Eerste cijfers na de ‘Richtlijn perinataal beleid extreme vroeggeboorte’

Follow-up na 2 jaar van kinderen geboren bij 24 weken

Onderzoek
Cornelieke S.H. Aarnoudse-Moens
Monique Rijken
Renate M. Swarte
Peter Andriessen
Henk J. ter Horst
Susanne M. Mulder-de Tollenaer
Corine Koopman-Esseboom
A.R.C. (Céleste) Laarman
Katarina Steiner
A.H.B.M. (Mark) van der Hoeven
René F. Kornelisse
J.J. (Hans) Duvekot
Nynke Weisglas-Kuperus
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2017;161:D1168
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Sinds 2010 adviseert de nieuwe ‘Richtlijn perinataal beleid bij extreme vroeggeboorte’ actief beleid bij kinderen die na een zwangerschapsduur van 24 weken geboren worden. Wij onderzochten hoe kinderen van 24 en 25 weken die geboren werden in het eerste jaar nadat de richtlijn verscheen, zich ontwikkeld hadden op 2-jarige leeftijd.

Opzet

Retrospectief nationaal cohortonderzoek.

Methode

De onderzoekspopulatie bestond uit alle kinderen die in Nederland geboren werden in de periode 1 oktober 2010-1 oktober 2011 na een zwangerschapsduur van 24 of 25 weken en die 2 jaar later nog in leven waren. Op de voor prematuriteit gecorrigeerde leeftijd van 2 jaar ondergingen deze kinderen een algemeen lichamelijk en neurologisch onderzoek, en werd hun cognitief functioneren bepaald op de ‘Bayley scales of infant and toddler development’ (Bayley-III-test). De onderzoeken vonden plaats op de 10 neonatale intensive care units (NICU’s) in Nederland.

Resultaten

Van de 185 extreem vroeggeborenen werden er 166 opgenomen op de NICU. Van de 95 kinderen die op de gecorrigeerde leeftijd van 2 jaar nog in leven waren, konden er 78 (82%) worden onderzocht. Hun gemiddelde cognitieve score op de Bayley-III-test was 88 (SD: 16). Van de kinderen van 24 weken had 20% milde en 20% matige tot ernstige beperkingen. Van de kinderen geboren na 25 weken had 17% milde en 12% matige tot ernstige beperkingen.

Conclusie

Van de kinderen die na 24 weken zwangerschap geboren werden in het eerste jaar na invoering van actieve opvang en behandeling in Nederland en die op 2-jarige leeftijd nog in leven waren (46%), was ruim de helft zonder beperkingen. Dat is vergelijkbaar met kinderen geboren na 25 weken. Gerekend over alle kinderen van 24 weken bereikte 25% de leeftijd van 2 jaar zonder beperkingen.

Leerdoelen
  • Sinds september 2010, toen de ‘Richtlijn perinataal beleid bij extreme vroeggeboorte’ werd gepubliceerd, wordt actief beleid aanbevolen bij kinderen die worden geboren na 24 weken zwangerschap.
  • In het eerste jaar na de invoering van deze richtlijn overleefde 43% van de kinderen die geboren werden na 24 weken zwangerschap.
  • Van de kinderen van 24 weken die levend naar huis werden ontslagen, had 60% op 2-jarige leeftijd geen neurologische, zintuiglijke of cognitieve beperkingen.
  • Gerekend over alle kinderen van 24 weken bereikte slechts 25% de leeftijd van 2 jaar zonder beperkingen.
  • Hoe deze kinderen zich verder ontwikkelen, is onduidelijk totdat er cijfers komen over hun schoolresultaten.

