De Delta-cohortstudie

Fenotype van inflammatoire darmziekten bij diagnose*

Onderzoek
Veerle J.A.A. Nuij
Zuzana Zelinkova
Marno C.M. Rijk
Ruud Beukers
Rob J.T. Ouwendijk
Rutger Quispel
Antonie J.P. van Tilburg
Thjon J. Tang
Hermen Smalbraak
Karlien F. Bruin
Flordeliz Lindenburg
Laurent Peyrin-Biroulet
C. Janneke van der Woude
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2014;158:A7119
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Het beschrijven van de klinische kenmerken van patiënten met inflammatoire darmziekte (‘inflammatory bowel disease’, IBD) bij diagnose op bevolkingsniveau in Nederland.

Opzet

Observationele cohortstudie.

Methode

We includeerden alle nieuwe patiënten die gediagnosticeerd werden met IBD in de periode 1 januari-31 december 2006 in 9 perifere ziekenhuizen in het zuidwesten van Nederland.

Resultaten

Er werden 413 patiënten geïncludeerd, van wie 201 (48,7%) met de ziekte van Crohn (‘Crohn’s disease’, CD), 188 (45,5%) met colitis ulcerosa (CU) en 24 (5,8%) met ongeclassificeerde IBD (‘IBD unclassified’, IBDU). Ze hadden een mediane leeftijd van 38 jaar (spreiding: 14-95). 78 CD-patiënten (38,8%) leden aan ileocolitis bij diagnose en 73 (36,3%) aan colitis. Bij 8 patiënten (4,0%) was de bovenste gastro-intestinale tractus aangedaan en 19 CD-patiënten (9,5%) leden aan perianale ziekte. 39 CD-patiënten (19,4%) hadden bij diagnose een stricturerend fenotype. Van de CU- en IBDU-patiënten leden er bij diagnose 39 (18,4%) aan pancolitis en 61 (29%) aan proctitis. Bij 119 patiënten (28,8%; 68 CD, 49 CU, 2 IBDU) werd de endoscopische ziekte bij diagnose gescoord als ‘ernstig’, terwijl er bij 98 (23,7%) ernstige histologische ziekteactiviteit werd gezien. 22 patiënten (5,3%; 20 CD, 2 CU) hadden een fistel bij diagnose.

Conclusie

Een derde van de CD-patiënten had complicaties van de IBD bij diagnose. Ernstige endoscopische afwijkingen werden gezien bij 34% van de CD-patiënten en bij 26% van de CU-patiënten. Het is dus van belang om deze ziekte zo snel mogelijk na diagnose onder controle te krijgen om verdere complicaties en het invaliderende aspect van de ziekte te voorkomen. Wellicht dat potentere medicatie eerder gestart moet worden om dit te bereiken.

artikel

Inleiding

Onder de noemer chronische inflammatoire darmziekte (‘inflammatory bowel disease’, IBD) vallen de ziekte van Crohn (‘Crohn’s disease’, CD), colitis ulcerosa (CU) en ongeclassificeerde IBD (‘IBD unclassified’, IBDU). Het klinisch beeld van deze ziekten wordt gekenmerkt door buikpijn en diarree, al dan niet met bloed en slijm. IBD is niet alleen een chronische maar ook een progressieve aandoening en kan uiteindelijk resulteren in stenoses (stricturerende fenotype) of fistels (penetrerende fenotype). Ook is extra-intestinale ontaarding mogelijk.

Tot 35% van de IBD-patiënten kan lijden aan extra-intestinale manifestaties, zoals uveïtis, erythema nodosum en artritis.1,2 Het risico op het ontwikkelen van perianale abcessen, fistels, fissuren en ulcera varieert van 25 tot 80%.3,4 Daarnaast zal 25-61% van de nieuw gediagnosticeerde IBD-patiënten ten minste 1 operatie ondergaan binnen 5 jaar na de diagnose.5 Gezien het effect van deze complicaties op het dagelijks functioneren en op de kwaliteit van leven kan er bij IBD worden gesproken van een invaliderende aandoening.

