Geneesmiddelen tegen jicht

L.F. Gast
A. Cats
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1988;132:1827-31
Download PDF

Inleiding

Kristalneerslagen van natriummono-uraat in synovia veroorzaken de peracute jichtartritis. Urinezuur en uraat danken hun pathogene betekenis aan het feit dat ze slecht oplosbaar zijn. Neerslagen in de afvoerwegen van de nieren vormen gruis of uraatstenen. Palpabele neerslagen bij de gewrichten, in subcutaan weefsel en kraakbeen (oorschelp) heten tophi. De prevalentie van jicht in Engeland en West-Europa bedraagt 2,6 per 1000. De laatste jaren is er een toename van jicht, vooral bij vrouwen ten gevolge van diureticagebruik.

De levensverwachting van jichtpatiënten in 1951, dus vóór urinezuurverlagende middelen ontdekt werden, was gelijk aan die van de normale bevolking. In 1980 toonden Yü en Talbott nogmaals aan dat patiënten met primaire jicht even lang leven als personen zonder jicht en dat in beide groepen de voornaamste doodsoorzaak coronaire hartziekte is en niet, zoals vroeger bij jicht gedacht werd, nierinsufficiëntie.1

Uit uitgebreide onderzoekingen van asymptomatische hyperurikemie2 en van primaire jicht3 bleek dat:

– jarenlange asymptomatische hyperurikemie geen nierinsufficiëntie veroorzaakt;

– primaire jicht zelden tot ernstige nierinsufficiëntie leidt;

– bij patiënten met primaire jicht bij wie zich nierinsufficiëntie ontwikkelt steeds een andere complicerende ziekte (zoals hypertensie, diabetes mellitus of arteriosclerose) aanwezig is;

– behandeling met urinezuurverlagende middelen geen invloed heeft, remmend noch bevorderend, op het beloop van nierinsufficiëntie.

Een jichtpatiënt kan evenwel een nierziekte hebben. Het betreft dan een toevallig samengaan van twee geen verband houdende ziekten, òf een primaire chronische nierziekte, zoals cystenieren, analgeticanier, chronische glomerulo- en pyelonefritis, etc., die bij verdere achteruitgang van de nierfunctie secundaire jicht veroorzaakt, òf het betreft zo'n zeldzame familie met autosomale dominante overerving van èn nierziekte èn hyperurikemie waarbij jicht manifest wordt op jeugdige leeftijd.

In ‘Requiem for gouty nephropathy’ werden deze problemen onlangs samengevat.4 Primaire jicht wordt in de meeste gevallen, 80 tot 90, veroorzaakt door een geïsoleerd tubulussecretiedefect voor urinezuur in een overigens volstrekt normale nier, leidend tot een te lage uitscheiding van urinezuur. Bij de overige patiënten berust de hyperurikemie op een te hoge produktie van urinezuur, veroorzaakt door voeding die te rijk is aan calorieën en (of) kerneiwitten, of door alcoholabusus, òf door endogene oorzaken, zoals een bekend enzymdefect (partiële hypoxanthine-guanine-fosforibosyl-transferase (HGPRT)-deficiëntie), of door idiopathische overproduktie. De definitie van overproduktie is 24-uursuitscheiding van urinezuur meer dan 5,8 mmol (1000 mg) bij een dieet zonder beperking van de hoeveelheid purine of meer dan 3,5 mmol (600 mg) bij een purinevrij dieet.

Door nierziekten en diuretica geïnduceerde secundaire jicht, gaat gepaard met hyperurikemie als gevolg van te lage uitscheiding van urinezuur. Myeloproliferatieve aandoeningen leiden tot overproduktie van uraat, toenemend bij cytostatische therapie.

De indicatie voor medicamenteuze behandeling van jicht wordt vooral bepaald door de klinische uitingen en niet door de hoogte van de urinezuurspiegel in bloed of urine.

