Hepatocellulair carcinoom: diagnostiek en behandeling
Open

Trends in Nederland in de periode 2003-2011
Onderzoek
28-02-2014
Suzanne van Meer, Karel J. van Erpecum, G.H. (Janina) Schrier, Cees Verhoef, Joanne Verheij, Robert A. de Man en Lydia G.M. van der Geest

Doel

Onderzoeken wat de trends in distributie van zorg voor patiënten met hepatocellulair carcinoom (HCC) waren gedurende het afgelopen decennium.

Opzet

Retrospectief onderzoek.

Methode

We verzamelden gegevens over de diagnostiek en initiële behandeling van patiënten met HCC in de periode 2003-2011 uit de Nederlandse Kankerregistratie.

Resultaten

In de periode 2003-2011 werd de diagnose ‘HCC’ gesteld bij 2915 patiënten. Het percentage palliatief behandelde patiënten nam significant toe, maar het percentage patiënten met een resectie bleef gelijk (ongeveer 10). Tumorbiopsie werd in vrijwel alle ziekenhuizen verricht. Ondanks een significante daling in de onderzochte periode werd tumorbiopsie bij ruim de helft van alle patiënten verricht. Ook was er een significante stijging van het aantal ziekenhuizen waar enige behandeling plaatsvond (van 33 naar 62% van alle ziekenhuizen) en een significante daling van de bijdrage van academische ziekenhuizen (van 83 naar 75% van alle behandelingen). Transarteriële chemo-embolisatie (TACE), radiofrequente ablatie (RFA) en resectie werden voornamelijk in academische ziekenhuizen verricht (respectievelijk 99, 95 en 79%), terwijl ongeveer de helft van de initiële sorafenibbehandelingen in niet-academische ziekenhuizen werd gegeven. Slechts in enkele academische ziekenhuizen vonden minstens 5 resecties per jaar plaats en startten – alleen in de laatste periode – minstens 5 patiënten per jaar direct na diagnose met sorafenib. Er waren significante verschillen tussen regio’s in het gebruik van RFA en TACE (beide p < 0,001 na ‘casemix’-correctie).

Conclusie

Gedurende het afgelopen decennium was er geen trend tot centralisatie van diagnostiek en behandeling van patiënten met HCC.