Het medisch dossier in beslag; beschouwing over grenzen van het verschoningsrecht

Perspectief
E.J.C. de Jong
W.P. Rijksen
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1998;142:915-8
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Het inbeslagnemen van een medisch dossier in het kader van justitieel onderzoek tegen de wil van de bezitter van het dossier komt, alhoewel formeel verboden, in Nederland met enige regelmaat voor. Een dergelijke inbeslagneming zorgt vaak voor grote onrust bij medici. Geconcludeerd wordt dat degene bij wie tot inbeslagneming van een medisch dossier is overgegaan geen mogelijkheid heeft eventuele bezwaren tegen de gronden waarop justitie dit heeft gedaan, aan de rechter ter toetsing voor te leggen. Er zou een regeling moeten komen die wel in die mogelijkheid voorziet.

Het medisch dossier leidt een onrustig bestaan. De tijd dat een medisch dossier alleen diende ter ondersteuning van de arts, zonder dat anderen, onder wie de patiënt, daar inzage in hadden, ligt ver achter ons. Velen tonen belangstelling voor het medisch dossier. Familieleden, levensverzekeraars, advocaten, aansprakelijkheidsverzekeraars, de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD), de tuchtrechter en anderen lijden soms aan een grote nieuwsgierigheid naar de inhoud van een dossier van een patiënt die hun belangstelling heeft. Dit heeft er onder andere toe geleid dat een medisch dossier niet alleen meer een hulpmiddel is, maar in sommige gevallen ook als bewijsstuk dienst moet doen.

Ook politie en justitie kunnen een grote belangstelling aan de dag leggen voor medische dossiers. In het bijzonder als vermoed wordt dat in een dossier gegevens zijn opgenomen die tot opsporing of opheldering van een misdrijf kunnen leiden, zal die interesse snel gewekt zijn. Dat is weliswaar begrijpelijk, maar de arts heeft een andere plicht, namelijk ervoor te zorgen dat het geheim van de patiënt bewaard wordt. Politie en justitie hebben niet altijd begrip voor die plicht en willen er nog wel eens toe neigen enige druk op de arts uit te oefenen of zelfs tot dwangmiddelen over te gaan. In het bijzonder op dit punt lijkt het erop dat in de wijze waarop politie en justitie artsen en andere hulpverleners tegemoet treden, zich recentelijk een verandering heeft voorgedaan. Deze verandering scherpt niet alleen dit belangenconflict aan, maar wat belangrijker is: ze vormt een aantasting van het in het Wetboek van Strafvordering neergelegde beginsel dat het beroepsgeheim prevaleert boven het opsporingsbelang. Aan de hand van twee recente casussen belichten wij enkele aspecten die bij dit vraagstuk van betekenis zijn.

casussen

Casus A betreft de afgifte van een dossier door het Academisch Medisch Centrum (AMC), Amsterdam. In maart 1996 wordt een 33-jarige vrouw buiten bewustzijn opgenomen in het AMC, mogelijk ten gevolge van het gebruik van een zeer gevaarlijk ‘soort XTC-pil’.1 Na een week overlijdt de vrouw zonder bij bewustzijn te zijn geweest. Haar echtgenoot, die eenzelfde pil zou hebben genomen, heeft nergens last van. Vanuit het vermoeden dat hier mogelijk sprake is geweest van een strafbaar feit, wenst de officier van justitie afgifte van de medische gegevens van de vrouw. Dit wordt door het AMC geweigerd, mede omdat de echtgenoot hiervoor geen toestemming geeft. De rechter-commissaris belast met het gerechtelijk vooronderzoek meldt zich enige tijd later met een door de raadkamer van de rechtbank afgegeven verlof tot huiszoeking en inbeslagneming van de op de overleden vrouw betrekking hebbende stukken. Opnieuw weigert het AMC de gevraagde gegevens af te staan voor opsporingsdoeleinden, maar geeft wel aan bereid te zijn in het belang van de volksgezondheid met de Inspectie te overleggen over een mogelijke verstrekking aan deze van voor de taakvervulling van de Inspectie belangrijke gegevens. De rechter-commissaris neemt hiermee geen genoegen en dreigt met de sterke arm. Teneinde te voorkomen dat die huiszoeking daadwerkelijk geëffectueerd wordt, geeft het AMC de gegevens toch af, echter niet dan nadat door de directeur patiëntenzorg alle gegevens van en over derden uit het dossier verwijderd zijn. Bovendien verzoekt het AMC de rechter-commissaris dringend om de envelop met het dossier niet te openen, in afwachting van een door het AMC in te stellen beklagprocedure. Dit verzoek wordt door de rechter-commissaris en de officier van justitie niet gehonoreerd. Het door het AMC ingediende beklag, strekkende tot teruggave van het dossier en de daarvan gemaakte kopieën, wordt in augustus 1996 door de rechtbank ongegrond verklaard. Hierbij moet worden aangetekend dat de rechtbank zich vanwege formeel juridische redenen onthouden heeft van een inhoudelijke beoordeling.

Casus B betreft huiszoeking bij Haagse huisartsen. In deze casus ging het om een justitieel onderzoek naar de dood van enkele in een verzorgingsflat te Den Haag wonende bejaarden, waarbij onder anderen twee verplegers als verdachten waren aangehouden. Ook hierbij stond de informatiebehoefte van justitie centraal. Om over die informatie te kunnen beschikken, vond met verlof van de rechtbank Den Haag in de verzorgingsflat huiszoeking plaats, waarbij medische dossiers in beslag werden genomen. Deze dossiers zijn door de Inspectie voor de Gezondheidszorg vóór de inbeslagneming getoetst, en vervolgens in enveloppen verpakt, verzegeld en opgeborgen op het politiebureau. Vervolgens werd betrokken huisartsen gevraagd toestemming te geven tot opening van de enveloppen en tot het verstrekken van eventueel nog in hun bezit zijnde gegevens. Door sommigen van de huisartsen werd dit geweigerd met een beroep op hun beroepsgeheim. Daarop werd bij drie huisartsen uiteindelijk overgegaan tot inbeslagneming van medische gegevens.

onrust bij artsen en juristen

Beide gevallen hebben voor veel onrust in medisch en gezondheidsrechtelijk Nederland gezorgd en ook in de media is uitgebreid aandacht besteed aan beide casussen. Hubben constateerde dat het medisch beroepsgeheim door de wijze waarop politie en justitie daarmee omgaan onder druk kan komen te staan2 en Kastelein waarschuwt voor de komst van een ‘politiestaat’.3 Zijn deze en soortgelijke reacties niet teveel ingegeven door een te starre dogmatische benadering van het beroepsgeheim, ten gevolge waarvan maatschappelijk algemeen aanvaarde en noodzakelijk geachte belangen en doeleinden onnodig en ten onrechte worden genegeerd? In beide gevallen ging het toch om de niet onbelangrijke vraag of de overleden patiënten het slachtoffer waren geworden van een misdrijf, voor beantwoording waarvan justitie nu eenmaal gegevens nodig had? Deze gegevens bevatten weliswaar informatie over de betreffende patiënten en vertegenwoordigden daarmee een persoonlijk belang, maar bij overhandiging ervan aan justitie zouden ze toch niet leiden tot een aantasting van dat belang? Is het tegen deze achtergrond redelijk de stelling te poneren dat politie en justitie in beide genoemde zaken het beroepsgeheim in groot gevaar hebben gebracht? Deze vraag geldt vooral wanneer geconstateerd moet worden dat in de AMC-zaak de rechter-commissaris ermee akkoord ging dat het dossier van de overleden vrouw geschoond werd van alle gegevens waarop het medisch geheim van toepassing was. (Die schoning werd overigens toevertrouwd aan de directeur patiëntenzorg; kennelijk werd het beroepsgeheim jegens hem niet van toepassing geacht. Opvallend is verder dat de rechter-commissaris het beroepsgeheim blijkbaar niet op het gehele dossier van toepassing achtte; dit moet als een onjuiste gedachte worden bestempeld.)

Voor beantwoording van de hier gestelde vragen gaan wij allereerst in op het beroepsgeheim in meer algemene zin.

beroepsgeheim

Al ver voordat het onderwerp ‘privacy’ in de belangstelling kwam te staan, werd de vertrouwelijkheid van medische gegevens als een groot goed beschouwd. Inherent aan de aard van het beroep van medicus alsmede aan de vertrouwensrelatie tussen medicus en patiënt is immers de geheimhouding. Daarmee wordt zowel een individueel als een collectief belang gediend. Het individuele belang is gelegen in het vertrouwen bij de patiënt dat al hetgeen in de relatie met de arts aan de orde komt, in beginsel niet ter kennis van derden wordt gebracht. Heeft de patiënt dit vertrouwen niet, dan zou hij terughoudend kunnen worden met het verstrekken van informatie en zou in voorkomende gevallen zelfs een beroep op de gezondheidszorg achterwege kunnen laten. Hiermee is tevens aangegeven welk algemeen belang met het beroepsgeheim wordt gediend. De toegankelijkheid van de gezondheidszorg moet immers voor eenieder gewaarborgd zijn, of het nu gaat om minderjarigen, illegaal in ons land verblijvende buitenlanders of gewond geraakte daders van een overval.