– De hevige ontsteking en de daarbij behorende pijn van de acute aanval moeten worden bestreden met een niet-steroïde anti-inflammatoir middel (NSAID) of met colchicine (tabel). Een dergelijke aanval wordt gevolgd door een symptoomloze periode, die verscheidene jaren kan duren. Voor onderhoudstherapie in deze periode bestaat geen indicatie, ongeacht de urinezuurconcentratie. Wel is het noodzakelijk om te bepalen of het primaire of secundaire jicht betreft en moet de oorzaak worden vastgesteld: overproduktie, dan wel te lage uitscheiding. Bij causale factoren, zoals obesitas, alcoholabusus, hypertensie, te geringe diurese of onnodig diureticagebruik, moet echter wel ‘behandeld’ worden. De volgende aanvallen moeten opnieuw per aanval met een NSAID of colchicine worden bestreden.

– Komen de aanvallen vaker voor dan 3 maal per jaar, dan zal de patiënt gemotiveerd zijn om mee te werken aan preventieve maatregelen om de aanvalsfrequentie te onderdrukken door middel van dagelijks gebruik van colchicine in lage dosering.

– Tophi ontstaan pas na vele jaren en slechts bij de minderheid van de patiënten. Profylaxe om tophi te voorkomen, is niet geïndiceerd. Wel behoort een jichtpatiënt elke 6 tot 12 maanden gecontroleerd te worden op het ontstaan van tophi; bij aanwezigheid van tophi wordt dan een behandeling met urinezuurverlagende middelen ingezet. Tophi vindt men bij inspectie en bij palpatie van voorkeurslokalisaties, zoals de mediale zijde van de basis van de grote teen, de achillespezen, de bursae calcanei, de enkels, prepatellair, aan buig- of strekzijde van de vingers, de bursa olecrani of de oorschelpen. Een enkele maal zijn tophi beschreven in de dura mater, het nierparenchym, de hartkleppen, in de intervertebrale gewrichten of in de stembanden. Chronische gewrichtspijn bij een reeds bekende jichtpatiënt wijst meestal op tophusvorming, wat radiologisch bevestigd kan worden in het betreffende gewricht.

– Uraatnephrolithiasis komt bij 5 tot 40 van de jichtpatiënten spontaan voor, afhankelijk van ras en klimaat. Uraatstenen zijn klein, leiden vrijwel nooit tot anurie en worden spontaan geloosd. Maatregelen gericht tegen het eerste optreden van uraatstenen bij alle jichtpatiënten zijn niet geïndiceerd. Wel krijgen alle patiënten het advies voor ruime diurese van minstens 2 l te zorgen. Treedt desondanks toch uraatsteenvorming op, dan is urinezuurverlagende therapie, in dit geval met allopurinol, geïndiceerd.

Antiphlogistica

Colchicine

Dit is een van de oudste geneesmiddelen in gebruik. Het wordt bereid uit de bol van herfsttijloos. Het heeft, in hoge dosering, een ontstekingremmende werking bij een acute jichtaanval; in lage dosering vermindert het de frequentie van de aanvallen. Bij de fagocytose van uraatkristallen door polynucleaire granulocyten wordt een glycoproteïne geproduceerd met chemotactische eigenschappen voor andere granulocyten. Colchicine remt de produktie van deze factor. Colchicine (per os) wordt in enkele uren geresorbeerd en de hoogste bloedspiegels worden na 0,5-2 uur bereikt; het middel concentreert zich in de nier, lever, milt en granulocyten. Het wordt in de lever afgebroken en met de gal uitgescheiden; 20 wordt onveranderd door de nier uitgescheiden, 80 met de faeces. Onwerkzaamheid van colchicine kan een gevolg zijn van onvoldoende resorptie. Colchicine wordt geleverd in capsules van 0,5 of 1 mg. Intraveneus wordt colchicine in Nederland niet toegepast wegens grote kans op toxiciteit.

Indicaties

Als test voor het aantonen van jicht bij een acute gewrichtsontsteking is het gebruik van colchicine verouderd, omdat ook andere acute artritiden, zoals pseudojicht, gunstig reageren op colchicine. Alleen kristalonderzoek levert een sluitend bewijs voor de diagnose jicht.

Ter behandeling van de acute jichtaanval: 0,5 mg elke 2 uur tot de aanval vermindert, of tot intolerantie optreedt met misselijkheid, buikkramp, diarree en braken, of tot een maximale dosis bereikt is van 6 mg in 24 uur. Bij veel patiënten is 5 mg voldoende, in ernstige gevallen is een hogere dosis nodig, lichte aanvallen reageren vaak al op 2 tot 3 mg. Verbetering treedt bij 80 van de patiënten binnen 24 uur op. De volgende dagen kan zo nodig nog 1 mg per dag worden gegeven. Het is belangrijk bij een aanval zo vroeg mogelijk met colchicine te beginnen. Colchicine heeft geen invloed op het urinezuurgehalte en op behandeling met antistollingsmiddelen. De therapeutische breedte van colchicine is echter extreem smal.

