Grensoverschrijdend gedrag

Opinie
L.J. Gunning-Schepers
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:735-6
Abstract
Download PDF

Zie ook het artikel op bl. 764.

Artsen en verpleegkundigen maken patiënten mee in hun allerintiemste momenten. Zij delen de vreugde van de geboorte van een gezond kind of zijn getuige van de grote angst en het verdriet bij een overlijden. Daar tussenin zitten de momenten waarop een patiënt kwetsbaar, naakt in letterlijke en in figuurlijke zin, de arts zijn of haar vertrouwen schenkt. Een eerste confrontatie daarmee kan voor een co-assistent, maar hetzelfde geldt voor een leerling-verpleegkundige, veel emoties oproepen.

Jonge mensen moeten tijdens hun studie niet alleen veel kennis opdoen, maar ook veel ervaring, anders zijn zij aan het eind van hun studie niet in staat om zelfstandig de geneeskunde uit te oefenen. Het is aan de universitaire medische centra (UMC’s) om hen daarvoor gereed te maken. In de verschillende herzieningen van het curriculum zijn er nu, naast vakinhoudelijke eindtermen, steeds meer vaardigheden gedefinieerd. Reflectie op het eigen handelen, communicatie en attitude krijgen de laatste jaren veel ruimte in de verschillende curricula. Veel studenten lopen in hun eerste studiejaar een verpleeghulpstage, waardoor zij vroeg ervaring opdoen in de rol van professional ten opzichte van patiënten, ook al is dat nog niet in de rol van arts.

Met al deze kennis en goede bedoelingen is het teleurstellend dat Van den Muijsenbergh en Lagro-Janssen in hun onderzoek bij co-assistenten niet alleen incidenten van seksuele intimidatie melden, maar ook aangeven dat sommige co-assistenten het gevoel hadden nergens met hun verhaal terecht te kunnen.1 Wellicht denken sommigen dat deze incidenten niets gemeen hebben met de emotionele ontwikkeling van de jonge professional die in de eerste alinea werd beschreven. Deze maakt deel uit van de realiteit waar studenten op moeten worden voorbereid, terwijl het bij seksuele intimidatie gaat om grensoverschrijdend gedrag. Toch wil ik hier deze incidenten plaatsen in het continuüm van de dagelijkse realiteit, aan de randen van het alledaagse. Niet met de bedoeling daarmee de negatieve ervaring van de co-assistenten te bagatelliseren, maar veeleer om het onderzoek te gebruiken om het onderwijs op dit punt kritisch tegen het licht te houden.

vrouwen en mannen

Uit het onderzoek komen twee dichotomieën naar voren die de moeite waard zijn om nader te bezien. Zo worden alle incidenten door vrouwen gemeld, terwijl de mannen in dit onderzoek dergelijke incidenten kennelijk nauwelijks meemaken. Dat is eigenaardig, gezien de ervaringen in mijn eigen studententijd. Voor Groningse studenten kwam het eerste contact met patiënten tijdens de medewerking aan het bevolkingsonderzoek Vlaardingen/Vlagtwedde. Ik herinner me de discussie voorafgaand aan de eerste dag nog goed: het waren vooral de jongens die zich zenuwachtig maakten hoe om te gaan met die overvloed aan blote borsten die hun de volgende dag te wachten stond. Voor vrouwelijke studenten was die angst begrijpelijkerwijs minder, aangezien voor dit bevolkingsonderzoek slechts hart en longen beluisterd hoefden te worden en dus slechts het bovenlijf ontbloot werd. Ik denk dat daar ongetwijfeld incidenten geweest zijn waarbij deelnemers aan het bevolkingsonderzoek misbruik gemaakt hebben van die onzekerheid bij de studenten. Maar inderdaad, er werd niet over gepraat. Misschien dat mannelijke co-assistenten in het onderzoek van Van den Muijsenbergh en Lagro-Janssen selectief rapporteerden; ik kan me niet voorstellen dat incidenten zich tot de vrouwelijke studenten beperkten.

patiënten en begeleiders

De tweede dichotomie is belangrijker. Dat betreft het onderscheid dat de auteurs maken tussen de incidenten van seksuele intimidatie door patiënten (9/15; 60) en die door begeleiders. Ik denk dat daar terecht een tweedeling wordt aangebracht omdat die twee ook een wezenlijk andere oplossing behoeven. In beide gevallen betreft het grensoverschrijdend gedrag dat co-assistenten als vernederend ervaren, waarmee zij zich niet goed raad weten én waarover zij – zo blijkt uit het onderzoek – ook niet als vanzelfsprekend met anderen praten.