Inleiding

Dankzij medisch-technologische verbeteringen is de overlevingskans van kinderen die extreem prematuur ter wereld komen, dat wil zeggen na een zwangerschapsduur van 24-25 weken, de laatste jaren aanzienlijk toegenomen. Deze kinderen hebben echter nog altijd een hoog risico op neonatale complicaties en een verhoogde kans op ontwikkelingsstoornissen op latere leeftijd. Tot oktober 2010 koos men in Nederland om die reden voor een restrictief beleid bij 24 weken zwangerschapsduur, wat ons land in een uitzonderingspositie bracht ten opzichte van andere landen. Omdat in het buitenland de resultaten bij de follow-up van extreem prematuren relatief goed bleken, werd in de nieuwe richtlijn ‘Perinataal beleid bij extreme vroeggeboorte’ vanaf oktober 2010 ook het Nederlandse beleid aangepast.1 Voortaan werd vanaf 24 weken zwangerschapsduur, na zorgvuldig overleg met de ouders, actieve neonatale opvang aangeboden tenzij zwaarwegende factoren een terughoudend beleid rechtvaardigden.

In 2013 zijn de obstetrische voorgeschiedenis, de overlevingskans van het kind en de neonatale complicaties in het eerste jaar na het verschijnen van de nieuwe richtlijn gedetailleerd beschreven in het NTvG.2 De overlevingskans van de kinderen was 43% bij geboorte na 24 weken zwangerschapsduur en 61% bij geboorte na 25 weken. Slechts 21% van de kinderen van 24 weken en 29% van de kinderen van 25 weken had tijdens de opname op de neonatale intensive care unit (NICU) géén ernstige neonatale complicaties, zoals bronchopulmonale dysplasie, prematurenretinopathie, necrotiserende enterocolitis, een persisterende ductus arteriosus, ernstige intraventriculaire bloedingen of cysteuze periventriculaire leukomalacie.2

Tot op heden was er in Nederland niets bekend over de verdere ontwikkeling van deze extreem prematuren. Om ouders adequaat te kunnen informeren over de prognose van hun kind en om te kunnen beoordelen op welke punten de neonatale zorg verbeterd kan worden, moet men echter kunnen beschikken over goede langetermijngegevens. In dit artikel beschrijven we de ontwikkeling op de gecorrigeerde leeftijd van 2 jaar van de kinderen die geboren werden na een zwangerschapsduur van 24 0/7 tot en met 25 6/7 weken in het eerste jaar nadat de nieuwe richtlijn was ingevoerd.

Methode

Populatie

De onderzoeksgroep bestond uit alle kinderen die in de periode 1 oktober 2010-1 oktober 2011 geboren werden na een zwangerschapsduur van 24 0/7 tot en met 25 6/7 weken en die na intensieve neonatale zorg in leven gebleven waren.2 Als ze de gecorrigeerde leeftijd van 2 jaar bereikt hadden, werden deze kinderen uitgenodigd voor een follow-uponderzoek in hun eigen NICU. De sociaal-economische status (SES) werd geïndexeerd op basis van postcodetabellen.3,4 De standaarddeviatiescore (SDS) van het geboortegewicht voor de zwangerschapsduur werd berekend volgens de groeidiagrammen van Fenton.5,6

Follow-uponderzoek

Het follow-uponderzoek werd uitgevoerd door ervaren kinderartsen, neonatologen, kinderpsychologen en kinderfysiotherapeuten, conform landelijk gemaakte afspraken. Het lichamelijk onderzoek omvatte een bepaling van de algemene gezondheid, groei, gezichtsvermogen en gehoor, en een neurologisch onderzoek.7 De uitkomst van het neurologisch onderzoek werd beschreven als ‘normaal’, ‘suspect’ of ‘abnormaal’.8 ‘Suspect’ betekende lichte neurologische verschijnselen die niet konden worden toegeschreven aan een traditionele neurologische diagnose, zoals cerebrale parese, ‘abnormaal’ wees op de aanwezigheid van cerebrale parese.

Bij kinderen met cerebrale parese werd het motorisch functioneren geclassificeerd aan de hand van het ‘Gross motor function classification system’ (GMFCS). Graad I betekende ‘mild beperkt’, graad II en III ‘matig beperkt’, graad IV en V ‘ernstig beperkt’.9,10

Een beperking in de visus of het gehoor, zelfs als het kind hulpmiddelen gebruikte, gold als ‘matige beperking’, blindheid of doofheid gold als ‘ernstige beperking’.

