Falloppius en zijn tuba uterina

Perspectief
Jan van Gijn
Joost P. Gijselhart
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2011;155:A3639
Abstract

Gabriele Falloppio (1523-1562; ook bekend als Falloppia en – gelatiniseerd – als Falloppius) stamt uit een aanzienlijke maar verarmde familie in Modena, Italië. Voor goed onderwijs is hij aangewezen op het priesterschap. Na een paar jaar liturgische dienst in de plaatselijke kathedraal kan hij verder studeren in de geneeskunde, in Modena en Ferrara.1 Ook als arts blijft hij een eenvoudig en karig leven leiden. Na een docentschap in de kruidenkunde in Ferrara en een hoogleraarschap anatomie in Pisa wordt hij in 1551 hoogleraar anatomie en chirurgie te Padua.

Figuur 1

De universiteit van Padua was in 1222 gesticht op verzoek van docenten en studenten rechten en theologie uit Bologna, die zich ingeperkt voelden door de pauselijke macht.1 In Padua wordt de academische vrijheid beschermd door de zeevarende en liberale stadsstaat Venetië. Van de 15e tot de 18e eeuw is Padua een bron van wetenschappelijke activiteit in de westerse wereld, ook voor de geneeskunde. Andreas Vesalius (1515-1564), een van Falloppius’ voorgangers als hoogleraar, schreef en illustreerde hier zijn beroemde boek uit 1543 over de menselijke anatomie De humani corporis fabrica libri septem; een eeuw later doen onder meer William Harvey en Johannes Wepfer er inspiratie op.

Falloppius publiceert in 1561 (1 jaar voor zijn dood) een verzameling losse waarnemingen, ter aanvulling op het anatomische werk van Vesalius. Wat betreft de vrouwelijke geslachtsorganen geeft hij een veel nauwkeuriger beschrijving van de uitwendige delen dan Vesalius. Ook beschrijft hij de inwendige anatomie. De eileiders waren al eerder opgemerkt, onder anderen door Herophilos (335-280 v. Chr.) wiens nu verdwenen geschriften aangehaald worden door Galenus (129-216). Naar analogie van de mannelijke geslachtsorganen werden de eileiders beschouwd als de afvoerkanalen van de vrouwelijke ‘testes’, waarbij het moederlijke ‘zaad’ als voeding dient voor de uitgroei van het mannelijke sperma.2 Wel was het Vesalius in het eerder genoemde boek opgevallen dat de vrouwelijke ‘zaadleiders’ om de dito ‘testes’ heen gekruld liggen, in plaats van dat zij een aanhechting op 1 plaats hebben, zoals bij de epididymis.

Fallopius schrijft over het ‘zaadkanaal’ (meatus seminarius):3 ‘… ontspringt zeer dun en nauw, zenuw-achtig en wit aan de … baarmoeder, wordt langzamerhand wijder … krult zich als een wijnrank … heeft een zeer breed einde … alsof het rafels (fimbriae) van versleten lappen zijn … en een grote opening, die altijd afgesloten is door het samenvallen van die eindstandige rafels, die – wanneer zij voorzichtig worden geopend en uiteengevouwen – het open uiteinde van een soort koperen trompet (tuba) nabootsen.’ Vesalius reageert op deze en andere waarnemingen met een vriendschappelijk weerwoord, waarin hij volhoudt dat de tuba geen opening kent. Bij de verschijning ervan is Falloppius echter al overleden.4

De ware functie van de tubae ontgaat Falloppius en de andere onderzoekers nog ongeveer een eeuw lang, tot Reinier de Graaf rond 1672 ontdekt dat zij dienen voor transport van de vrouwelijke eicel; overigens ziet De Graaf de later naar hem genoemde follikels aan voor dit ‘ovum’.5

Falloppius droeg naast de beschrijving van de tubae veel bij aan de anatomische kennis van middenoor, binnenoor en omgevende structuren. Hij schreef daarnaast over geneeskundige onderwerpen zoals syfilis (‘Franse ziekte’) en het nut van condooms. Ook na hem werkten in Padua talrijke beroemde anatomen.

Literatuur
  1. Del Nero P, ed. L’Università di Padova – otto secoli di storia. Padova: Signum Padova; 2001.

  2. Herrlinger R, Feiner E. Why did Vesalius not discover the Fallopian tubes? Med. Hist. 1964;8:335-41.

  3. Falloppius G. Observationes anatomicae. Venetiis: apud Marcum Antonium Ulmum; 1561.

  4. Vesalius A. Anatomicarum Gabrielis Faloppii observationum examen. Venetiis: apud Franciscum de Franciscis, Senensem; 1564. p. 148.

  5. Graaf, R de. De mulierum organis generationi inservenientibus tractatus novus. Lugd. Batav.: ex officina Hackiana; 1672.

Auteursinformatie

Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Amsterdam.

Prof.dr. J. van Gijn, curator medisch-historische bibliotheek en drs. J.P. Gijselhart, cultuurfilosoof en bibliothecaris.

Contact prof.dr. J. van Gijn (jan@vangijn.com)

Verantwoording

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: J.P. Gijselhart heeft een deeltijdaanstelling bij de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.
Aanvaard op 7 juni 2011

Gerelateerde artikelen

Reacties