Een vliegtuigramp in een huisartspraktijk; posttraumatische reacties in de eerste vier weken na de ramp in de Bijlmermeer

Klinische praktijk
J.S. Meijer
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1992;136:2553-8
Download PDF

Dames en Heren,

Op 4 oktober 1992 boorde zich om 18.36 uur een jumbojet in de flatgebouwen Kruitberg en Groeneveen, in de wijk Bijlmermeer van Amsterdam. Binnen enkele minuten stortten 28 flats in en werden ruim 200 flats door de schok of de vuurzee onherstelbaar beschadigd; daarbij kwamen bijna 50 mensen om, en werd een nog veel groter aantal mensen dakloos. In Groeneveen heb ik sinds 1970, samen met een collega, een praktijk van ongeveer 3000 mensen (figuur). Een groot deel van de flatbewoners staat al jaren bij ons ingeschreven.

In de eerste 4 weken na de ramp werden wij geconsulteerd door patiënten met een scala aan lichamelijke en psychische klachten en met hulpvragen die verband hielden met deze ramp. Daarbij werd snel duidelijk dat er een zeer grote spreiding in het soort reacties bestond. Alvorens hierin enige huisartsgeneeskundige ordening aan te brengen, wil ik u een aantal patiënten voorstellen.

Een Surinaams gezin bestaande uit patiënt A, een man van 50 jaar, patiënt B, zijn vrouw van 39 jaar, en twee kinderen, patiënt C, een jongen van 16 jaar en patiënt D, een meisje van 14 jaar was tot 7 minuten vóór de inslag in hun huis op de 5e verdieping bijeen. Op weg naar kennissen in een nabijgelegen flatgebouw hoorden de ouders ‘een donderslag als bij een onweer’: een vliegtuig had in één klap hun huis, hun beide kinderen en al hun bezittingen vernietigd. Na het eerste ongeloof renden zij terug naar hun brandende woning, door een chaotische menigte gillende mensen. De benen van de man weigerden dienst, de vrouw kon door de vlammen haar woning niet meer bereiken. Vanaf dat moment bezaten zij niets anders meer dan elkaar en de kleren die zij aan hadden. Verdoofd lieten zij zich meenemen naar het dichtstbijzijnde politiebureau. Later op de avond trokken zij in bij de moeder van de vrouw, elders in de zuidoost-lob van het flatgebouw.

De vrouw en de kinderen woonden sinds 1985 in Nederland, maar waren pas kort in de praktijk ingeschreven. Ik had haar viermaal en de kinderen sporadisch gezien. De man was recentelijk na jaren weer met zijn gezin herenigd; sindsdien had hij mij tweemaal wegens hypertensie bezocht.

Vier dagen na de ramp zag mijn collega hem voor het eerst. Hij leek opmerkelijk kalm en hoopte nog steeds dat de kinderen ergens zouden opduiken. Het zou toen nog zeven dagen duren voordat hun lichamen werden geïdentificeerd. De verwerking kwam langzaam op gang. Tijdens de herdenkingsplechtigheid op de plaats van de ramp raakte de vrouw emotioneel gedecompenseerd; zij werd gefilmd en gefotografeerd door pers en televisie.

In de tweede week zag ik patiënt A op het spreekuur; ik had hem gevraagd te komen na een telefoontje van een maatschappelijk werker van de GG&GD dat meneer A zo ‘rustig’ was. Hij zei blij te zijn dat de kinderen waren gevonden, zodat hij ze kon begraven. Hij maakte zich zorgen over zijn vrouw en vroeg mij haar te bezoeken omdat zij absoluut niet meer in de buurt van de getroffen flat wilde komen. Toen ik haar zag, zat zij in een stoel naar de TV te staren, die beelden over de ramp in Egypte toonde. Zij voelde zich ‘leeg van binnen’, maar vertelde na enige tijd toch haar verhaal: de ramp, de herdenking en de uitzichtloosheid van het leven. Doffe berusting, maar fysiek voor het moment veilig te midden van familie en bekenden; wel gekweld door overkomende vliegtuigen en spontaan opkomende beelden van de ramp. Op mijn aandringen aanvaardde zij een recept voor temazepam 20 mg om althans 's nachts enige rust te vinden.