De cognitieve ontwikkeling werd beoordeeld aan de hand van de derde editie van de ‘Bayley scales of infant and toddler development’ (Bayley-III), met een gemiddelde score van 100 en een SD van 15.11 Omdat er voor de Bayley-III-test ten tijde van het onderzoek nog geen Nederlandse normering was, kon de taalscore niet worden bepaald. De scores werden gecorrigeerd voor vroeggeboorte. Een score van 70-84 op de Bayley-III-test (< -1,0 SD), werd geclassificeerd als ‘milde beperking’; een score van 55-69 (< -2,0 SD) als ‘matige beperking’ en een score < 55 (< -3,0 SD) als ‘ernstige beperking’.

De algehele uitkomst van het follow-uponderzoek op de gecorrigeerde leeftijd van 2 jaar werd gedefinieerd als ‘ernstige beperking’ bij abnormaal neurologisch functioneren (GMFCS-graad IV en V), blindheid of doofheid, of een cognitieve score < 55 (< -3,0 SD). ‘Matige beperking’ was gedefinieerd als abnormaal neurologisch functioneren (GMFCS-graad II en III), een auditieve of visuele handicap ondanks het gebruik van hulpmiddelen, of een cognitieve score van 55-69 (< -2,0 SD). De uitkomst ‘milde beperking’ gold voor suspect of abnormaal neurologisch functioneren zonder functionele gevolgen (GMFCS-graad I) of een cognitieve score van 70-84 (< -1,0 SD).

Analyse

Alle gegevens werden geanonimiseerd. Verschillen in kenmerken en neonatale complicaties werden geanalyseerd met de exacte toets van Fisher bij dichotome variabelen of met t-toetsen bij continue variabelen. Een p-waarde van < 0,05 bij tweezijdige toetsing werd beschouwd als statistisch significant. Alle analyses werden uitgevoerd met SPSS 22.0.

Resultaten

Na 24 en 25 weken werden er respectievelijk 80 en 105 kinderen levend geboren, van wie er respectievelijk 71 (88%) en 95 (90%) in een NICU werden opgenomen; 19 kinderen overleden voordat zij op de NICU opgenomen konden worden. Van de 166 kinderen die op de NICU kwamen, waren 33 kinderen van 24 weken en 62 kinderen van 25 weken na 2 jaar (voor prematuriteit gecorrigeerde leeftijd) nog in leven. De kenmerken en neonatale complicaties van de overlevende kinderen zijn samengevat in tabel 1. De overlevende kinderen die geboren waren na 24 weken hadden een lager geboortegewicht (t = -5,61; p < 0,001) en een lagere SES (t = -2,88; p < 0,005) dan kinderen van 25 weken zwangerschap. Het geboortegewicht voor de zwangerschapsduur (SDS), de verhoudingen in het geslacht en het aantal baby’s met neonatale complicaties verschilden niet significant tussen de beide groepen.

Van de 95 overlevende kinderen werden er 78 (82%) teruggezien voor follow-up op de gecorrigeerde leeftijd van 2 jaar. Dit betrof 30 van de 33 kinderen die waren geboren na 24 weken (91%) en 48 van de 62 kinderen geboren na 25 weken (77%). Van de 18 kinderen die niet werden teruggezien waren er 5 naar het buitenland verhuisd en konden er 13 niet meer worden achterhaald. Er waren geen statistisch significante verschillen in kenmerken en neonatale complicaties tussen kinderen die wel en die niet meer werden teruggezien voor follow-up.

Van de 78 kinderen die werden teruggezien ondergingen er 13 alleen het lichamelijk en neurologisch onderzoek, omdat er geen mogelijkheid was om een Bayley-III-test af te nemen in het betreffende centrum voor neonatale intensive care. 65 van de 95 overlevende kinderen (68%) ondergingen een compleet follow-uponderzoek, waaronder ook een Bayley-III-test; 1 kind was onvoldoende coöperatief tijdens het follow-uponderzoek en 1 kind was onvoldoende coöperatief tijdens de Bayley-III-test. De gemiddelde gecorrigeerde leeftijd bij follow-up was 25,4 maanden, variërend van 23,2-31,1 maanden.

De uitkomsten van het follow-uponderzoek op de gecorrigeerde leeftijd van 2 jaar staan samengevat in tabel 2. Geen van de kinderen was volledig blind of doof. Minder dan 5% van de overlevende kinderen had een matige tot ernstige neurologische of zintuiglijke beperking; 7 kinderen hadden zowel een neurologische als een zintuiglijke beperking.

De gemiddelde gecorrigeerde cognitieve score was 88,4 (SD: 16) voor kinderen die waren geboren na 24 weken en 90,7 (SD: 14) voor kinderen geboren na 25 weken. Tussen deze beide groepen waren geen significante verschillen in de verdeling van cognitieve scores. Van de 26 kinderen van 24 weken bij wie een Bayley-III-test was afgenomen, scoorden 19 (73%) in het normale gebied (cognitieve score > 85); van de 37 kinderen van 25 weken scoorden 31 (84%) in het normale gebied.

Van de overlevende kinderen van 24 weken was 60% vrij van beperkingen in hun ontwikkeling op de gecorrigeerde leeftijd van 2 jaar, vergeleken met 71% van de overlevende kinderen van 25 weken (tabel 3).

De figuur toont de uitkomsten van de 185 kinderen die in de periode 1 oktober 2010-1 oktober 2011 levend geboren werden na 24 of 25 weken zwangerschap.

Beschouwing

We onderzochten hoe kinderen die extreem vroeg geboren werden in het eerste jaar na publicatie van de nieuwe richtlijn ‘Perinataal beleid bij extreme vroeggeboorte’ zich ontwikkeld hadden op de gecorrigeerde leeftijd van 2 jaar. De overlevingskans van levendgeborenen die na 24 weken zwangerschap werden opgenomen op een neonatale intensive care unit (NICU) was lager dan de overlevingskans van kinderen die na 25 weken werden opgenomen (46 vs. 65%).2

Van de kinderen geboren na 24 weken had 60% geen neurologische, zintuiglijke of cognitieve beperkingen en had 20% een beperking volgens het ‘Gross motor function classification system’ (GMFCS); van de kinderen geboren na 25 weken was dat respectievelijk 71 en 12% (zie tabel 3). Bij de kinderen van 24 weken ging het iets vaker om milde neurologische afwijkingen dan bij de kinderen van 25 weken (17 vs. 4%), maar ook iets vaker om gecombineerde neurologische, zintuiglijke of cognitieve beperkingen (20 vs. 12%).

Sterke punten en beperkingen

Van de 33 kinderen in ons cohort die geboren waren na 24 weken zwangerschap en de 2-jarige leeftijd bereikten, hadden er – voor zover wij konden nagaan – 6 (18%) een matige tot ernstige beperking. Dat is iets lager dan de percentages die gerapporteerd zijn in Engeland (30%) en Zweden (21%).12,13 Daarbij moet echter worden opgemerkt dat het percentage kinderen met ernstige hersenschade als gevolg van intraventriculaire bloedingen of periventriculaire leukomalacie (in ons cohort 6%) lager was dan in de meeste andere landen.2 Vermoedelijk kiest men er in Nederland vaker voor om de NICU-behandeling te staken bij deze ernstige complicaties.14

Een andere beperking is dat de Amerikaanse normering van de Bayley-III-test de vaardigheden van het kind overschat.15-17 Recent Nederlands normeringsonderzoek toonde aan dat als men uitgaat van de Nederlandse normen, 12,4% van de kinderen lager scoort dan 85 (< -1,0 SD); dat is 4 keer zo veel als bij de Amerikaanse normen (3,8%).17 Als oplossing voor deze overschatting werd in de 2 eerder genoemde Europese onderzoeken statistische correctie toegepast of een aterme controlegroep meegetest.12,13 Door geldgebrek behoorde een controlegroep met aterme neonaten voor ons niet tot de mogelijkheden. Daarom kozen wij als vergelijkingsgroep neonaten van 25 weken, want voor hen wordt al sinds 2006 een actief beleid gevoerd.18 Ook statistische correctie konden wij niet toepassen, aangezien Nederlandse normen voor de Bayley-III-test ontbreken zodat we de taalschaal niet konden afnemen.

Een aantal kinderen is niet meer teruggezien bij het follow-uponderzoek op 2-jarige leeftijd. Dit gold vooral voor de kinderen van 25 weken, van wie wij slechts 77% konden onderzoeken. Ten tijde van dit onderzoek was de uniforme inhoud van het follow-uponderzoek al wel vastgelegd in afspraken met Perinatale Registratie Nederland, maar was de nationale infrastructuur voor neonatale follow-up nog niet volledig aanwezig. Daardoor verschilden de voorzieningen voor het onderzoek per centrum. Inmiddels is er landelijk een ‘Richtlijn landelijke neonatale follow-up’ vastgesteld, die is geaccordeerd door de afdelingshoofden van de 10 NICU’s en die in maart 2015 is goedgekeurd door de sectie Neonatologie van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde. In de richtlijn is vastgelegd welke kinderen op de gecorrigeerde leeftijd van 6, 12 en 24 maanden, 5 en 8 jaar moeten worden teruggezien voor follow-up – dat zijn onder andere prematuur geboren kinderen na een zwangerschapsduur < 30 weken of met een geboortegewicht < 1000 g.19

Implicaties van dit onderzoek

Er is vervolgonderzoek nodig, maar dat vereist een centraal verzamelpunt en gegarandeerde financiering. Om de kwaliteit van de gegevens te verbeteren is ook goede afstemming tussen de verschillende westerse landen gewenst. Goede en langdurige follow-up hoort een onderdeel te zijn van neonatale intensieve zorg.

Dankzij de medisch-technologische vooruitgang is de overlevingskans van kinderen na extreme vroeggeboorte de laatste jaren aanzienlijk toegenomen. De kinderen die wij onderzochten, werden kort na de invoering van de vernieuwde richtlijn geboren. Er kan dus sprake zijn geweest van een leereffect, waardoor de overleving van extreem vroeggeboren kinderen in de komende jaren misschien nog zal toenemen. Of dit leereffect er uiteindelijk ook toe leidt dat er meer kinderen zonder een beperking in leven blijven, is moeilijk in te schatten. Van de kinderen van 24 weken in ons cohort die in leven bleven, had 60% geen beperking op de leeftijd van 2 jaar. Als we echter overlijden of beperking als uitkomstmaat voor de behandeling op de NICU nemen, dan bereikte slechts 25% die leeftijd zonder beperkingen. Hoe deze kinderen zich verder ontwikkelen, is onduidelijk totdat er cijfers komen over hun schoolresultaten.

Een systematische review toonde onlangs aan dat 39-62% van de extreem prematuur geboren kinderen op de schoolleeftijd het speciaal onderwijs bezoekt.20 Dat zijn ook de kinderen zonder ernstige neonatale complicaties en de kinderen bij wie op 2-jarige leeftijd nog geen beperkingen in hun ontwikkeling werden aangetoond. Om ouders goed te kunnen informeren over de prognose van hun extreem prematuur geboren kind zijn Nederlandse cijfers nodig die inzicht geven in de langetermijnresultaten op 5 en 8 jaar én die een groter cohort omvatten.

Conclusie

De thans beschikbare cijfers zijn nuttig om ouders een eerste indruk te geven over de prognose van hun extreem prematuur geboren kind. Meer inzicht, niet alleen in medische, maar ook in ethische, sociale en omgevingsfactoren, is nodig om deze kwetsbare kinderen en hun ouders optimaal te kunnen behandelen en begeleiden.

Literatuur
  1. Richtlijn perinataal beleid bij extreme vroeggeboorte. Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie; 2010.

  2. De Kluiver E, Offringa M, Walther FJ, Duvekot JJ, de Laat MWM. Perinataal beleid bij extreme vroeggeboorte: Een onderzoek naar implementatie van de richtlijn. Ned Tijdschr Geneeskd. 2013;157:A6362.