Op basis van bevolkingsstudies kunnen waardevolle gegevens over het natuurlijke verloop van IBD verkregen worden.6 Aangezien de epidemiologie van IBD wereldwijd varieert,6 zijn cohortstudies van belang om zowel de overeenkomsten als verschillen in incidentie en ziektekarakteristieken in kaart te brengen. Een eerder gepubliceerde Nederlandse cohortstudie toonde aan dat Nederland een relatief hoge IBD-incidentie heeft.7

De behandeling van patiënten met de ziekte van Crohn heeft naast het onderdrukken van acute en chronische ontsteking ook als doel stricturerende ziekte, penetrerende ziekte of andere complicaties die kunnen leiden tot chirurgie, te voorkomen; dit moet uiteindelijk leiden tot klinische en endoscopische remissie. Ook bij patiënten met CU is de behandeling gericht op het voorkomen van operaties en CU-gerelateerde complicaties.8

Tegenwoordig wordt er binnen de IBD-behandeling echter niet alleen gekeken naar de klachten die de patiënt op dat moment heeft. Het vroeg bereiken van ‘mucosal healing’ door versneld over te gaan op potentere medicatie (‘excellerated step-up’-strategie) of door met de potentste medicatie te starten en deze daarna eventueel af te bouwen (‘top-down’-strategie) wordt steeds vaker gepropageerd sinds het op de markt komen van de antitumornecrosefactor(TNF)-α-medicatie.

De klinische kenmerken van patiënten met IBD bij diagnose in Nederland op bevolkingsniveau sinds het op de markt komen van de anti-TNF-geneesmiddelen, zijn onbekend. Wij rapporteren hier de resultaten van het Delta-cohort, een Nederlandse observationele cohortstudie uitgevoerd in het tijdperk van de anti-TNF-therapie.

Patiënten en methode

Voor deze studie werden ziekenhuizen in 5 van de 40 zogenoemde Coördinatiecommissie Regionaal Onderzoeksprogramma(COROP)-gebieden in Nederland geïncludeerd. Deze COROP-gebieden worden gebruikt voor analytische doeleinden door onder andere het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.9 In deze studie werd gefocust op COROP-gebieden in het zuidwesten van Nederland (figuur). Op 1 januari 2011 woonden er 3.092.159 personen in het onderzochte gebied. Het gebied huisvest 17 ziekenhuizen, waarvan 9 perifere ziekenhuizen deelnamen aan deze studie (tabel 1). Het protocol werd goedgekeurd door de medisch-ethische toetsingscommissie van het Erasmus MC.

Figuur 1
Figuur 2

Patiëntenselectie

Om de mogelijke patiënten te identificeren gebruikten we de diagnose-behandelcombinatie (DBC). We zochten op DBC-codes die IBD-zorg aangeven, te weten codenummers 601, 602, 922 en 923.10 Vervolgens werden alle patiënten aan wie minimaal 1 van deze codes was toegekend in de periode 1 januari-31 december 2006, gecontroleerd op het hebben van de diagnose ‘IBD’ en op de datum van diagnose. In 1 ziekenhuis werd er in deze periode nog niet met DBC-codes geregistreerd, maar dit ziekenhuis had wel een register van hun IBD-patiënten, van wie 88% vóór 1 januari 2010 alsnog een van de genoemde DBC-codes toegewezen kreeg.

Alleen patiënten met nieuw gediagnosticeerde IBD in de periode 1 januari-31 december 2006 werden geïncludeerd bij wie de diagnose werd bevestigd met endoscopisch, radiologisch, pathologisch onderzoek of tijdens chirurgie, volgens de Lennard-Jones criteria.11 Patiënten zonder verdere follow-up of die gediagnosticeerd waren door kinderartsen werden geëxcludeerd.

De data werd verkregen uit de patiëntenstatussen. Per patiënt werden kenmerken zoals geboortedatum, comorbiditeit, rookgedrag, familiaire IBD-status en familiaire colorectale-kankerstatus genoteerd. Alle endoscopische, pathologische, radiologische en chirurgische rapporten vanaf diagnose tot het einde van de follow-up werden verzameld en beoordeeld. Alle endoscopische en histologische verslagen werden gescoord voor ziektelokalisatie, ziektekenmerken en ernst van de ziekte. IBDU-patiënten werden hiervoor geanalyseerd als zijnde CU-patiënten.

Statistische analyse

Voor de statistische analyses gebruikten we beschrijvende statistiek, onafhankelijke t-toetsen en χ2-toetsen. Deze werden uitgevoerd met de software SPSS voor Windows v20.0 (Chicago, IL, VS).

Resultaten

Studiepopulatie

Van de 426 geschikte patiënten werden er 13 geёxcludeerd: 9 wegens gebrek aan patiëntgegevens (5 CD en 4 CU) en 4 vanwege het ontbreken van follow-up (2 CD en 2 CU). Hierna werden 413 patiënten geïncludeerd voor analyse, van wie 201 (48,7%) CD hadden, 188 (45,5%) CU en 24 (5,8%) IBDU. De patiënt- en ziektekenmerken staan in tabel 2. De mediane leeftijd bij diagnose was 38,0 jaar (spreiding: 14-95) en 52,8% van de patiënten was vrouw. Er werden meer vrouwen dan mannen gediagnosticeerd met CD (1:1,31) en IBDU (1:1,18), terwijl er ongeveer evenveel mannen als vrouwen gediagnosticeerd werden met CU (vrouw-manratio: 1:1,06).

Figuur 3

Bij 364 patiënten (88%; 156 CD, 184 UC, 24 IBDU) werd de IBD-diagnose gesteld op basis van endoscopische bevindingen, al dan niet gecombineerd met histologische, radiologische of chirurgische bevindingen of met klachten. Bij 299 patiënten (72,4%; 117 CD, 165 CU, 17 IBDU) werd de ziekte uitsluitend gediagnosticeerd met endoscopie. Bij de overige 12% speelde endoscopie geen rol bij het diagnosticeren, maar werd de diagnose gesteld op basis van radiologische, chirurgische of histologische bevindingen, al dan niet in combinatie met elkaar of in combinatie met klachten.

Fenotype van IBD

Van de 201 patiënten met de ziekte van Crohn had 21,4% ileitis terminalis, 36,3% colitis, en 38,8% had ileocolonische ziekte bij diagnose (zie tabel 2). Bij 8 patiënten presenteerde de IBD zich voor het eerst in de bovenste gastro-intestinale tractus. Bij 1 CD-patiënt bleek bij diagnose zowel het ileocolon als de bovenste gastro-intestinale tractus ontstoken te zijn.

Wat de aard van de ziekte betrof, had 68,7% van de CD-patiënten bij diagnose uitsluitend luminale ziekte, 19,4% had stricturerende ziekte en bij 11,9% was de ziekte al penetrerend van aard. Daarnaast hadden 19 patiënten (9,5%) bij diagnose last van perianale ziekte. Van de 188 CU-patiënten had 29,3% bij diagnose een proctitis, 51,1% een linkszijdige colitis en 19,1% een pancolitis. Van de 24 IBDU-patiënten had 25% een proctitis, 58,3% een linkszijdige colitis en 12,5% een pancolitis. Bij 1 IBDU-patiënt werd alleen coecale ziekte gevonden, waardoor deze patiënt gescoord werd als ‘niet te classificeren’.

De endoscopische ernst van de ziekte bij diagnose werd bij 77 patiënten (18,6%) gescoord als ‘gering’, bij 191 (46,2%) als ‘matig’ en bij 119 (28,8%) als ‘ernstig’; bij 26 patiënten (6,3%) kon de endoscopische ernst van de ziekte bij diagnose niet worden beoordeeld (zie tabel 2). De histologische ernst van de ziekte was ‘gering’ bij 50 patiënten (12,1%), ‘matig’ bij 226 (54,7%) en ‘ernstig’ bij 98 (23,7%); bij 39 patiënten (9,4%) ontbrak het histologisch onderzoek.

Fistels en abcessen

Bij 5,3% van de patiënten werden fistels gediagnosticeerd vóór of op het moment van de diagnose (22 patiënten: 20 CD en 2 CU). Deze fistels bevonden zich in het abdomen bij 6 patiënten en 16 patiënten leden aan perianale fistels. De locatie van de fistels bij de CU-patiënten was bij beiden perianaal. 1 CU-patiënt had de perianale fistel 7 jaar vóór de diagnose van CU en bij de tweede CU-patiënt kon de fistel ondanks uitgebreid onderzoek niet worden toegeschreven aan de IBD.

Van de CD-patiënten leden 12 (6,0%) aan abcessen, van wie 8 aan perianale abcessen en 4 aan abcessen in het abdomen. 8 CD-patiënten (4,0%) werden gediagnosticeerd met een abces voorafgaand aan de diagnose ‘ziekte van Crohn’: bij 6 was het abces perianaal gelokaliseerd en bij 2 in het abdomen. Bij 4 CD-patiënten (2,0%) werden de IBD en het abces gelijktijdig gediagnosticeerd.