In het eerste geval betreft het seksuele intimidatie door patiënten. Dat is door een opleiding niet te voorkomen, zeker niet in situaties waarbij het psychiatrische patiënten betreft. Artsen en verpleegkundigen worden regelmatig geconfronteerd met grensoverschrijdend gedrag van patiënten. Dat betreft verbaal of fysiek geweld of de zoals in deze gevallen beschreven seksueel getinte intimidatie. De UMC’s moeten de studenten daarop voorbereiden en ervoor zorgen dat, áls het gebeurt, zij hun verhaal en ervaringen in een veilige omgeving kwijt kunnen, net zoals dat het geval is voor andere medewerkers. In de verpleegkundige opleiding leren studenten hoe zij om moeten gaan met seksueel getinte opmerkingen tijdens de wasbeurt, en ook de medisch studenten krijgen voordat zij aan hun verpleeghulpstage beginnen vaak handreikingen voor situaties waar ofwel de patiënt ofwel zijzelf schaamte zullen ervaren. In een co-schap zijn studenten echter extra kwetsbaar omdat zij voor het eerst als bijna-arts de patiënt tegemoet treden en op veel onderdelen van dat contact nog onzeker zijn. Studenten zijn geholpen als hun dat van tevoren wordt verteld en als hun ernaar wordt gevraagd tijdens de groepsgesprekken op de terugkomdagen die bij veel UMC’s onderdeel van de co-schapfase vormen. Toch moet ik eerlijk toegeven dat, toen ik in het Academisch Medisch Centrum navraag deed bij een aantal mensen die betrokken zijn bij de opleiding, iemand toch aangaf dat zij een ongewenst incident liever in de kroeg zou nabespreken met vrienden dan met willekeurige medestudenten.

Er zijn tijdens de co-schappen veel situaties die voor studenten veel onzekerheid en veel emoties met zich meebrengen. Elke arts kan zich dat uit zijn of haar eigen opleidingstijd voor de geest halen. Ook verschillen deze incidenten van seksuele intimidatie niet wezenlijk van de emoties die worden opgeroepen bij ander grensoverschrijdend gedrag van patiënten, met name die waarbij geweld een rol speelt. Het is goed ook deze emoties in het continuüm van het alledaagse te plaatsen.

De tweede categorie betrof incidenten van seksuele intimidatie waarbij begeleiders een rol speelden. Daar moeten wij ons afvragen hoe dat te voorkomen is. Immers, in veel onderwijssituaties is de ongelijke machtspositie tussen docent en student, promotor en promovendus of begeleider en co-assistent een aanleiding om extra alert te zijn. Ook goedbedoelde opmerkingen over het uiterlijk kunnen door de co-assistent als intimiderend ervaren worden. Hetzelfde is te zien in allerlei werksituaties waarbij jonge onervaren medewerkers moeten wennen aan een eerste werkomgeving. Degenen die onderwijs aan co-assistenten verzorgen, hebben daar de verantwoordelijkheid om uit te stralen en uit te dragen dat grensoverschrijdend gedrag niet wordt getolereerd. Tegelijkertijd is er het gegeven dat studenten en assistent-geneeskundigen (die vaak de dagelijkse begeleider van een co-assistent zijn) in een levensfase zitten waarin zij een partner zoeken. Het is dan haast onvermijdelijk dat er – ook op de werkvloer – weleens avances gemaakt worden, die echter niet altijd als welkom ervaren worden. Hier geldt net als bij het grensoverschrijdend gedrag van patiënten, dat het grootste risico zit in de afwezigheid van een veilige omgeving waar studenten hun ervaringen uit kunnen wisselen.

Het is goed dat er nu Nederlandse gegevens zijn over het voorkomen van seksuele intimidatie bij co-assistenten. De UMC’s moeten zich de aanbevelingen van de auteurs ter harte nemen en in elke geneeskundeopleiding aandacht besteden aan grensoverschrijdend gedrag zodat de co-assistenten beter zijn voorbereid. De voorbeelden uit deze studie kunnen daarbij behulpzaam zijn.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Muijsenbergh METC van den, Lagro-Janssen ALM. Seksuele intimidatie van co-assistenten tijdens hun stage. Ned Tijdschr Geneeskd 2005;149:764-8.

Auteursinformatie

Academisch Medisch Centrum/Universiteit van Amsterdam, Postbus 22.660, 1100 DD Amsterdam.

Contact Mw.prof.dr.L.J.Gunning-Schepers, voorzitter Raad van Bestuur, decaan (l.j.gunning@amc.uva.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties