aangetroffen in de glandula parotis, met een jaarlijkse incidentie van 1-2 per 100.000.2 Het is een benigne tumor, bestaande uit epitheliale en myo-epitheliale cellen liggend in een mesenchymaal stroma; vandaar de term ‘pleiomorf’ (meervormig) in de naamgeving. Het klinische beeld van deze tumoren kenmerkt zich door een langzaam tot zeer langzaam groeiende, niet-pijnlijke massa onder of naast het oor (zie figuur 1). Meestal wordt de diagnose gesteld tussen het 30e en 60e levensjaar, vaker bij vrouwen dan bij mannen.3 De tumor is scherp begrensd en bevindt zich meestal in de oppervlakkige kwab van de glandula parotis. Op een T2-gewogen MRI-scan kleurt deze tumor sterk aan.

Irradicale resectie

Zoals de ziektegeschiedenis van patiënt A laat zien, kan er bij lokale excisie (enucleatie) sprake zijn van een incomplete verwijdering van het tumorproces, met of zonder versleping van tumorcellen. Aangezien in een pleiomorf adenoma dikwijls cysteuze veranderingen optreden, is versleping van tumorcellen bij operatieve verwijdering een bekend risico. Uit de verspreide cellen kunnen zich op termijn multipele tumorrecidieven ontwikkelen, zich uitstrekkend over het gehele voormalige operatiegebied.4

Als een pleiomorf adenoom door enucleatie irradicaal verwijderd is zonder dat daarbij tumorcellen werden verspreid, is heroperatie met een volledige oppervlakkige parotidectomie geïndiceerd, tenzij er – zoals bij patiënt A – sprake is van een radiologisch zichtbare uitbreiding naar de diepe kwab van de glandula parotis. Als histologisch bevestigd is dat de chirurgische verwijdering volledig was, is aanvullende bestraling niet nodig. Bij patiënt A was 10 jaar na de excisie echter een uitgebreidere operatie noodzakelijk met tevens adjuvante radiotherapie tot een dosis van 50 Gy, vanwege de subcutane uitgroei van versleepte cellen en ingroei in de diepe kwab van de glandula parotis.

Meerdere studies lieten zien dat lokale excisie van een pleiomorf adenoom in de parotis – dus geen parotidectomie – een belangrijke risicofactor is voor een recidief.1 Vooral jonge patiënten lopen het risico een te beperkte ingreep te ondergaan, omdat, vanwege het cosmetische effect, vaak wordt gekozen voor een chirurgische ingreep die minimale littekenvorming geeft. Anderzijds is gebleken dat in ervaren handen een extracapsulaire dissectie van mobiele parotistumoren in de oppervlakkige kwab, een goede strategie kan zijn.5 Als het pleiomorf adenoma adequaat chirurgisch behandeld wordt, bedraagt de kans op een lokaal recidief circa 5%.3

Radiotherapie maakt geen deel uit van de initiële behandeling.

Behandeling recidief

Een recidief van een pleiomorf adenoom wordt in principe chirurgisch behandeld middels een oppervlakkige parotidectomie. Als de tumor zich uitbreidt naar de diepe kwab, wordt een totale parotidectomie uitgevoerd waarbij de N. facialis wordt gespaard. Het denkbeeld dat beide parotiskwabben worden gescheiden door de N. facialis die in een vlak binnen de parotis verloopt, is anatomisch niet juist. In het embryostadium groeit de speekselklier tussen de reeds aangelegde zenuwen door. Bij heroperatie vormt het vrijprepareren van de N. facialis een extra bemoeilijkende factor, met verhoogd risico op blijvend letsel van deze zenuw.6 De chirurgische behandeling wordt vaak gevolgd door radiotherapie als een eerdere operatie inadequaat was, als er multifocale recidieven zijn of als de marges bij de heroperatie krap zijn.3 Het doel van de bestraling is behandeling van de microscopische resttumor.