  3. Franks P, Fiscella K. Effect of patient socioeconomic status on physician profiles for prevention, disease management, and diagnostic testing costs. Med Care. 2002:717-24. Medlinedoi:10.1097/00005650-200208000-00011

  4. Thomas AJ, Eberly LE, Smith GD, Neaton JD. ZIP-code-based versus tract-based income measures as long-term risk-adjusted mortality predictors. Am J Epidemiol. 2006;164:586-90. Medlinedoi:10.1093/aje/kwj234

  5. Fenton TR, Kim JH. A systematic review and meta-analysis to revise the Fenton growth chart for preterm infants. BMC Pediatr. 2013;59:1-13. Medlinedoi:10.1186/1471-2431-13-59

  6. Fenton TR, Nasser R, Eliasziw M, Kim JH, Bilan D, Sauve R. Validating the weight gain of preterm infants between the reference growth curve of the fetus and the term infant. BMC Pediatr. 2013;92:1-10. Medlinedoi:10.1186/1471-2431-13-92

  7. Van Empelen R, Kruitwagen CLJJ, Engelbert RHH, Custers JHW, Helders PJM, Vermeer A. Tonusonderzoek van Amiel-Tison voor kinderen van 0-5 jaar: Een betrouwbaarheidsonderzoek. Nederlands Tijdschrift voor Fysiotherapie. 1997;107:65-9.

  8. Hadders-Algra M, Heineman KR, Bos AF, KJ. M. The assessment of minor neurological dysfunction in infancy using the Touwen Infant Neurological Examination: strengths and limitations. Dev Med Child Neurol. 2010;52:87-92. Medlinedoi:10.1111/j.1469-8749.2009.03305.x

  9. Gorter JW, van Tol E, van Schie P, Ketelaar M. GMFCS-E&R, Gross Motor Function Classification System, Expanded and Revised [Nederlandse vertaling]. Utrecht: NetChild Network for Childhood Disability Research; 2009.

  10. Palisano R, Rosenbaum P, Walter S, Russell D, Wood E, Galuppi B. Development and reliability of a system to classify gross motor function in children with cerebral palsy. Dev Med Child Neurol. 1997;39:214-23. Medlinedoi:10.1111/j.1469-8749.1997.tb07414.x

  11. Bayley N. Bayley Scales of Infant and Toddler Development. 3rd ed. San Antonio: Pearson Assessment and Information; 2005.

  12. Serenius F, Kallen K, Blennow M, Ewald U, Fellman V, Holmstrom G, et al. Neurodevelopmental outcome in extremely preterm infants at 2.5 years after active perinatal care in Sweden. JAMA. 2013;309:1810-20. Medlinedoi:10.1001/jama.2013.3786

  13. Moore T, Hennessy EM, Myles J, Johnson SJ, Draper ES, Costeloe KL, et al. Neurological and developmental outcome in extremely preterm children born in England in 1995 and 2006: the EPICure studies. BMJ. 2012;345:e7961. Medlinedoi:10.1136/bmj.e7961

  14. De Leeuw R, Cuttini M, Nadai M, Berbik I, Hansen G, Kucinskas A, et al. Treatment choices for extremely preterm infants: an international perspective. J Pediatr. 2000;137:608-15. Medlinedoi:10.1067/mpd.2000.109144

  15. Anderson PJ, De Luca CR, Hutchinson E, Roberts G, Doyle LW; Victorian Infant Collaborative Group. Underestimation of developmental delay by the new Bayley-III Scale. Arch Pediatr Adolesc Med. 2010;164:352-6. Medlinedoi:10.1001/archpediatrics.2010.20

  16. Johnson S, Moore T, Marlow N. Using the Bayley-III to assess neurodevelopmental delay: which cut-off should be used? Pediatric research. 2014;75:670-4. Medlinedoi:10.1038/pr.2014.10

  17. Steenis LJP, Verhoeven M, Hessen DJ, van Baar AL. Performance of Dutch Children on the Bayley III: A Comparison Study of US and Dutch Norms. PLoS ONE. 2015;10:1-13. Medlinedoi:10.1371/journal.pone.0132871

  18. Zegers MJ, Hukkelhoven CWPM, Uiterwaal CSPM, Kollée LAA, Groenendaal F. Changing Dutch approach and trends in short-term outcome of periviable preterms. Arch Dis Child Fetal Neonatal Ed. 2016;101:F391-6. Medlinedoi:10.1136/archdischild-2015-308803

  19. Werkgroep Landelijke Neonatale Follow-up. Aanbeveling landelijke neonatale follow-up - NICU follow-up. Utrecht: NVK; 2015.