Bij 2 CU-patiënten werden perianale abcessen gevonden. Bij 1 van hen kon er geen relatie tussen de CU en de abcessen worden gelegd. Bij de andere CU-patiënt werd het abces gediagnosticeerd 14 jaar vóór de diagnose ‘IBD’. Geen van de IBDU-patiënten leed aan perianale fistels of abcessen vóór of op het moment van de IBD-diagnose. Uitgebreidere resultaten over de IBD-gerelateerde extra-intestinale manifestaties, chirurgie en initiële medicatie zijn te vinden in het originele artikel.12

Beschouwing

In deze Nederlandse cohortstudie die werd uitgevoerd in de tijd waarin anti-TNF-medicatie op de markt is, had 31% van de patiënten met de ziekte van Crohn al een gecompliceerde ziekte bij diagnose, dat wil zeggen: bij hen was sprake van het stricturerende of penetrerende fenotype. Van de CD-patiënten werd 39% gediagnosticeerd met ileocolitis, 9,5% had perianale ziekte en de gastro-intestinale tractus was bij 4% aangedaan. De meest voorkomende ziektelocatie bij patiënten met colitis ulcerosa was een linkszijdig colitis (51%). Ernstige endoscopische afwijkingen werden bij 34% van de CD-, bij 26% van de CU- en bij 8% van de IBDU-patiënten gezien.

In dit cohort van 413 nieuw gediagnosticeerde IBD-patiënten werd 5,8% gediagnosticeerd met ongeclassificeerde IBD, wat vergelijkbaar is met gepubliceerde meta-analysedata.13 De verhouding tussen het aantal CD- en CU-patiënten was bijna 1:1 (1,07:1). Historisch gezien heeft CU een hogere prevalentie dan CD. Recente cohorten laten echter zien dat de incidentie van de ziekte van Crohn sneller toeneemt dan die van CU en in 2006 overtrof de incidentie van CD zelfs die van CU.14-16

Wat de leeftijd bij IBD-diagnose betreft, was er in het verleden een piek te zien in de late puberteit en vroege volwassenheid. In sommige studies werd een 2e piek waargenomen bij 50- tot 70-jarigen.17 In het ‘European collaborative study on IBD’-cohort lag de piekincidentie van de ziekte van Crohn rond de 20 jaar en die van CU tussen de 25 en 30 jaar. In het ‘Inflammatory bowell south-eastern Norway’(IBSEN)-cohort uit de jaren 90 van de vorige eeuw was de mediane leeftijd bij diagnose voor patiënten met CU of CD respectievelijk 37 en 28 jaar.18,19 Bij recentere IBD-cohorten bleek dat de mediane leeftijd bij diagnose hoger was: tot 44 jaar voor CD- en 47 jaar voor CU-patiënten.20-22 De patiënten in het Delta-cohort leken iets ouder dan beschreven in eerdere studies, maar hun leeftijd komt wel overeen met die van recentere cohorten.20

IBD komt vrijwel evenveel voor bij mannen als bij vrouwen. Iets meer vrouwen lijden aan CD en voor CU varieert de man-vrouwverhouding van 1,0 tot 2,0.14,20,21,23,24 Onze bevindingen komen hiermee overeen.

Lokalisatie en ziekte-ernst

Eerdere studies laten veel variatie zien in de ziektelokalisatie voor CD, mogelijk door verschillen in diagnostische criteria tussen de studies. Grote cohortstudies vonden een terminale ileïtis bij 15-35% van de patiënten met CD, geïsoleerde colitis bij 18-52%, ileocolitis bij 22-44% en ontsteking van de bovenste gastro-intestinale tractus bij 2-14%.16,19,21,22,25 De ziekte-uitbreiding in ons cohort verschilt hier niet van (zie tabel 2). Wat het karakter van de ziekte van Crohn betreft, beschrijft de literatuur het niet-stricturerend-niet-penetrerende fenotype, ook wel het luminale fenotype genoemd, bij 61-74% van de nieuw gediagnosticeerde CD-patiënten, stricturerende ziekte bij 4-28% en penetrerende ziekte bij 8-24%. Perianale ziekte bij diagnose werd waargenomen bij 2-11%, behalve in een Grieks cohort, waarin perianale ziekte aanwezig was bij 24,8% van de patiënten.19,22,25 Ook hier zijn onze resultaten in overeenstemming met eerder gepubliceerde data (zie tabel 2).

Over het algemeen verschilde de ziekte-uitbreiding van CU in het Delta-cohort niet van die van eerder gepubliceerde cohorten,22,25 behalve dan dat wij een hogere prevalentie van linkszijdige colitis vonden dan beschreven in grote populatiegebaseerde cohorten.16,24,26 Een Roemeens cohort rapporteerde een nog hoger percentage linkszijdige colitis (65,6%).21

Een universele definitie voor IBDU, ook wel onbepaalde colitis (‘indeterminate colitis’, IC) genoemd, ontbreekt nog steeds, wat het moeilijk maakt de resultaten van ons cohort te vergelijken met eerder gepubliceerde data.27 Met uitzondering van het IBSEN-cohort maken de meeste grote populatiegebaseerde IBD-cohorten geen melding van IC- of IBDU-patiënten, of de patiënten werden niet als zodanig geclassificeerd omdat er gebruik werd gemaakt van zeer strikte criteria.14,16,25 Van de IC-patiënten in het IBSEN-cohort leed 27% aan proctitis, 35% aan linkszijdige colitis en 38% aan uitgebreide colitis.26 De discrepantie tussen onze bevindingen en de gegevens van het IBSEN-cohort kan worden verklaard door verschillen in de gehanteerde definitie en geeft dus niet noodzakelijkerwijs een verandering van de ziektepresentatie in afgelopen decennia weer.

Alleen voor het Roemeense cohort werd de ernst van IBD bij diagnose beschreven. Voor CD-patiënten was deze ‘gering’ bij 15,2%, ‘matig’ bij 52,9% en ‘ernstig’ bij 31,9%; voor CU-patiënten was dit respectievelijk 46,6, 36,1 en 17,1%.21 Er werd echter geen onderscheid gemaakt tussen endoscopische en microscopische ernst van de ziekte. Hoewel de prevalentie van ernstige CD vergelijkbaar is met de prevalentie die wij vonden in het Delta-cohort, waren er meer CU-patiënten met ernstige ziekte en minder met geringe ziekte in het Roemeense cohort.

In een Deens cohort werden interne fistels bij 2,4% en perianale fistels bij 6,3% van de CD-patiënten gevonden bij diagnose.16 Fistels en abcessen werden gevonden bij 41 van 225 CD-patiënten (18%) bij diagnose in het IBSEN-cohort.28 Verder was in een Nieuw-Zeelands cohort een piek in de incidentie van perianale afwijkingen rond de tijd van de CD-diagnose te zien.29 Deze resultaten zijn vergelijkbaar met onze bevindingen.

Vergelijking met eerder Nederlands cohort

Tot nu hebben we ons gericht op de methodologische verschillen tussen het Delta-cohort en eerder gepubliceerde cohorten. Naast methodologische verschillen moeten we echter ook rekening houden met het feit dat andere cohorten afkomstig zijn uit verschillende landen met bijbehorende verschillende achtergronden op het gebied van omgeving, cultuur, hygiëne en leefstijl. Dit zou ertoe kunnen leiden dat IBD in Nederland net iets anders tot uiting komt. Daarom hebben wij het Delta-cohort ook vergeleken met een ander bekend Nederlands IBD-cohort, namelijk het Zuid-Limburg(SL)-cohort.

Het opvallendste verschil is de verschuiving naar een complexer fenotype bij diagnose in het Delta-cohort vergeleken met het SL-cohort, wat zich uit in lagere percentages geringe ziekte als geïsoleerde terminale ileïtis en luminale ziekte bij de ziekte van Crohn en minder proctitis bij CU-patiënten (tabel 3).30 Daarnaast is de CD-CU-verhouding in het SL-cohort 1:1,32, versus 1:1 in het Delta-cohort.30 Wij zouden de verschillen tussen deze 2 Nederlandse cohorten kunnen verklaren door de regionale verschillen, maar er is een grotere kans dat ze het gevolg zijn van tijdgerelateerde verschillen. De patiënten in het SL-cohort werden namelijk geïncludeerd van 1991-2002, wat zou kunnen impliceren dat de presentatie van IBD de laatste 2 decennia mogelijk licht is veranderd.