Carcinoma ex pleiomorf adenoma

Het carcinoma ex pleiomorf adenoma is gedefinieerd als een carcinoom dat ontstaat uit een pre-existent pleiomorf adenoom, waarbij het niet relevant is of deze afwijking eerder werd behandeld. De diagnose wordt gesteld als in een benigne adenoom carcinoomcellen worden aangetroffen, of als eerder in hetzelfde gebied een pleiomorf adenoom irradicaal werd verwijderd.

Het carcinoma ex pleiomorf adenoma is een agressief speekselkliercarcinoom met een locoregionale recidiefkans van 42-66% binnen 5 jaar. De gemiddelde 5-jaarsoverleving van deze vorm van carcinoom bedraagt 30-42%7,8 Een hoger 5-jaarsoverlevingspercentage van 76% is ook beschreven; om dat te bereiken zijn adequate chirurgie en adjuvante radiotherapie nadrukkelijk van belang. Klinisch relevante factoren voor het ontstaan van een lokaal recidief zijn het verspreiden van tumorweefsel tijdens de eerste operatie, irradicale resectie en beschadiging van het pseudokapsel.9 De ziektegeschiedenis van patiënt B laat zien dat zich uit het residu van een pleiomorf adenoom niet alleen een benigne multipel recidief kan ontwikkelen, zoals bij patiënt A, maar ook dat maligne ontaarding mogelijk is bij irradicale excisie. De relatief lange tijd tussen de eerste klachten passend bij een recidief en de bevestiging van de diagnose was een bijkomend probleem bij deze patiënt.

Bij een vermoeden van maligne ontaarding in een pre-existent pleiomorf adenoom bestaat het diagnostische traject doorgaans uit echografie met cytologische punctie en MRI of eventueel een CT-scan. Deze procedure wordt gevolgd door een incisiebiopt als een cytologische punctie bij herhaling geen tumorweefsel laat zien of geen duidelijke uitslag geeft. Ofschoon het klinische beeld van patiënt B een maligne proces deed vermoeden, is het lastig om zo’n vermoeden met een cytologische punctie te bevestigen. De tumor bestaat uit gemengd benigne en maligne gebieden, waardoor de sensitiviteit van een cytologische punctie per definitie laag is; de kans is immers groot dat men in een benigne gebied puncteert.

Om locoregionale controle over de tumor te verkrijgen, kan een totale parotidectomie met regionale lymfklierdissectie en postoperatieve bestraling worden overwogen.10 Dit was bij patiënt B echter geen haalbare optie meer.

Chirurgische expertise

Bij elke zwelling in het hoofd-halsgebied is een cytologische punctie een eerste diagnostische stap; de uitslag zal in de meeste gevallen richting geven aan verder beleid.11 Als de diagnose ‘pleiomorf adenoom’ luidt, is chirurgische interventie in veruit de meeste gevallen aan te bevelen, patiënten op hoge leeftijd of met aanzienlijke comorbiditeit buiten beschouwing gelaten.

Parotidectomie bestaat uit een resectie van de tumor met de oppervlakkige kwab van de glandula parotis, waarbij de N. facialis de scheidslijn is tussen de diepe en de oppervlakkige kwab. Bij tumoren in de diepe parotiskwab dient in eerste instantie al een totale parotidectomie met behoud van de N. facialis te worden verricht. Gezien de nauwe relatie tussen de parotis en de N. facialis is een radicale resectie van een tumor van deze speekselklier vaak moeilijk (figuur 4).

Figuur 4

Een ervaren specialist kan ook kiezen voor een vorm van chirurgie waarbij een deel van de parotis behouden blijft, zoals een partiële oppervlakkige parotidectomie of, bij geselecteerde patiënten, een extracapsulaire dissectie.5 Bij een extracapsulaire dissectie dient een maligniteit met zekerheid te worden uitgesloten, omdat bij deze techniek een zeer geringe marge rond de tumor wordt aangehouden. Het voordeel van deze techniek is de lagere kans op N.-facialisletsel, het syndroom van Frey en cosmetische gevolgen. In zeer ervaren handen is de kans op verspreiding van tumorcellen en een locoregionaal recidief even groot als bij een totale parotidectomie.