Het beroepsgeheim bestaat uit twee onderdelen, namelijk de zwijg- of geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht.

Zwijgplicht

De zwijgplicht houdt in dat de hulpverlener moet zwijgen over al hetgeen hem in zijn beroepsuitoefening bekend is geworden. Die zwijgplicht geldt in beginsel ten opzichte van ieder ander dan de patiënt, maar in een aantal gevallen is de hulpverlener gerechtigd of verplicht het geheim te openbaren. Dit doet zich voor indien een wettelijk voorschrift de hulpverlener tot informatieverstrekking verplicht (bijvoorbeeld op grond van de Wet Bijzondere Opnemingen Psychiatrische Ziekenhuizen (Wet BOPZ), de patiënt hem daarvoor toestemming geeft of indien de hulpverlener zich geplaatst weet voor een conflict van plichten. De genoemde uitzonderingen bevestigen echter de regel dat de zwijgplicht van de arts en andere hulpverleners zeer zwaar weegt.

Verschoningsrecht

Het verschoningsrecht ligt in het verlengde van de zwijgplicht. Dit recht houdt in dat de arts zich ten overstaan van de rechter kan verschonen om vragen te beantwoorden of getuigenis af te leggen. De relatie tussen het verschoningsrecht en de zwijgplicht moet aldus worden verstaan dat slechts door gebruik te maken van het verschoningsrecht het geheim waarover de zwijgplicht zich uitstrekt, volledig bewaard kan worden.

Aangetekend moet worden dat het verschoningsrecht niet zijn grondslag vindt in het individuele belang van de patiënt, maar juist in het algemene maatschappelijke belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het aan de hulpverlener toevertrouwde geheim tot die hulpverlener moet kunnen wenden.

inbeslagneming van medische dossiers

Politie en justitie zijn soms niet alleen geïnteresseerd in wat de arts te vertellen heeft, ook wat in het dossier van een patiënt is opgeschreven kan waardevolle informatie opleveren, zoals ook uit de beide beschreven casussen blijkt. Het belang dat aan het beroepsgeheim wordt gehecht, is ook terug te vinden in de regelgeving met betrekking tot het inbeslagnemen van bescheiden waarop een beroepsgeheim rust. Het is in Nederland namelijk niet toegestaan dat een medisch dossier (of een ander vertrouwelijk stuk) door politie, openbaar ministerie of rechter-commissaris, al dan niet met behulp van huiszoeking, in beslag wordt genomen, tenzij degene die het beroepsgeheim in acht moet nemen daarvoor toestemming geeft. Tot het verrichten van een huiszoeking mag dan ook alleen worden overgegaan indien deze kan plaatsvinden zonder aantasting van het beroepsgeheim. Bestaat daaromtrent twijfel, dan mag de verschoningsgerechtigde de huiszoeking weigeren en het rechterlijk bevel daartoe naast zich neerleggen wellicht moet deze dat zelfs. Dit betekent dat indien de rechter-commissaris in de AMC-zaak zijn dreiging omtrent het verrichten van een huiszoeking met behulp van de sterke arm ten uitvoer zou hebben gebracht, hij zou hebben gehandeld in strijd met de wet door alle ruimte voor een beroep op het verschoningsrecht aan de verschoningsplichtige te ontnemen. Een weigering tot het opvolgen van een rechterlijk bevel tot huiszoeking dient ‘door de politie en justitie te worden geëerbiedigd tenzij redelijkerwijs geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is’.4

Is dat niet het geval, dan mag inbeslagneming, al dan niet met behulp van huiszoeking, niet plaatsvinden. Slechts bij hoge uitzondering kan van deze wettelijke hoofdlijn worden afgeweken. Zo heeft de Hoge Raad bepaald dat ‘slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden’ het belang dat de waarheid aan het licht komt zo groot kan zijn, dat schending van het beroepsgeheim door inbeslagneming mag plaatsvinden.5 De zaak waarover de Hoge Raad zich hier uitsprak, ging om een dreigende inbeslagneming van stukken bij een advocaat; de ‘zeer uitzonderlijke’ omstandigheden werden daarbij overigens niet aanwezig geacht. De kwestie wanneer er dan wel sprake zou zijn van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden is door de Hoge Raad niet nader toegelicht. De vraag of er in de genoemde casussen sprake was van dergelijke omstandigheden is destijds niet door de rechter beantwoord. In de AMC-zaak kwam deze vraag op grond van formeel-juridische gronden in de beklagzaak niet aan de orde; in de andere casus is er, voorzover ons bekend, geen beklagprocedure gevoerd. In een geval waarin bij een huisarts allerlei gegevens in beslag werden genomen, diende de huisarts met succes een klaagschrift in. In de procedure die hierop volgde, werd weliswaar gezegd dat er geen sprake was geweest van uitzonderlijke omstandigheden, maar werd evenmin uitgelegd wat daar dan onder verstaan moet worden.6 Ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft hierover tot op heden geen concrete uitspraak gedaan.7

Dit alles leidt ertoe dat in abstracte zin wel duidelijk is dat voor het inbeslagnemen van medische dossiers zeer goede gronden aanwezig moeten zijn, maar dat invulling van die ‘zeer goede gronden’ bij de huidige stand van het recht een heikele kwestie is. Dat kan in de praktijk aanleiding zijn tot nogal onvoorspelbaar, maar in elk geval willekeurig handelen van de kant van justitie. Voorzover dat te beoordelen valt, lijkt er in de beschreven casussen geen sprake geweest te zijn van dergelijke omstandigheden. Zorgelijker is evenwel dat de hulpverlener die onder dreiging van huiszoeking gedwongen wordt een medisch dossier af te geven thans geen juridische mogelijkheid heeft dit besluit vóór de huiszoeking de inbeslagneming aan te vechten. Daarom zou het aanbeveling verdienen dat, nadat een medisch dossier (of een ander dossier waarop beroepsgeheim rust) in beslag is genomen, het dossier wordt verzegeld en dat de zwijgplichtige bij wie het dossier is weggenomen de kans geboden wordt zijn bezwaren hierover aan de rechter voor te leggen. De rechter zou vervolgens moeten beoordelen of in casu sprake is van zulke uitzonderlijke omstandigheden dat het wettelijke verbod op inbeslagneming van medische dossiers gerechtvaardigd doorbroken is.

Complicerend in dit geheel kan zijn dat justitie mogelijk niet alleen geïnteresseerd is in een medisch dossier vanwege de informatie daarin over de patiënt, maar ook omdat zij hoopt of verwacht dat in dat dossier gegevens zijn opgenomen die afkomstig zijn van of betrekking hebben op derden (of beide). Dan doet de vraag zich voor of het beroepsgeheim zo ver strekt dat ook derden zich zonder vrees voor justitie tot hulpverleners moeten kunnen wenden, bijvoorbeeld in het geval zij over voor de behandeling van de patiënt belangrijke informatie beschikken. Te denken valt aan de situatie dat iemand zich meldt met de mededeling dat hij cocaïne geleverd heeft die de patiënt kennelijk ziek gemaakt heeft. Het is in het algemeen belang dat ook dergelijke informatie zonder vrees voor nadere gevolgen aan de behandelende artsen kan worden verstrekt en eventueel in het medisch dossier kan worden opgenomen. Daarom verdient een ruime interpretatie van het beroepsgeheim ook in dit verband de voorkeur.

misbruik van beroepsgeheim

Als er een mogelijkheid van rechterlijke toetsing voor inbeslagneming zou zijn, zou mogelijk ook voorkomen kunnen worden dat het beroepsgeheim als een onzuiver middel gebruikt wordt, namelijk ter bescherming van de arts die verdacht wordt van het plegen van een misdrijf. Als voorbeeld kan dienen de Terp-zaak. In deze zaak rees, in het kader van een onderzoek naar de dood van een aantal in een bejaardentehuis verblijvende ouderen, de verdenking dat een huisarts en een verpleegkundige daarbij betrokken waren. Zij werden ervan verdacht bij tenminste drie bejaarden het leven beëindigd te hebben zonder dat daartoe een verzoek was gedaan. In eerste instantie werd de arts daarvoor veroordeeld, maar in hoger beroep volgde vrijspraak. Het gerechtshof kwam tot die uitspraak nadat het had geoordeeld dat het inbeslagnemen van de medische en verpleegkundige verslaglegging in strijd met de wet zonder toestemming van de arts (die verdachte was) had plaatsgevonden en er bovendien op het moment van de inbeslagneming geen sprake was van een zozeer uitzonderlijke omstandigheid van maatschappelijk belang dat in strijd met het Wetboek van Strafvordering mocht worden gehandeld. Mede daardoor werd de arts vrijgesproken en werd de zaak tegen de verpleegkundige, die in afwachting van de zaak tegen de arts was aangehouden, geseponeerd.8 Voor de tijd dat zij in voorarrest hadden gezeten, ontvingen beiden later ongeveer ƒ  300.000, als schadevergoeding.

lichtvaardige inbeslagneming

Wat zouden nu de gevolgen kunnen zijn van een situatie waarin door justitie al te lichtvaardig wordt aangenomen dat er sprake is van zodanig uitzonderlijke omstandigheden dat inbeslagneming toegestaan is?

Ten eerste kan gewezen worden op de mogelijke barrière die dit opwerpt voor hulpbehoevende personen die om welke reden dan ook justitie vrezen. Uiteindelijk kan dit gevolgen hebben voor de volksgezondheid. Daarnaast kan het ertoe leiden dat men terughoudend is in het verstrekken van informatie aan arts of andere hulpverlener, ook als het gaat om informatie die mogelijk van wezenlijk belang is voor de behandeling. Daarnaast is denkbaar dat derden die iets te duchten hebben van justitie zich zeer terughoudend op zullen stellen als zij beschikken over informatie die weliswaar voor de patiënt van belang is, maar die voor betrokkene een zelf-incriminerend karakter heeft. Bovendien zou de situatie kunnen ontstaan dat een patiënt die de belangstelling heeft van justitie de arts verzoekt om bepaalde gegevens niet in het dossier op te nemen of dat een arts zelf reeds komt tot selectie van gegevens met het oog op een eventuele inbeslagneming. Dit zou de patiëntenzorg in gevaar kunnen brengen en zou bovendien betekenen dat de arts handelt in strijd met de wettelijke bepaling dat een hulpverlener een dossier over de patiënt behoort aan te leggen en daarin gegevens op moet nemen die voor een goede hulpverlening noodzakelijk zijn. Ook zou het tot gevolg kunnen hebben dat een patiënt uit angst voor inbeslagneming van het dossier gebruikmaakt van zijn recht op vernietiging van (een gedeelte van) het dossier. Het recht op vernietiging is daar niet voor bedoeld en alhoewel het aan eenieder vrij staat dit recht op eigen wijze te hanteren, zou het verkeerd zijn als angst voor politie of justitie een reden wordt om van dit recht gebruik te maken.

tenslotte

Alhoewel in de wet is opgenomen dat het inbeslagnemen van medische dossiers niet is toegestaan, wordt van de uitzondering die de Hoge Raad op dit verbod geformuleerd heeft naar het lijkt soms te makkelijk gebruikgemaakt. Terughoudendheid van politie en justitie in dezen is geboden teneinde te voorkomen dat zich situaties voordoen waarin hulpbehoevenden zich terughoudend zullen opstellen, omdat zij vrezen dat het beroepsgeheim waarop zij zouden moeten kunnen rekenen niet ten volle kan worden uitgeoefend. Dat zou een ongewenste ontwikkeling zijn.

Literatuur
  1. Campen MMJ van, Verdam TJ. Strafrechtelijkopsporingsbelang en medisch beroepsgeheim. Medisch Contact1996;51:1133-4.

  2. Hubben JH. Justitie plaatst medisch beroepsgeheim onderdruk. Nederlands Juristenblad 1996;72:1633-4.

  3. Kastelein WR. Justitie en beroepsgeheim. Tijdschrift voorGezondheidsrecht 1996;20:189.

  4. Hoge Raad 22 november 1991. Nederlandse Jurisprudentie1992; nr 315:1233-40.

  5. Hoge Raad 14 oktober 1986. Nederlandse Jurisprudentie1987:1742-8.

  6. Hoge Raad 16 mei 1989. Tijdschrift voor Gezondheidsrecht1990; 14:138-41.

  7. Europees Hof voor de Rechten van de Mens 25 februari 1997.Ned Juristen Comité voor de Rechten van de Mens(NJCM)-bulletin1997;22(6):712-33.

  8. Hof Den Haag 12 november 1986. Nederlandse Jurisprudentie1987;nr 609:2136-40.

Auteursinformatie

Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, Postbus 20.051, 3502 LB Utrecht.

Mr.E.J.C.de Jong, stafmedewerker; mr.W.P.Rijksen, secretaris-jurist.

Contact mr.E.J.C.de Jong

Gerelateerde artikelen

Reacties