Figuur 4

Conclusie

Het Delta-cohort lijkt representatief voor een populatiegebaseerd cohort van nieuw gediagnosticeerde patiënten met inflammatoire darmziekte in de vroege 21e eeuw. Onze bevindingen laten zien dat IBD-patiënten in het anti-TNF-tijdperk een agressief, gecompliceerd fenotype bij diagnose hebben. Het lijkt dus van belang deze ziekte zo vroeg mogelijk onder controle te krijgen om complicaties en het invaliderende aspect van de ziekte te voorkomen. Aangezien een derde van de patiënten met de ziekte van Crohn bij diagnose een gecompliceerder ziektebeeld laat zien, zullen we onze potentere medicatie wellicht al vroeger moeten inzetten. Het bewust omgaan met en het proberen te voorkomen van de langetermijnconsequenties begint bij het stellen van de diagnose ‘IBD’.

Leerpunten

  • Om patiënten met inflammatoire darmziekte (IBD) goed te kunnen behandelen is het belangrijk het natuurlijke beloop van de ziekte te begrijpen.

  • In de Nederlandse Delta-cohortstudie vonden we dat IBD-patiënten een agressief, gecompliceerd fenotype bij diagnose hebben in de tijd dat TNF-blokkers op de markt zijn.

  • Gezien de verschillen tussen het Delta-cohort en de cohorten uit andere landen, lijkt IBD zich in Nederland net iets anders te presenteren.

  • De verschillen tussen een eerder gepubliceerd Nederlands cohort en het Delta-cohort impliceren dat de presentatie van IBD de laatste 2 decennia mogelijk licht is veranderd.

  • Om complicaties en het invaliderende aspect van IBD te voorkomen is het van belang de ziekte zo vroeg mogelijk onder controle te krijgen.

Literatuur
  1. Su CG, Judge TA, Lichtenstein GR. Extraintestinal manifestations of inflammatory bowel disease. Gastroenterol Clin North Am. 2002;31:307-27 Medline. doi:10.1016/S0889-8553(01)00019-X

  2. Barreiro-de Acosta M, et al. Relationship between clinical features of Crohn’s disease and the risk of developing extraintestinal manifestations. Eur J Gastroenterol Hepatol. 2007;19:73-8 Medline. doi:10.1097/01.meg.0000243883.47938.aa

  3. Lockhart-Mummery HE. Symposium. Crohn’s disease: anal lesions. Dis Colon Rectum. 1975;18:200-2 Medline. doi:10.1007/BF02587272

  4. McClane SJ, Rombeau JL. Anorectal Crohn’s disease. Surg Clin North Am. 2001;81:169-83 Medline. doi:10.1016/S0039-6109(05)70279-6

  5. Wolters FL, Russel MG, Stockbrugger RW. Systematic review: has disease outcome in Crohn’s disease changed during the last four decades? Aliment Pharmacol Ther. 2004;20:483-96 Medline. doi:10.1111/j.1365-2036.2004.02123.x

  6. Peyrin-Biroulet L, Loftus EV Jr, Colombel JF, Sandborn WJ. The natural history of adult Crohn’s disease in population-based cohorts. Am J Gastroenterol. 2010;105:289-97 Medline. doi:10.1038/ajg.2009.579

  7. Romberg-Camps MJ, et al. Inflammatory Bowel Disease in South Limburg (the Netherlands) 1991-2002: Incidence, diagnostic delay, and seasonal variations in onset of symptoms. J Crohn’s Colitis. 2009;3:115-24. doi:10.1016/j.crohns.2008.12.002

  8. Burger D, Travis S. Conventional medical management of inflammatory bowel disease. Gastroenterology. 2011;140:1827-37.e2. Medline

  9. , geraadpleegd op 11 februari 2014.

  10. Baars JE, et al. The risk of inflammatory bowel disease-related colorectal carcinoma is limited: results from a nationwide nested case-control study. Am J Gastroenterol. 2011;106:319-28 Medline. doi:10.1038/ajg.2010.428

  11. Lennard-Jones JE. Classification of inflammatory bowel disease. Scand J Gastroenterol Suppl. 1989;24:2-6, discussion 16-9 Medline. doi:10.3109/00365528909091339

  12. Nuij VJ, et al. Phenotype of Inflammatory Bowel Disease at Diagnosis in the Netherlands: A Population-based Inception Cohort Study (the Delta Cohort). Inflamm Bowel Dis. 2013;19:2215-22 Medline. doi:10.1097/MIB.0b013e3182961626

  13. Prenzel F, Uhlig HH. Frequency of indeterminate colitis in children and adults with IBD - a metaanalysis. J Crohn’s Colitis. 2009;3:277-81. doi:10.1016/j.crohns.2009.07.001

  14. Shivananda S, et al. Incidence of inflammatory bowel disease across Europe: is there a difference between north and south? Results of the European Collaborative Study on Inflammatory Bowel Disease (EC-IBD). Gut. 1996;39:690-7 Medline. doi:10.1136/gut.39.5.690

  15. Langholz E. Ulcerative colitis. An epidemiological study based on a regional inception cohort, with special reference to disease course and prognosis. Dan Med Bull. 1999;46:400-15 Medline.

  16. Vind I, et al. Increasing incidences of inflammatory bowel disease and decreasing surgery rates in Copenhagen City and County, 2003-2005: a population-based study from the Danish Crohn colitis database. Am J Gastroenterol. 2006;101:1274-82 Medline. doi:10.1111/j.1572-0241.2006.00552.x

  17. Stowe SP, et al. An epidemiologic study of inflammatory bowel disease in Rochester, New York. Hospital incidence. Gastroenterology. 1990;98:104-10 Medline.

  18. Henriksen M, et al. Ulcerative colitis and clinical course: results of a 5-year population-based follow-up study (the IBSEN study). Inflamm Bowel Dis. 2006;12:543-50 Medline. doi:10.1097/01.MIB.0000225339.91484.fc

  19. Henriksen M, et al. Clinical course in Crohn’s disease: results of a five-year population-based follow-up study (the IBSEN study). Scand J Gastroenterol. 2007;42:602-10 Medline. doi:10.1080/00365520601076124

  20. Jess T, et al. Changes in clinical characteristics, course, and prognosis of inflammatory bowel disease during the last 5 decades: a population-based study from Copenhagen, Denmark. Inflamm Bowel Dis. 2007;13:481-9 Medline. doi:10.1002/ibd.20036

  21. Gheorghe C, et al. Epidemiology of inflammatory bowel disease in adults who refer to gastroenterology care in Romania: a multicentre study. Eur J Gastroenterol Hepatol. 2004;16:1153-9 Medline. doi:10.1097/00042737-200411000-00012

  22. Economou M, et al. Crohn’s disease incidence evolution in North-western Greece is not associated with alteration of NOD2/CARD15 variants. World J Gastroenterol. 2007;13:5116-20 Medline.

  23. Lakatos PL. Recent trends in the epidemiology of inflammatory bowel diseases: up or down? World J Gastroenterol. 2006;12:6102-8 Medline.

  24. Loftus CG, et al. Update on the incidence and prevalence of Crohn’s disease and ulcerative colitis in Olmsted County, Minnesota, 1940-2000. Inflamm Bowel Dis. 2007;13:254-61 Medline. doi:10.1002/ibd.20029

  25. Ott C, et al. The incidence of inflammatory bowel disease in a rural region of Southern Germany: a prospective population-based study. Eur J Gastroenterol Hepatol. 2008;20:917-23 Medline. doi:10.1097/MEG.0b013e3282f97b33

  26. Geboes K, et al. Indeterminate colitis: a review of the concept--what’s in a name? Inflamm Bowel Dis. 2008;14:850-7 Medline. doi:10.1002/ibd.20361

  27. Moum B, et al. Incidence of ulcerative colitis and indeterminate colitis in four counties of southeastern Norway, 1990-93. A prospective population-based study. The Inflammatory Bowel South-Eastern Norway (IBSEN) Study Group of Gastroenterologists. Scand J Gastroenterol. 1996;31:362-6 Medline. doi:10.3109/00365529609006411

  28. Moum B, et al. Incidence of Crohn’s disease in four counties in southeastern Norway, 1990-93. A prospective population-based study. The Inflammatory Bowel South-Eastern Norway (IBSEN) Study Group of Gastroenterologists. Scand J Gastroenterol. 1996;31:355-61 Medline. doi:10.3109/00365529609006410

  29. Eglinton TW, Barclay ML, Gearry RB, Frizelle FA. The spectrum of perianal Crohn’s disease in a population-based cohort. Dis Colon Rectum. 2012;55:773-7 Medline. doi:10.1097/DCR.0b013e31825228b0

  30. Romberg-Camps M, et al. Mortality in inflammatory bowel disease in the Netherlands 1991-2002: results of a population-based study: the IBD South-Limburg cohort. Inflamm Bowel Dis. 2010;16:1397-410 Medline. doi:10.1002/ibd.21189

Auteursinformatie

*Dit onderzoek werd eerder gepubliceerd in Inflammatory Bowel Disease (2013;19:2215-22) met als titel ‘Phenotype of Inflammatory Bowel Disease at Diagnosis in the Netherlands: A Population-based Inception Cohort Study (the Delta Cohort)’. Afgedrukt met toestemming.

