Het klinisch verband tussen klachten en uiteindelijke diagnosen in de huisartspraktijk, vastgesteld met achterafkansen berekend op grond van het Transitieproject
Open

Onderzoek
18-11-2005
H. Lamberts, S.K. Oskam en I.M. Okkes

Doel.

Nagaan hoe met de database van het Transitieproject (www.transitieproject.nl) achterafkansen voor de huisartspraktijk kunnen worden berekend die inzicht geven in de klinische betekenis van het gelijktijdig optreden van 2 gebeurtenissen (een symptoom en een diagnose, of twee aandoeningen) in de huisartspraktijk.

Opzet.

Beschrijvend.

Methode.

Het gebruik van de ‘International classification of primary care’ (ICPC) voor het coderen van de contactreden van de patiënt én de diagnose van de huisarts in het Transitieproject heeft geleid tot een gegevensbestand over 1985-2002 met in totaal 201.127 patiëntjaren, waarin de achterafkans op een diagnose bij een klacht/symptoom in de vorm van een oddsratio beschikbaar is. Ook voor het simultaan vóórkomen van 2 zorgepisoden (comorbiditeit) bij een patiënt bestaat nu de mogelijkheid om vast te stellen of de voorafkans getoetst aan de achterafkans wijst op een klinisch relevante samenhang of dat het gaat om een toevalsbevinding. Deze achterafkansen werden berekend voor de onderwerpen otitis media, hypertensie bij diabetes mellitus, kortademigheid en hartfalen. Bij de berekening van vooraf- en achterafkansen werden alleen ‘zekere’ diagnosen gebruikt.

Resultaten.

Voor de diagnose ‘otitis media’ in de leeftijdsgroep van 0-4 jaar had oorpijn de hoogste achterafkans (oddsratio: 15,77), met op de tweede plaats afscheiding uit het oor (oddsratio: 8,59). ‘Koorts’ droeg nauwelijks bij. De oddsratio voor hypertensie bij vrouwen van 45-74 jaar met diabetes mellitus was 3,42. Bij ‘kortademigheid’ als klacht was in de leeftijdsgroep 45-64 jaar de voorafkans op hartfalen relatief laag (2,0), maar de achterafkans relatief hoog (24,2). De combinatie van vooraf- en achterafkansen kan zo het klinisch handelen van de huisarts ondersteunen. Als voorspellende variabele van hartfalen speelde in de leeftijdsgroep van 65-74 jaar ‘enkeloedeem’ een belangrijke rol; ‘moeheid’ bleek niet bij te dragen aan de diagnose. Uit de database bleek dat de zorg voor patiënten met hartfalen in de tijd vaak samen ging met die voor chronische ziekten als diabetes mellitus, hypertensie, ischemische hartziekte, chronische obstructieve longziekte en boezemfibrilleren. Maar de vraag of er een klinisch relevante samenhang bestaat, kon pas beantwoord worden op grond van achterafkansen: de hoogste oddsratio’s werden gevonden voor ‘boezemfibrilleren/-fladderen’ (32,5), ‘chronisch obstructieve longziekte’ (22,5) en ‘chronisch huidulcus’ (20,2).

Conclusie.

Berekening van vooraf- en achterafkansen op basis van de database van het Transitieproject geeft huisartsen de mogelijkheid de klinische relevantie van hun waarnemingen te bepalen.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:2566-72