Klinische ervaring

Colchicine 0,5 tot 1,5 mg dd, afhankelijk van het lichaamsgewicht, gedurende vele jaren, is uiterst effectief in het voorkomen van recidiefaanvallen. Deze profylaxe is beschreven bij 540 patiënten die het middel meer dan 20 jaar gebruikten, bij 82 met uitstekend, bij 12 met voldoende en bij 6 zonder resultaat; colchicine gaf in de dosering van 0,5 tot 1,5 mg per dag, afhankelijk van gewicht, geen bijwerkingen.56 Bij reeds bestaande nierinsufficiëntie èn jicht zijn bij colchicineprofylaxe van 1,2 mg dd (een te hoge dosering in deze omstandigheden) een colchicinemyopathie en -neuropathie beschreven, lijkend op polymyositis met verhoogd CPK-gehalte.7 Dit ziektebeeld verdween na verlaging van de dosering. Ernstige overdosering (10-40 mg), zoals bij tentamen suicidii, heeft geleid tot hemorragische gastro-enteritis en anurie.

Urinezuurverlagende middelen zijn geïndiceerd bij nierstenen of tophi, maar provoceren vaak jichtaanvallen, ook bij patiënten met weinig aanvallen. Colchicine-profylaxe als hiervoor beschreven, vermindert deze bijwerking. Twee weken voor het begin van behandeling met urinezuurverlagende middelen wordt dan begonnen met colchicine; het gebruik van colchicine wordt gecontinueerd tot 6 maanden na de laatste aanval en normaal worden van de urinezuurconcentratie.

Andere antiphlogistica

Vele auteurs geven de voorkeur aan NSAID's bij een acute jichtaanval: vroeg in de aanval beginnen, hoog doseren en voortzetten tot 24 uur na volledig herstel. Vrijwel alle NSAID's zijn effectief en veroorzaken bij dit kortdurend gebruik weinig bijwerkingen. De keuze van het NSAID wordt bepaald door eventuele zoutretentie, maagaandoeningen in de anamnese en verenigbaarheid met antistollingsmiddelen. Dat fenylbutazon, sulindac en azapropazon het urinezuurgehalte verlagen is in deze omstandigheid niet van belang. Is orale en zelfs rectale toediening van NSAID's niet mogelijk, bijv. na bepaalde operatieve ingrepen, dan valt een intramusculaire injectie met een NSAID, zoals diclofenac 75 mg 2 dd, te overwegen, of parenterale of intra-articulaire toediening van corticosteroïden.

Verlaging van urinezuurgehalte in het bloed

Geneesmiddelen die het urinezuurgehalte in het bloed verlagen, behoren tot 2 aparte groepen, die elk één facet van de pathogenese van jicht bestrijden.

Allopurinol remt de novo-produktie van purine, de produktie van urinezuur uit xanthine en hypoxanthine en verlaagt daardoor de uraatspiegel in het bloed en in de urine.

Probenecide, sulfinpyrazon en benzbromaron verminderen de terugresorptie van uraat in de niertubuli, corrigeren daarmee een te lage uitscheiding van uraat in de urine, waardoor secundair de bloedspiegel daalt.

Beide groepen verlagen de urinezuurspiegel in het bloed en mobiliseren daardoor bestaande uraatdepots, wat jichtaanvallen kan induceren, of de duur van een aanwezige monartritis kan verlengen; zelfs kan hierdoor een monartritis worden geprovoceerd tot een polyartritis – dit alles ondanks een verlaagd urinezuurgehalte. Deze bijwerking wordt bij 10 tot 20 van de patiënten beschreven. Een behandeling met een urinezuurverlagend middel moet dan ook nooit begonnen worden tijdens een acute jichtaanval.

– Urinezuurverlagende middelen zijn overbodig en dus niet geïndiceerd bij ongecompliceerde jicht, maar zijn wel geïndiceerd en dan vrijwel levenslang bij jicht gecompliceerd door nierstenen, tophi of chronische artritis. De aanwezige tophi lossen als het ware op, en verdwijnen binnen 6 tot 12 maanden.