De huidige trend in Nederland is om hoog-complexe chirurgie te centraliseren. In verband met de lage incidentie van parotistumoren en de verschillende chirurgische technieken om deze te verwijderen, verdient het de aanbeveling om patiënten met deze tumoren te behandelen in klinieken waar voldoende expertise is opgebouwd. Voor het welslagen van de behandeling is een correcte uitvoering volgens het chirurgisch protocol van doorslaggevende betekenis.12

Dames en Heren, het pleiomorf adenoom dient adequaat behandeld te worden. Dit houdt in dat de tumor in zijn totaliteit en met schone snijvlakken geëxcideerd moet worden. Als achteraf blijkt dat de resectie niet radicaal was, is heroperatie geïndiceerd en is afwachten geen optie. Wij adviseren om patiënten met een bewezen recidief van een pleiomorf adenoom of met een carcinoom ex pleiomorf adenoom te verwijzen naar een centrum voor hoofd-halsoncologie dat wordt erkend door de Nederlandse Werkgroep Hoofd-Halstumoren (NWHHT) en waar de noodzakelijke expertise aanwezig is.

Leerpunten

  • Elke parotiszwelling vereist een cytologische punctie als eerste diagnostische stap.

  • Als het gaat om een pleiomorf adenoom van de parotis dient volledige chirurgische resectie plaats te vinden.

  • Bij onvolledige resectie van deze tumor of versleping van de tumorcellen kan een recidief optreden die uiteindelijk maligne kan ontaarden.

  • Behandeling van een tumorresidu, een recidief of een maligne variant van het pleiomorf adenoom dient plaats te vinden in een gespecialiseerd centrum voor hoofd-halschirurgie.

Literatuur
  1. Wittekindt C, Streubel K, Arnold G, Stennert E, Guntinas O. Recurrent pleomorphic adenoma of the parotid gland: analysis of 108 consecutive patients. Head Neck. 2007;29:822-8 Medline. doi:10.1002/hed.20613

  2. Bjørndal K, Krogdahl A, Therkildsen MH, et al. Salivary gland carcinoma in Denmark 1990–2005: A national study of incidence, site and histology. Results of the Danish Head and Neck Cancer Group (DAHANCA). Oral Oncol. 2011;47:677-82 Medline. doi:10.1016/j.oraloncology.2011.04.020

  3. Mendenhall WM, Mendenhall CM, Werning JW, Malyapa RS, Mendenhall NP. Salivary gland pleomorphic adenoma. Am J Clin Oncol. 2008;31:95-9 Medline. doi:10.1097/COC.0b013e3181595ae0

  4. Natvig K, Søberg R. Relationship of intraoperative rupture of pleiomorphic adenomas to recurrence. Head Neck. 1994;16:213-7 Medline. doi:10.1002/hed.2880160302

  5. George KS, McGurk M. Extracapsular dissection--minimal resection for benign parotid tumours. Br J Oral Maxillofac Surg. 2011;49:451-4 Medline. doi:10.1016/j.bjoms.2010.10.005

  6. Guntinas-Lichius O, Gabriel B, Klussmann JP. Risk of facial palsy and severe Frey’s syndrome after conservative parotdectomy for benign disease: analysis of 610 operations. Acta Otolaryngol. 2006;126:1104-9 Medline. doi:10.1080/00016480600672618

  7. Olsen KD, Lewis JE. Carcinoma ex pleomorphic adenoma: a clinico- pathologic review. Head Neck. 2001;23:705-12 Medline. doi:10.1002/hed.1100

  8. Nouraei SA, Hope KL, Kelly CG, McLean NR, Soames JV Carcinoma ex benign pleomorphic adenoma of the parotid gland. Plast Reconstr Surg. 2005;116:1206-11.Medline

  9. Hamada T, Matsukita S, Goto M, et al. Mucin expression in pleomorphic adenoma of salivary gland: a potential role for MUC1 as a marker to predict recurrence. J Clin Pathol. 2004;57:813-21 Medline. doi:10.1136/jcp.2003.014043

  10. Valstar MH, van den Brekel MWM, Smeele LE. Interpretation of treatment outcome in the clinically node-negative neck in primary parotid carcinoma: a systematic review of the literature. Head Neck. 2010;10:1402-11.Medline

  11. Schmidt RL, Hall BJ, Wilson AR. Layfield LJA systematic review and meta-analysis of the diagnostic accuracy of fine-needle aspiration cytology for parotid gland lesions. Am J Clin Pathol. 2011;136:45-59 Medline. doi:10.1309/AJCPOIE0CZNAT6SQ

  12. Guntinas-Lichius O, Klussmann JP, Wittekindt C, Stennert E. Parotidectomy for benign parotid disease at a university teaching hospital: outcome of 936 operations. Laryngoscope. 2006;116:534-40 Medline. doi:10.1097/01.mlg.0000200741.37460.ea

Auteursinformatie

Nederlands Kanker Instituut-Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, afd. Hoofd-halschirurgie/oncologie, Amsterdam.

Drs. M. de Ridder, anios; prof.dr. L.E. Smeele en prof.dr. A.J.M. Balm, hoofd-halschirurgen.

Contact prof.dr. L.E. Smeele (l.smeele@nki.nl)

Verantwoording

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.
Aanvaard op 21 maart 2012

Ook interessant

Reacties

Aad
van der Lugt

Recent werd in het NTvG een interessante klinische les gepubliceerd over het pleiomorf adenoom van de glandula parotis. Radicale operatieve resectie is nodig om een recidief te voorkomen. Chirurgische expertise is van doorslaggevende betekenis voor het welslagen van de operatieve behandeling. Blijkens de beschrijving van de casus en de daarbijbehorende figuren is in de diagnostische fase aanvullend onderzoek door middel van radiologische beeldvorming ook van groot belang. De auteurs kan chirurgische expertise niet worden ontzegd. Helaas kan dat niet gezegd worden van hun radiologische expertise.

De beschouwing meldt dat een pleiomorf adenoom op een T2-gewogen opname scherp aankleurt. Dit is onjuist. Het contrastmiddel gadolinium, leidt tot T1 verkorting en een  scherpe aankleuring van de tumor is dan ook zichtbaar als een hoog signaal op de T1-gewogen opname en niet op de T2-gewogen opname. Figuur 2 meldt als onderschrift dat er sprake is van een T2-gewogen opname. Dit is onvolledige informatie. Het is een T2w gewogen opname met vetsuppressie. Dit is relevant want zonder vetsuppressie zouden de hyperintense noduli deels worden omgeven door vetweefsel met een hoog signaal en daardoor ook minder goed zichtbaar zijn. Vetsuppressie is cruciaal om de noduli goed waar te nemen. Figuur 3 meldt als onderschrift dat er sprake is van een T2-gewogen opname. Dit is onjuist. Het is een T1-gewogen opname met vetsuppressie na toediening  van contrastmiddel.

Een tekort aan radiologische kennis is regelmatig zichtbaar in de kolommen van het NTvG. Ik heb dan ook drie adviezen voor de redactie van het NTvG: 1) meer aandacht te geven aan radiologische onderwerpen in het NtvG zodat de achterstand in kennis bij niet-radiologen verminderd kan worden. 2) een reviewer aan te wijzen met radiologische expertise zodra uitspraken worden gedaan over diagnostische beeldvorming of beelden worden getoond. 3) auteurs te adviseren radiologen te betrekken bij het schrijven van artikelen waarin de rol van beeldvorming in het diagnostisch traject wordt besproken.  

 

Aad van der Lugt, radioloog, ErasmusMC

Mischa
de Ridder

Geachte collega,

Hartelijk dank voor uw terecht kritische reactie op onze klinische les “Het pleiomorf adenoom van de glandula parotis – regels voor resectie”.

De opmerkingen die u maakt ten aanzien van de gebruikte radiologie, zijn alle zeer terecht. Wij bieden onze excuses aan voor de door u gemelde onvolkomenheden.

In de toekomstige gevallen zullen manuscripten worden medebeoordeeld door een radioloog.

 

Mischa de Ridder