**Namens de Dutch Delta IBD Groep.

Erasmus MC, af. Maag- Darm- en Leverziekten, Rotterdam.

Drs. V.J.A.A. Nuij, arts-onderzoeker; dr. Z. Zelinkova en dr. C.J. van der Woude, mdl-artsen.

Amphia Ziekenhuis, afd. Maag- Darm- en Leverziekten, Breda.

Dr. M.C.M. Rijk, mdl-arts.

Albert Schweitzer ziekenhuis, afd. Maag- Darm- en Leverziekten, Dordrecht.

Dr. R. Beukers, mdl-arts.

Ikazia Ziekenhuis, afd. Maag- Darm- en Leverziekten, Rotterdam.

Dr. R.J.T. Ouwendijk, mdl-arts.

Reinier de Graaf Gasthuis, afd. Maag- Darm- en Leverziekten, Delft.

Drs. R. Quispel, mdl-arts.

Sint Franciscus Gasthuis, afd. Maag- Darm- en Leverziekten, Rotterdam.

Dr. A.J.P. van Tilburg, mdl-arts.

IJsselland Ziekenhuis, afd. Maag- Darm- en Leverziekten, Capelle aan de IJssel.

Dr. T.J. Tang, mdl-arts.

Lievensberg Ziekenhuis, afd. Interne Geneeskunde, Bergen op Zoom.

Drs. H. Smalbraak, internist.

TweeSteden Ziekenhuis, afd. Maag- Darm- en Leverziekten Tilburg.

Dr. K.F. Bruin, mdl-arts.

Franciscus Ziekenhuis, afd. Maag- Darm- en Leverziekten, Roosendaal.

Drs. F. Lindenburg, mdl-arts.

Nancy University Hospital, Université de Lorraine, afd. Maag- Darm- en Leverziekten, Vandoeuvre-les-Nancy, Frankrijk.

Prof.dr. L. Peyrin-Biroulet, mdl-arts.

Contact drs. V.J.A.A. Nuij (v.nuij@erasmusmc.nl)

Verantwoording

De volgende artsen en verpleegkundigen in de deelnemende centra in Nederland droegen bij aan de studie: Claudia Rogge, Bart Veldt en Rutger Quispel (Reinier de Graaf Gasthuis, Delft); Antonie van Tilburg en Rachel West (Sint Franciscus Gasthuis, Rotterdam); Rob Ouwendijk en Corry Leunis (Ikazia ziekenhuis, Rotterdam); Thjon Tang (IJsselland Ziekenhuis, Capelle aan den IJssel); Ruud Beukers en Wendy Dekker (Albert Schweitzer ziekenhuis, Dordrecht); Marno Rijk en Liesbeth Staal (Amphia Ziekenhuis, Breda); Karlien Bruin (TweeSteden ziekenhuis, Tilburg); Hermen Smalbraak, (Lievensberg ziekenhuis, Bergen op Zoom); en Flordeliz Lindenburg en Kitty Joachems-Raaijmaekers (Franciscus Ziekenhuis, Roosendaal). Anne-Marie Edel en Mariska Wiggers hielpen met de dataverzameling.
Belangenconflict: formulieren met belangenverklaringen zijn beschikbaar bij dit artikel op www.ntvg.nl (zoeken op A7119; klik op ‘Belangenverstrengeling’). Financiële ondersteuning voor dit artikel: V.J.A.A. Nuij en C.J. van der Woude ontvingen een subsidie van Dr. Falk Benelux B.V.
Aanvaard op 31 januari 2014

Auteur Belangenverstrengeling
Veerle J.A.A. Nuij ICMJE-formulier
Zuzana Zelinkova ICMJE-formulier
Marno C.M. Rijk ICMJE-formulier
Ruud Beukers ICMJE-formulier
Rob J.T. Ouwendijk ICMJE-formulier
Rutger Quispel ICMJE-formulier
Antonie J.P. van Tilburg ICMJE-formulier
Thjon J. Tang ICMJE-formulier
Hermen Smalbraak ICMJE-formulier
Karlien F. Bruin ICMJE-formulier
Flordeliz Lindenburg ICMJE-formulier
Laurent Peyrin-Biroulet ICMJE-formulier
C. Janneke van der Woude ICMJE-formulier

Ook interessant

Reacties