– Deze middelen zijn niet geïndiceerd en dus overbodig bij asymptomatische hyperurikemie en bij hyperurikemie geïnduceerd door diuretica.

Xanthine-oxydaseremming

Allopurinol

De laatste stap in de produktie van urinezuur is de oxydatie van hypoxanthine tot xanthine en de oxydatie van xanthine tot urinezuur onder invloed van het enzym xanthine-oxydase. Allopurinol, een isomeer van hypoxanthine, remt xanthine-oxydase, waardoor minder urinezuur geproduceerd wordt en een overmaat aan hypoxanthine en xanthine ontstaat. Een deel van de overmaat aan hypoxanthine wordt opnieuw gebruikt voor purine-opbouw (‘recycling’), waardoor de endogene de novoproduktie van purine geremd wordt. Hypoxanthine en xanthine zijn beter oplosbaar dan uraat, zodat xanthinenierstenen vrijwel niet voorkomen. Allopurinol wordt goed opgenomen uit het maag-darmkanaal, is zelf ook een substraat voor het enzym xanthine-oxydase en wordt snel geoxydeerd tot oxypurinol (= alloxanthine). De allopurinolklaring via de glomerulusfiltratie bedraagt 100 mlmin. De werkzame allopurinolmetaboliet oxypurinol wordt door de nier analoog aan urinezuur ‘behandeld’, d.w.z. na glomerulaire filtratie, bijna volledige tubulaire terugresorptie en geringe tubulaire secretie, resulterend in een klaring van oxypurinol van 15 tot 20 mlmin. De biologische halfwaardetijd van allopurinol is gem. 39 (SD 11) min. Ongeveer 60 van allopurinol wordt snel omgezet in oxypurinol met een halfwaardetijd van 23,7 (SD 4,2) uur, zodat één dosis per dag voldoende is.

Indicaties

– Primaire jicht met tophi en (of) uraatstenen als gevolg van overproduktie,

– Uraatstenen of calciumoxalaatstenen zonder jicht, gecombineerd met verhoogde uraatuitscheiding in de urine.

– Secundaire renale jicht met tophi (cave overdosering; zie dosering).

– Bij myeloproliferatieve ziekten of andere maligniteiten, liefst vóór het begin van cytostatische therapie of radiotherapie.

– Hoge aanvalsfrequentie ondanks colchicineprofylaxe.

– Intolerantie voor uricosurica.

– Lesch-Nyhan-syndroom en ziekte van Von Gierke.

Dosering

De laagste dosis waarmee een normaal urinezuurgehalte bereikt wordt. Ter voorkoming van het uitlokken van acute jichtaanvallen moet de dosis langzaam worden opgevoerd: bijv. 10 dagen 100 mg dd, daarna 10 dagen 200 mg dd;, daarna is meestal 300 mg dd voldoende. Daarnaast is colchicineprofylaxe gewenst, te beginnen 2 weken voor het begin van de behandeling met allopurinol. Bij sterke obesitas en veel tophi is soms 600 mg dd nodig en bij myeloproliferatieve ziekten ter voorkoming van urinezuurnefropathie 800 mg dd, 3 dagen voor het begin van cytotoxische therapie (bij kinderen lager doseren). Een ruime diurese aanbevelen. De onderhoudsdosering bij nierinsufficiëntie bedraagt op basis van de oxypurinol-halfwaardetijdberekeningen:8

Bij standaardhemodialyse gedurende 4 uur vermindert de oxypurinolconcentratie met gemiddeld 40.

Interacties

Diureticagebruik wordt vermeld bij 50 van de patiënten met een ernstige bijwerking van allopurinol bij nierinsufficiëntie. Chloorthiazide versterkt de werking van allopurinol op de pyrimidinestofwisseling;9 daarentegen werd in een kortdurend experiment geen invloed aangetoond van thiazidediuretica op de klaring en de halfwaardetijd van oxypurinol.10 De werking van de purine-analoga mercaptopurine en azathioprine (die geoxydeerd worden door xanthine-oxydase) wordt door allopurinol gepotentieerd, waardoor de dosis gereduceerd wordt tot een vierde van de standaarddosis. Enerzijds verlengt allopurinol de halfwaardetijd van probenecide met 50, anderzijds verhoogt probenecide de uitscheiding van oxypurinol, analoog aan die van urinezuur. Een streng eiwitbeperkt dieet vermindert de oxypurinolklaring aanzienlijk en verlengt de oxypurinol-halfwaardetijd van 17 tot 49 uur.11 Hypoglykemie is beschreven bij gelijktijdige toediening van chloorpropamide met allopurinol als gevolg van competitie bij tubulaire secretie van deze middelen.

