Geestesziek in Nederlands-Indië - vier psychiatrische syndromen: amok, latah, koro en tropenneurasthenie
Open

Geschiedenis
23-12-2007
M. Bartelsman en P.P. Eckhardt

- In het voormalig Nederlands-Indië kregen rond het begin van de 20e eeuw Nederlandse psychiaters te maken met exotische psychiatrische syndromen en andere uitingsvormen van ook in Europa voorkomende psychopathologische aandoeningen.

- De syndromen amok en latah werden met enige regelmaat beschreven en werden beschouwd als typisch inheemse psychopathologie. Amok is een acute toestand van verstandsverbijstering, waarbij de betrokkene, een man, anderen probeert om te brengen. Latah is een schrikachtige toestand waarin de betrokkene, een vrouw, tegen haar wil bewegingen uitvoert en klanken uitbrengt die haar door anderen worden voorgedaan of opgelegd.

- Het syndroom koro werd gezien als een typische en zeldzame psychose onder voornamelijk de Chinese bevolking in Nederlands-Indië. Patiënten hebben de recidiverende angst dat de penis zich in het lichaam zal terugtrekken.

- Bij de Europeanen werd de diagnose ‘tropenneurasthenie’ veelvuldig gesteld; tegenwoordig gebruikt men daarvoor de termen ‘dysthyme stoornis’ of ‘lichte depressieve stoornis’.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:2845-51

‘Bestrijd zenuwziekte, slapeloosheid en vermoeidheid, overwin de bezwaren van een tropisch klimaat. Ook gij kunt in korten tijd krachtiger en energieker gevoelen met Santogen.1 Nederlands-Indische kranten stonden vol met dit soort advertenties voor middeltjes waarmee het ‘zwakke’ zenuwgestel kon worden aangesterkt. Een langdurig verblijf in de tropen was voor veel Europeanen ook niet gemakkelijk. De broeierige hitte, tropische ziekten en een vreemde cultuur werden gezien als een uitputtingsslag voor het lichamelijk en psychisch gestel. Niet voor niets sprak men over ‘tropenjaren’ of, als de tropen iemand in de bol sloegen, over ‘tropenkolder’. Het laatste wordt heel duidelijk in de roman De stille kracht van Louis Couperus, waarin deze het leven beschrijft van een bestuursambtenaar en zijn vrouw in Nederlands-Indië, dat door mysterieuze krachten wordt ontwricht. Het contrast tussen de ongrijpbare oosterse ziel en de rationele Europese ziel staat in deze roman centraal.2

De zielenroerselen die worden beschreven in De stille kracht zijn fictief, maar geven wel veel herkenning bij het lezen van patiëntbeschrijvingen door psychiaters in het voormalige Nederlands-Indië uit het begin van de vorige eeuw.

In dit artikel beschrijven wij 4 markante tropisch-psychiatrische syndromen aan de hand van casuïstiek uit onder andere het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en het Geneeskundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. Op die manier geven wij een kijkje in de praktijk van een psychiater in Nederlands-Indië rond het begin van de 20e eeuw. Allereerst volgt een korte beschrijving van de institutionalisering van de psychiatrie in Nederlands-Indië.

de opkomst van psychiatrische zorg in nederlands-indië

In de 19e eeuw hadden de Nederlandse bestuurders geen idee hoeveel opvang van psychiatrische patiënten in Nederlands-Indië nodig was.3 Velen veronderstelden dat geestesziekten minder voorkwamen onder de ‘primitieve medemens’. Naar de romantische ideologie van Rousseau beredeneerde men dat er in Europa een steeds grotere behoefte ontstond aan psychiatrische opvang ten gevolge van de industrialisatie, terwijl de primitieve volkeren in den vreemde gevrijwaard bleven van ziektemakende omstandigheden.4 De behoefte aan opvang voor psychiatrische zieken werd in Nederlands-Indië in ieder geval schromelijk onderschat. In 1860 waren slechts een ziekenzaal in het Chinese ziekenhuis te Batavia en enkele bedden in militaire ziekenhuizen beschikbaar voor psychiatrische zorg en het totale aantal ‘krankzinnigen’ in Nederlands-Indië werd op 350 geraamd.3

In navolging van Nederland en Europa kwam ook in Nederlands-Indië de psychiatrie in de tweede helft van de 19e eeuw onder grotere belangstelling te staan. Het domweg krankzinnigen opsluiten en afzonderen van de maatschappij voldeed niet meer aan de nieuwe ideeën. De zogenaamde morele therapie deed haar intrede; deze hield in dat men de opname in een krankzinnigengesticht ook als therapeutisch beschouwde.5

Een serieuze verandering werd tot stand gebracht toen de eerste twee krankzinnigengestichten werden geopend op Java, een in Buitenzorg in 1882 en een vlakbij Lawang in 1902. Samen boden deze onderdak aan zo’n 1000 patiënten. De afdelingen van de Europeanen verschilden van die van de andere bevolkingsgroepen. De gezondheidsautoriteiten kregen in de jaren daarna te maken met een toenemende vraag naar psychiatrische zorg en een steeds achterlopende, beperkte capaciteit aan opvang. In vergelijking met de 350 patiënten in 1860 lag het totale aantal opgenomen patiënten in 1927 rond de 5500. Oplossingen werden gezocht in de zogenaamde doorgangshuizen, klinieken waar patiënten kortdurend werden opgenomen, en in het oprichten van werkkolonies op plantages. Voor poliklinische hulp konden Europeanen ook terecht bij particuliere zenuwartsen (figuur 1, 2 en 3).3 6

amok

In 1933 verscheen in het Tijdschrift een klinische les van de hand van dokter Van Wulfften Palthe, professor in de psychiatrie en neurologie te Batavia.9 Hierin beschreef hij de Javaan Ali Moesa, een huisbediende die in acute toestand van verstandsverbijstering eerst het gezin van zijn werkgever en vervolgens iedereen die op zijn weg kwam ombracht. Deze toestand werd geduid als ‘amok maken’ en betrof een psychiatrische diagnose die vaker bij de inheemse bevolking van Nederlands-Indië werd beschreven.

‘Plotseling, zonder voorboden, zonder dat zijn omgeving op iets verdacht is, springt een Inlander op, grijpt het wapen, dat het meest voor de hand ligt, meestal een klewang sabel- of hakmesachtig wapen of een mes en rent als een bezetene door zijn huis en erf de straat op. Als een dolle hond valt hij elk levend wezen aan, dat in zijn buurt komt en met verwonderlijke vaardigheid weet hij zijn dodelijke steken en slagen toe te brengen ... en het is geen zeldzaamheid dat de amokmaker in zeer korten tijd een vijftal dooden of zwaar gewonden op zijn slagveld achterlaat’.9

Het amok maken werd al in de 17e eeuw beschreven door Europeanen in zowel Brits- als in Nederlands-Indië die te maken hadden met Maleisische en Javaanse opstandelingen. In deze beschrijvingen werd amok maken niet beschouwd als een psychiatrisch toestandsbeeld, maar als een militaire strategie, waarbij de strijdvoerders onder het uitroepen van het woord ‘amok’ een niets ontziende verrassingsaanval uitvoerden tot hun eigen dood daarop volgde. Dit doet denken aan de Japanse kamikazeactie, waarbij de aanval doelbewust plaatsvindt en gericht is op bepaalde personen. Bovendien werd de amokmaker gezien als een heldhaftige persoon, die zijn inzet voor de goede zaak met de dood moest bekopen. In de loop van de 19e eeuw verschoven de betekenis en interpretatie van het woord ‘amok’ naar een plotselinge onvoorbedachte daad voortkomend uit een achterliggend psychisch lijden.10

Psychiater Van Wulfften Palthe beschreef amok als een ‘regressieverschijnsel’ waarin de oerinstincten ontketend zijn en vrij spel hebben’. Het verliep volgens een gepreformeerde reactiewijze, die al eeuwenlang van nature in het karakter van de Javaan aanwezig was, volgens hem. ‘De bevolking heeft een heilig ontzag voor den amokmaker, zij zal wel trachten hem af te maken, maar ziet in hem geen misdadiger. Het is niet zomaar een moordpartij ... het is amok.’ Volgens Van Wulfften Palthe kon amok worden veroorzaakt door achterliggende neurologische aandoeningen en koortsen, zoals syfilis en malaria, maar hing de mogelijkheid amok te maken ook nauw samen met de karakterstructuur van de Javaan. Het onvermogen emoties te uiten zorgde voor een ophoping van geestelijke spanningen die in het geval van een onoplosbaar conflict plotseling en explosief langs de gebaande weg van de amok tot uiting kwam. Bovendien viel een regressie naar een lager gelegen oerinstinct eerder ten deel aan individuen die nog het dichtst stonden bij het cultuurstadium waarnaar geregredieerd werd.11

latah

Waar amok vooral werd beschreven bij Javaanse mannen, was latah een diagnose die hoofdzakelijk bij inheemse vrouwen werd gesteld. De psychiater Van Brero, die werkzaam was als tweede geneesheer in het krankzinnigengesticht te Buitenzorg, beschreef in 1895 in het Tijdschrift 7 casussen van vrouwen die leden aan latah.12 Een van de patiënten was een 45-jarige Soendanese vrouw die door Van Brero was geobserveerd en die hij als volgt beschreef:

‘Voorgedane bewegingen en gegeven bevelen worden bijna onmiddellijk nagebootst of uitgevoerd, en daarbij enkele onsamenhangende geluiden uitgestooten. Hieronder zijn enkele obscene uitdrukkingen, woorden, de mannelijke geslachtsorganen betreffende. Het intellect is goed gebleven; haar beroep, namelijk dat van keukenmeid, oefent zij tot tevredenheid harer meester uit, indien zij niet geplaagd wordt, wat nogal eens voorkomt. Patiënte maakt den indruk van zeer nerveus te zijn; praat men met haar, dan worden voortdurend grimassen en bewegingen van het hoofd gezien.’12

Latah wordt in het artikel omschreven als een schrikachtige toestand waarin de betrokken persoon geheel tegen haar wil bewegingen uitvoert (echopraxie) en klanken uitbrengt (echolalie) die haar door anderen worden voorgedaan of bevolen. De uitingen zijn regelmatig obsceen van aard (coprolalie) en gaan gepaard met onwillekeurige bewegingen, zoals het maken van grimassen. De latahlijdster is zich volkomen bewust van haar handelen, maar kan geen weerstand bieden tegen de spot en plagerijen die vanuit haar omgeving komen.12

Het was een syndroom dat indertijd ook in Brits-Indië, Siberië en bij de Laplanders werd waargenomen. In een enquête die in 1924 onder 106 artsen in Nederlands-Indië werd gehouden, gaf 80 aan wel eens een geval van latah te hebben gezien (in totaal 300 gevallen).13

koro

In het Geneeskundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië uit 1895 gaf dokter Blonk voor het eerst aandacht aan koro, een angstneurose, die gezien de aard logischerwijs alleen bij mannen voorkwam:

‘Volgens lijders aan deze ziekte gevoelen zij op onregelmatige tijdstippen dat de penis neiging heeft zich in de buikholte terug te trekken. In de gevallen, waarin niet tijdig hulp wordt verstrekt, zoude dit ook werkelijk geschieden, en de patiënt dan tevens bezwijken. Zoodra ze dan ook bemerken dat de eerste verschijnselen zich voordoen, nemen zij de penis in de hand om terugtrekken te beletten. Soms echter kunnen zij dit zelf niet volhouden, en moet deze therapie door een ander worden overgenomen’.14

In 1934 beschreef Van Wulfften Palthe in hetzelfde tijdschrift ook een aantal gevallen van koro, onder andere bij een Maleisische radja Indische vorst, waarbij het eigenaardige was dat de gehele bevolking met de angstaanvallen van hun hoofd meeleefde.15 Het bleef dagen in de streek onrustig, de mensen gingen niet naar bed en brachten hun tijd biddend door in de hoop op een gunstige afloop voor de penis van hun radja. Volgens Van Wulfften Palthe kwam het ziektebeeld voornamelijk onder de Chinese bevolking in Indië voor en berustte de angst op een eeuwenoude mythe, ‘shook jong’, die algemeen bekend was onder de Chinezen; ‘een schrompeling van den penis door bepaalde oorzaken, waarvan genoemd worden: het uitoefenen van geslachtsdaden op te jeugdigen leeftijd of, wanneer men er te zwak voor is, het overmatig onaneren masturberen of tegen de wind in urineren.’

In het artikel werden verschillende methoden beschreven die in zwang waren onder de Chinese bevolking om op een alternatieve manier de penis te bevestigen, onder andere met het instrument de ‘lie teng hok’, een doosje voor een milligrammenweegschaal dat veel werd gebruikt door Chinese goudsmeden en apothekers (figuur 4).15

De casusbeschrijvingen van koro in de medische tijdschriften waren sporadischer; de aandoening werd meer dan amok en latah gezien als een exotische noviteit. Vandaag de dag verschijnen er overigens nog steeds casuïstische mededelingen van koro uit voornamelijk het Aziatische continent en maakt men zelfs melding van epidemieën, waarbij de uitbraak van koro bij 2000 mannen in Zuid-West China in 1987 de recentste was.16

tropenneurasthenie

De Nederlandse arts Swart Abrahamsz (1848-1911) was een van de eersten die de zenuwziekte neurasthenie in verband bracht met het leven in Nederlands-Indië. In 1888 schreef hij in De Gids het artikel: ‘Eduard Douwes Dekker. Eene ziektegeschiedenis’. Hierin werd de schrijver en Indisch bestuursambtenaar Multatuli afgeschilderd als een neurasthenicus. Het zware tropische bestaan maakte van menig bestuursambtenaar een neurasthenicus, aldus Swart Abrahamsz (figuur 5).17

Uit verschillende medische publicaties bleek dat neurasthenie heel veel verschillende symptomen kon hebben: machteloosheid, hoofdpijn, besluiteloosheid, prikkelbaarheid, overmatig zweten, slapeloosheid, angsten, gebrek aan eetlust en dwangvoorstellingen zijn hier de voornaamste voorbeelden van. Dokter Van der Burg noemde de zenuwziekte in 1904 ‘een groote doos waarin heel wat verschillende toestanden worden opgeborgen’.19 Een van de grootste verschillen met neurasthenie in Europa was dat de lichamelijke klachten in Indië eerder op de voorgrond traden dan de psychische, aldus de in Batavia praktiserende zenuwarts Van Loon. Het begon vaak met hoofdpijn en overmatig zweten. Maar ook hartkloppingen, eindeloze niesbuien en buikloop konden wijzen op het hebben van tropenneurasthenie. Veelvuldig werden er door neurasthene Europeanen mantels en overjassen gedragen in het tropische klimaat; zij waren overgevoelig voor de kleinste temperatuursveranderingen.

Neurasthenie was in Indië geen zeldzaamheid. Van Loon publiceerde in 1927 zijn artikel ‘Het zenuwlijden der blanken in de tropen’ in het Geneeskundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië.20 Hieruit valt op te maken dat van de ambtenaren die tussen 1915 en 1924 op verlof gingen 21 leed aan neurasthenie. Volgens Van Loon konden ook ‘inlanders’ en Chinezen de diagnose ‘neurasthenie’ krijgen. Daarbij vermeldde hij wel dat ‘verreweg het grootste deel onzer Inlandsche patiënten behoorde tot den beteren (ambtenaren)stand en de leerlingen der verschillende Opleidingsscholen.’20 Het tropische klimaat werd beschouwd als een van de voornaamste oorzaken van het krijgen van neurasthenie in Indië.

In 1923 verscheen het Leerboek der tropische geneeskunde van de doktoren De Langen (1887-1967) en Lichtenstein (1888-1944).21 Ook zij schreven dat een groot deel van de neurasthenische klachten en verschijnselen moest worden toegeschreven aan de voortdurende inwerking van het klimaat in Indië. Maar ook de moeilijkheden in een betrekking of ambt, het ontbreken van seizoenverschillen en de nerveuze aanleg waren alle oorzaken van het veelvuldig zenuwlijden in Indië. Overige oorzaken van de tropenneurasthenieën waren heimweegevoelens naar Holland, ‘het overmatige en overdadige licht, de kortere en lichtere slaap, de talrijke infectieuze en toxische noxa’.21

Ook het eenzame leven in de rimboe van veel ambtenaren op afgelegen plekken ‘soms jaren aaneen op hetzelfde eilandje als eenige blanke!’ kon leiden tot neurasthenie.21 Alle kleinigheden werden op een ziekelijke manier overdreven. Het gevoel van het ondergaan van onrecht, paranoia en overgevoeligheid en machtswellust kregen bij de eenzame ambtenaar de overhand, met alle misstanden van dien. Van Loon gaf als voorbeeld een ambtenaar die zo boos was geworden op een muis, die de rechtszitting had verstoord, dat hij die officieel de doodstraf oplegde. Ook een steen, waaraan hij zijn voet had gestoten, moest plechtig worden verbrijzeld. Het mysterieuze Indische leven kon eveneens oorzaak zijn van het krijgen van de ziekte, aldus Van Loon.

‘De stil-geheimzinnige rust der nachtelijke natuur, het besef of het vermoeden der nabijheid van griezelige of gevaarlijke dieren, van slangen of kalongs vliegende honden of zelfs tijgers, de den Westerling oneigen geluiden, die nu en dan de stille rust verstoren, en die hij (maar vooral zij) combineert met ‘stille kracht’-verhalen en ‘steen-worp’-geschiedenissen, de geruischlooze barrevoetsgang der Inlanders die plotseling uit het donker op den weg opduiken, of achter haar staan aan de eettafel, dit alles tezamen met reeds aanwezige onlustgevoelens door het gemis van familieleden en het achterlaten van dierbare vrienden, maken dat menigeen zich nooit “thuis” voelt in het verre tropenland.’20

Maar wat kon een neurasthenicus doen om van zijn neurose af te komen? Het belangrijkste advies was om ‘naar boven te gaan’. Hiermee werd een bezoek aan een sanatorium bedoeld in de koele bergen van Java. Of iemand kon een van de heilzame waterbronnen bezoeken die Indië rijk was, aan lichaamsbeweging doen of op verlof gaan naar Holland. In de Indische kranten werd verder volop geadverteerd voor middeltjes tegen neurasthenie, ook door toko’s. Maar een van de eerste en belangrijkste adviezen aan de Europeaan die naar Indië kwam, was dat hij moest nagaan of hij aanleg had om neurasthenicus te worden, of hij erfelijk was belast. Wanneer dat het geval was, moest iemand zeker niet naar Indië komen.6

... ‘dit is trouwens niet alleen om het gevaar voor neurasthenie, doch nog om vele andere redenen ... Het leven toch van een jonggezel in Indië is eenvoudig treurig en troosteloos en het is begrijpelijk dat velen gedreven worden in de armen van de inlandsche huishoudster.’22

tot slot

De syndromen amok, latah en koro komen in bovengenoemde beschrijvingen archaïsch over, maar worden nu nog sporadisch in de medische literatuur beschreven, en gerekend onder de cultuurgebonden syndromen. De term ‘neurasthenie’ of ‘tropenneurasthenie’ is verouderd en kan vandaag de dag het best worden vertaald als ‘dysthyme stoornis’, of als ‘lichte depressieve stoornis’.23

De vraag is of bovengenoemde syndromen op zichzelf staan of slechts cultureel bepaalde uitingen zijn, terug te voeren op een achterliggende universele psychopathologische basis. De relatie tussen cultuur, etniciteit, ziekte en gezondheid is complex en controversieel.24 Tegenwoordig wordt daar met minder superioriteit en met meer nuance naar gekeken dan de psychiaters in Nederlands-Indië toentertijd deden.

De psychiatrie in Nederlands-Indië is een onderwerp dat nadere studie verdient. In Indonesië ligt nog veel archiefmateriaal, dat vaak onder slechte klimatologische omstandigheden is opgeborgen en dat in steeds verder gaande staat van verval verkeert. Wie meer wil weten zal snel moeten zijn.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur

  1. Advertentie. De Locomotief november 24 1927.

  2. Couperus L. De stille kracht. Groningen: Wolters-Noordhoff; 1993.

  3. Kerkhoven A. Dutch psychiatrists on Java and Sumatra (1900-1927). Proceedings of the 1st European Congress on the History of Psychiatry and Mental Health Care. Rotterdam: Erasmus Publishing; 1993. p. 239-46.

  4. Oda R, Banzato MEC, Dalgalarrondo P. Some origins of cross-cultural psychiatry. History of Psychiatry. 2005;16:155-69.

  5. Jong JM de. Geschiedenis van het genezen; badverpleging als psychiatrische therapie (1900-1950). Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:1487-91.

  6. Eckhardt PP. Zenuwslopend Indië. Op zoek naar neurasthenie bij Europeanen in Nederlands-Indië; 1800-1930. scriptie. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam; 2001.

  7. Lijkles S. Verslag omtrent het gouvernements krankzinnigengesticht te Lawang. Batavia: Landsdrukkerij; 1906.

  8. Ledeboer LBE. Verslag omtrent het gouvernements krankzinnigengesticht Buitenzorg. Batavia: Landsdrukkerij; 1902.

  9. Wulfften Palthe PM van. Amok. Ned Tijdschr Geneeskd. 1933;77:983-91.

  10. Spores JC. Running amok; an historical inquiry monographs in International Studies. Ohio: Ohio University; 1988. p. 82.

  11. Wulfften Palthe PM van. Geestesstoornis en gemeenschapsstructuur. Rede uitgesproken bij de 9e herdenking van Dies Natalis der Geneeskundige hoogeschool te Batavia op 15 augustus 1936. Batavia: Olt; 1936.

  12. Brero PCJ van. Iets over het zoogenaamde ‘Latah’; een in Nederlandsch-Indië voorkomende neurose. Ned Tijdschr Geneeskd. 1895;39:270-80.

  13. Breel I. Een literatuuronderzoek naar aard en voorkomen van het verschijnsel latah. Leiden: Rijksuniversiteit, vakgroep Klinische Psychologie; 1989.

  14. Blonk JC. Koro. Geneeskundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. 1895;35:562-3.

  15. Wulfften Palthe PM van. Koro. Een eigenaardige angstneurose. Geneeskundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. 1934;74:1713-20.

  16. Ungvari GS, Mullen RS. Koro, the delusion of penile retraction. Urology. 1994;43:883-5.

  17. Swart Abrahamsz Th. Eduard Douwes Dekker. Eene ziektegeschiedenis. De Gids. 1888;6:1-75.

  18. Schmidt Crans JM. Spotprent van Multatuli naar aanleiding van het artikel van Swart Abrahamz in De Gids. Nederlandse Spectator. 1888;27:86.

  19. Burg CL van der. Akklimatatie. Geneeskundige bladen uit kliniek en laboratorium. 1904;10:1-27.

  20. Loon FHG van. Het zenuwlijden der blanken in de tropen. Geneeskundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. 1927;67:435-78.

  21. Langen CD de, Lichtenstein A. Leerboek der tropische geneeskunde. Batavia: Kolff & Co; 1923. p. 692-703.

  22. Indische ziekten: practische handleiding ter voorkoming van de voornaamste in Nederlandsch-Indië heerschende ziekten/door een Indisch geneesheer. Amsterdam: De Bussy; 1907.

  23. Boon T den, Geeraerts D, Sijs N van der. Van Dale. Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. Utrecht: Van Dale lexicografie; 2005.

  24. Beneduce R, Martelli P. Politics of healing and politics of culture: ethnopsychiatry, identities and migration. Transcult Psychiatry. 2005;42:367-93.