  20. Johnson S, Marlow N. Early and long-term outcome of infants born extremely preterm. Arch Dis Child. 2016;102:97-102. Medlinedoi:10.1136/archdischild-2015-309581

Auteursinformatie

Academisch Medisch Centrum, afd. Neonatologie, Amsterdam.

Dr. C.S.H. Aarnoudse-Moens, psycholoog.

Leids Universitair Medisch Centrum, afd. Neonatologie, Leiden.

Dr. M. Rijken, kinderarts-neonatoloog

Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam.

Afd. Neonatologie: dr. R.M. Swarte en dr. R.F. Kornelisse, kinderartsen-neonatologen; dr. N. Weisglas-Kuperus, kinderarts-psycholoog.

Afd. Verloskunde: dr. J.J. Duvekot, gynaecoloog.

Maxima Medisch Centrum, afd. Neonatologie Veldhoven

Dr. P. Andriessen, kinderarts-neonatoloog.

Universitair Medisch Centrum Groningen, afd. Neonatologie, Groningen

Dr. H.J. ter Horst, kinderarts-neonatoloog.

Isala Klinieken, afd. Neonatologie, Zwolle.

Drs. S.M. Mulder-de Tollenaer, kinderarts-neonatoloog.

Universitair Medisch Centrum Utrecht, afd. Neonatologie, Utrecht.

Dr. C. Koopman-Esseboom, kinderarts-neonatoloog.

VU medisch centrum, afd. Neonatologie, Amsterdam.

Drs. A.R.C. Laarman, kinderarts-neonatoloog.

Radboudumc, afd. Neonatologie, Nijmegen.

Drs. K. Steiner, kinderarts-neonatoloog.

Maastricht UMC+, afd. Neonatologie, Maastricht

Dr. A.H.B.M. van der Hoeven, kinderarts-neonatoloog.

Contactpersoon: dr. C.S.H. Aarnoudse-Moens (c.aarnoudse-moens@amc.uva.nl).

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.

Verantwoording

De hoogleraren Neil Marlow en Pieter Sauer leverden kritisch commentaar op het manuscript.

Auteur Belangenverstrengeling
Cornelieke S.H. Aarnoudse-Moens ICMJE-formulier
Monique Rijken ICMJE-formulier
Renate M. Swarte ICMJE-formulier
Peter Andriessen ICMJE-formulier
Henk J. ter Horst ICMJE-formulier
Susanne M. Mulder-de Tollenaer ICMJE-formulier
Corine Koopman-Esseboom ICMJE-formulier
A.R.C. (Céleste) Laarman ICMJE-formulier
Katarina Steiner ICMJE-formulier
A.H.B.M. (Mark) van der Hoeven ICMJE-formulier
René F. Kornelisse ICMJE-formulier
J.J. (Hans) Duvekot ICMJE-formulier
Nynke Weisglas-Kuperus ICMJE-formulier
Antenatale glucocorticoïden bij extreme vroeggeboorte

Gerelateerde artikelen

Reacties

Ruurd
Duyff

P-waardig?

Met interesse het artikel over de gevolgen van extreme vroeggeboorte gelezen.

Ik verbaasde mij wel over het gebruik van de p-waarde in tabel 1.

Met name als je de 2 groepen definieert aan de hand van de zwangerschapsduur 24 of 25 weken, is de kans dat dit verschil op toeval berust niet <0,001 maar 0! Geen p-waarde gebruiken dus. 

Biologisch gezien lijkt het me overigens ook wel logisch dat het gewicht significant verschilt dus daar is wellicht de p-waarde ook redundant.