Bijwerkingen op basis van overgevoeligheidsreacties:

Allopurinol veroorzaakt bij 2 van de patiënten exantheem. Een ernstige bijwerking, bestaande uit diffuse vasculitis, met exantheem, koorts, nierinsufficiëntie, leukocytose, eosinofilie en hepatitis is bij 78 patiënten beschreven.8 De meesten hadden reeds bestaande nierinsufficiëntie, van wie de helft ook diuretica gebruikte. De dosering allopurinoi was bij hen niet aan de creatinineklaring aangepast; 21 van de patiënten overleed Enke le gevallen zijn gemeld van toxische epidermale necrolysis, erytrodermie, hepatitis en neuropathie.

Uricosurica

Uricosurica verhogen de uitscheiding van urinezuur. Ze werken niet op de glomerulusfiltratie maar op het transport van urinezuur door de tubuli. De secretie wordt geremd, maar ook de kwantitatief grotere terugresorptie, waardoor de uitscheiding van uraat toeneemt en als gevolg daarvan de uraatspiegel in bloed en weefselvocht meestal met 50 daalt. De uraatuitscheiding is de eerste dagen bijna tweevoudig toegenomen en blijft daarna iets boven de uitgangswaarde. Vooral bij de aanvang van de behandeling bestaat een klein gevaar voor inductie van kristalurie en concrementvorming; dit is te voorkomen door een ruime diurese en een lage initiële dosering. Er is een relatieve contra-indicatie voor toepassing van uricosurica bij jichtpatiënten met stenen en een overproduktie van uraat. De meeste patiënten, 80 tot 90, hebben echter een te lage uitscheiding van uraat, met geringe kans op steenvorming. In een onderzoek over de invloed van sulfinpyrazon op recidief-hartinfarct werd in een zeer grote groep patiënten van wie aangenomen mag worden dat zij een normale urinezuuruitscheiding hebben, geen steenvorming vermeld.12

Probenecide

In 1950, toen penicilline nog schaars en kostbaar was, werd probenecide ontwikkeld om het verlies aan penicilline in de urine tegen te gaan. Het bleek tevens een goed uricosuricum. Probenecide wordt na orale toediening snel en volledig geresorbeerd en bereikt na 4 uur de hoogste bloedspiegel. Het is voor ca. 90 gebonden aan albumine. De biologische halfwaardetijd varieert van 4-8 uur, afhankelijk van de dosis. De stof wordt in de lever deels geoxydeerd, deels geconjugeerd aan glucuronzuur. Deze metabolieten hebben eveneens uricosurische werking. De uitscheiding verloopt voornamelijk renaal, via secretie door de niertubuli.

Interacties

Probenecide verhoogt eveneens de klaring van oxypurinol. Allopurinol vertraagt het metabolisme van probenecide in de lever. Op grond van klinische ervaring is een combinatie allopurinolprobenecide echter goed bruikbaar. Probenecide verhoogt de bloedspiegel van ampicilline, penicilline, indometacine, naproxen, furosemide, thiazidediuretica, methotrexaat en andere, minder gebruikte, middelen.

Bijwerkingen

Ernstige bijwerkingen zijn slechts zelden beschreven (eenmaal een nefrotisch syndroom en enkele malen hemolytische anemie bij glucose-6-fosfaat-dehydrogenase(G6PD)-deficiëntie). Huiduitslag is gemeld bij 1,3, maag-darmklachten bij 2. Uraatnephrolithiasis komt sporadisch voor en kan worden voorkomen door een ruime diurese. Evenals alle uricosurica en allopurinol, induceert probenecide frequent jichtaanvallen indien geen colchicineprofylaxe toegepast wordt.

Dosering

Voor slechts 10 van de jichtpatiënten is 500 mg dd voldoende, 50 heeft 1,0 g nodig, 25 heeft 1 tot 2 g en enkelen hebben zelfs 2 tot 3 g nodig.

Sulfinpyrazon

Sulfinpyrazon is een pyrazolonderivaat zonder anti-inflammatoire of analgetische kenmerken. Het werkt echter sterker uricosurisch dan probenecide. De uraatklaring neemt de eerste dagen tot viervoudig toe. Bij enterale toediening is de resorptie snel en volledig, de biologische halfwaardetijd is 3 tot 8 uur. 25 van de dagdosis wordt onveranderd door de urine uitgescheiden. Het is voor 98 gebonden aan albumine in het plasma. Sulfinpyrazon wordt afgebroken in de lever, ook de metabolieten zijn werkzaam. Eliminatie geschiedt door de nier via secretie in de proximale tubuli.

Dosering

Aanvankelijk 100 mg dd; over een periode van circa één maand geleidelijk aan oplopend tot 400 mg dd, d.w.z. 2 dd 2 tabletten; 400 mg is qua uricosurisch effect te vergelijken met 2 g probenecide. Het blijft werkzaam bij een matige nierfunctie tot een creatinineklaring van 30 mlmin.

Bijwerkingen

Maag-darmklachten zijn bij 10 van de patiënten gerapporteerd. Hoewel het een pyrazolonderivaat betreft, is geen zout- en waterretentie gemeld, wel reversibele beenmergsuppressie. Sulfinpyrazon kan in vitro anticoagulantia van hun eiwitbinding verdringen, in vivo heeft dit weinig invloed op de dosering van antico-agulantia. In hoge dosering (800 mg dd) vermindert sulfinpyrazon de trombocytenaggregatie en verlengt het de overlevingsduur van de trombocyten. Hiervan wordt gebruik gemaakt bij de preventie van recidief-myocardinfarct en recidief-trombose.

Benzbromaron

Benzbromaron is een sterk werkend uricosurium. Na orale toediening wordt slechts 50 traag geresorbeerd, met hoogste bloedspiegels na 6 uur. Benzbromaron, waarin twee broomatomen voorkomen, wordt in de lever gedehalogeneerd tot bromobenzaron met 1 broomatoom en benzaron zonder broomatomen. Deze stoffen worden aan glucuronzuur gebonden en voor 82 via de gal in de faeces uitgescheiden en voor 18 in de urine. Benzbromaron en de derivaten werken uricosurisch en hebben een lange werkingsduur, waardoor per dag slechts één dosis nodig is. Het uricosurische effect is vooral de eerste week sterk en vereist het voorschrijven van ruime diurese, ter voorkoming van kristalvorming. Benzbromaron is nog werkzaam bij een creatinineklaring van 15-20 ml min, maar is niet werkzaam bij hemodialyse.

Bijwerkingen

Heel et al. vermelden in een uitgebreid overzichtsartikel bij 3-4 maag-darmklachten, vooral diarree en slechts incidenteel uraatnephrolithiasis.13

Dosering

Aanvankelijk 0,5 tablet dd; als onderhoudsdosering is 0,5 tot 1 tablet van 100 mg voldoende.

Conclusie

‘Voor den praktiseerenden arts is de jicht een wanhopige ziekte. De gewrichten zijn pijnlijk, de opengebarsten tophi een bron van ellende, de gehele persoon een wrak. De lijders vertrouwen dat zij genezen maar alle therapie geeft slechts tijdelijke verlichting en dikwijls zelfs ook dat nog niet.’ Dit schreef Van der Horst in 1935 in het Geneeskundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië.14

Urinezuurverlagende middelen zoals probenecide, allopurinol, benzbromaron en sulfinpyrazon zijn een geweldige aanwinst voor de in essentie goedaardige jicht, die in potentie wel met een groot lijden gepaard gaat. Dat grote lijden moet dan wel aanwezig zijn: asymptomatische hyperurikemie, door diuretica geïnduceerde hyperurikemie en benigne ongecompliceerde jicht voldoen daar niet aan, en behoeven die aanwinsten niet. Een ernstige, vaak fatale overgevoeligheidsreactie is een te hoge prijs voor oneigenlijk voorgeschreven geneesmiddelen.

Geneesmiddelen tegen jicht worden meestal levenslang voorgeschreven. Op goede indicatie gegeven, dus niet op geleide van urinezuurgehalte, maar op grond van de aanwezigheid van tophi of stenen, bleek het ons mogelijk bij een aantal patiënten de behandeling wel eens te staken, maar door de aard van de jicht traden bij de helft van de patiënten recidieven op binnen 2 jaar, bij de andere helft binnen 5 jaar, waarna de behandeling weer hervat moest worden.15 In ditzelfde onderzoek bij een grote groep jichtpatiënten bleek een kwart geen enkel medicament tussen de aanvallen nodig te hebben omdat de aanvallen slechts eens per 2, 5 of 10 jaar optreden, en omdat zij geen stenen of tophi hebben. Een kwart van de patiënten gebruikt uitsluitend colchicineprofylaxe (0,5 tot 1,25 mg dd) omdat zij meer dan 3 aanvallen per jaar hebben, maar (nog) geen complicaties in de zin van tophi of stenen. Bijna de helft van de patiënten gebruikt urinezuurverlagende middelen wegens aangetoonde tophi of stenen. Afhankelijk van de genese is dit allopurinol of een uricosuricum. Bijna 50 van deze groep gebruikt dus urinezuurverlagende middelen; dat lijkt een hoog percentage, maar de gemiddelde observatieduur van deze groep patiënten bedraagt 15 jaar, een periode waarin bij 50 tophi opgetreden zijn.

Het verloop van jicht kan zo goedaardig zijn, dat de ziekte zelfs na 20 tot 30 jaar beperkt is gebleven tot hyperurikemie met een enkele jichtaanval.

Literatuur
  1. Yü TF, Talbott JH. Changing trends of mortality ingout. Semin Arthritis Rheum 1980; 10: 1-9.

  2. Fessel WJ. Renal outcomes of gout and hyperuricemia. Am JMed 1979; 67: 74-82.

  3. Yü TF, Berger L. Impaired renal function in gout, itsassociation with hypertensive vascular disease and intrinsic renal disease.Am J Med 1982; 72: 95-100.

  4. Beck LH. Requiem for gouty nephropathy. Kidney Int 1986;30: 280-7.

  5. Dunning AJ. Voorkóming van jichtaanvallen(Referaat). Ned TijdschrGeneeskd 1962; 106: 80.

  6. Yü TF. The efficacy of colchicine prophylaxis inarticular gout, a reappraisal after 20 years. Semin Arthritis Rheum 1982; 12:256-64.

  7. Kuncl RW, Duncan G, Watson D, et al. Colchicine myopathyand neuropathy. N Engl J Med 1987; 316: 1562-8.

  8. Hande KR, Noone RM, Stone WJ. Severe allopurinol toxicity:description and guidelines for prevention in patients with renalinsufficiency. Am J Med 1984; 76: 47-56.

  9. Wood MH, O'Sullivan WJ, Wilson M, Tiller DJ.Potentiation of an effect of allopurinol on pyrimidine metabolism bychlorothiazide in man. Clin Exp Pharmacol Physiol 1974; 1: 53-8.

  10. Hande KR. Evaluation of a thiazide-allopurinol druginteraction. Am J Med Sci 1986; 292: 213-6.

  11. Berlinger WG, Park GD, Spector R. The effect of dietaryprotein on the clearance of allopurinol and oxypurinol. N Engl J Med 1985;313: 771-6.

  12. The anturane reinfarction trial research group.Sulfinpyrazone in the prevention of sudden death after myocardial infarction.N Engl J Med 1980; 302: 250-6.

  13. Heel RC, Brogden RN, Speight TM, Avery GS. Benzbromarone:a review of its pharmacological properties and therapeutic use in gout andhyperuricaemia. Drugs 1977; 14: 349-66.

  14. Horst FC van der. Het voorkomen van jicht. Geneeskundigtijdschrift voor Nederlandsch-Indië 1935; 75: 1483-5.

  15. Gast LF. Withdrawal of longterm antihyperuricemic therapyin tophaceous gout. Clin Rheumatol 1987; 6: 70-3.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis, afd. Reumatologie, Postbus 9600, 2300 RC Leiden.

L.F.Gast en prof.dr.A.Cats, reumatologen.

Contact prof.dr.A.Cats

Gerelateerde artikelen

Reacties