De familie ving het echtpaar goed op. De moeder van de vrouw was actief in de Surinaamse kerk, zodat de begrafenis volgens eigen tradities geregeld kon worden. De man had contact gezocht met een Surinaamse psychiater, die graag in samenwerking met de huisarts wilde helpen. Ook werd hun een nieuw huis elders in de stad toegewezen.

Bij een bezoek in de vierde week zat de vrouw in dezelfde stoel voor de TV, maar zij leek wel wat actiever. Zij zei eigenlijk het liefst de hele dag in bed te blijven om niet steeds weer bekenden te hoeven ontmoeten die door hun medeleven de psychische wonden weer openreten. Wel was zij een paar maal de deur uit geweest om zaken te regelen: zo had zij bij het ziekenfonds al gezegd een andere huisarts te willen, omdat zij voor geen geld meer naar onze praktijkruimte wilde komen. Haar man wilde graag blijven. Met gemengde gevoelens nam ik afscheid van haar.

Commentaar: er is een vergrote kans op een langdurige gestoorde verwerking van het verdriet (posttraumatische stress-stoornis). Goede coördinatie van zorg, in overleg met de nieuwe huisarts, is nodig.

Van een familie die sinds 1984 in de praktijk staat ingeschreven, bestaande uit patiënt E, een Nederlandse man van 40 jaar, patiënt F, een 38-jarige vrouw afkomstig uit Curaçao, en patiënt G, een zoontje van 12 jaar, komen de man en het zoontje niet vaak – de vrouw zie ik regelmatig wegens knieklachten en gynaecologische problemen. Op het moment van het ongeluk was de man niet thuis. De vrouw kreeg in de keuken een opspringende deksel op haar voet. Verlamd van schrik werd zij door haar zoontje het huis uit gesleurd. De aangrenzende flat was al ingestort, de vlammen sloegen om hen heen. In de chaos op de trap stootte zij waarschijnlijk haar hoofd.

Ik zag het gezin 's nachts om 01.00 uur (ruim zes uur na de ramp) in de als opvangcentrum ingerichte sporthal; zij leken ongedeerd. De vrouw klaagde over een drukkende pijn links in haar hoofd en leek wat suf. Eén van de aanwezige artsen had haar een tabletje gegeven (vermoedelijk diazepam 5 mg). Daar er geen tekenen van een ernstig schedelletsel waren, was evacuatie naar het gemeentelijk noodverblijf gewenst. Vervoer bleek niet te vinden, zodat ik de familie zelf naar het noodhotel bracht en in bed stopte; dat hielp mij trouwens bij het overwinnen van mijn gevoel van machteloosheid.

Later in de week werd bij de vrouw op een EHBO-post een ‘cervicale myalgie’ vastgesteld en werd haar een halskraag voorgeschreven. De man was de eerste week zeer actief, zowel voor zijn gezin – zij waren alles kwijt – als in radio- en televisieprogramma's. Hij vond dat anderen op hem moesten kunnen steunen en miste af en toe een uitlaatklep voor zijn eigen emoties.

Het zoontje wilde absoluut niet alleen zijn. Hij sliep aanvankelijk veel bij vader in bed en liep zijn moeder als een hondje achterna. Na anderhalve week ging hij aarzelend weer naar school; hij kon zich niet goed vinden in de groepsgesprekken waarin hij centraal stond. Bij een bezoek aan een vriendje in de buurt van het rampgebied schrok hij zo van de overkomende vliegtuigen dat hij snel weer naar zijn ouders wilde. Hij slaapt in het algemeen goed, maar is erg in zichzelf gekeerd.

Ik zag het gezin nog éénmaal, in het hotel. Er was hun een gerenoveerd huis in de buurt aangeboden en zij hadden geen financiële zorgen: de bank, de verzekering en de Gemeentelijke Sociale Dienst waren zeer behulpzaam. De vrouw had weinig last meer van haar nek en dronk weer koffie met haar vriendinnen. Wel had zij soms agressieve buien, waarin zij in machteloze woede op de tafel sloeg: ‘Waarom moest haar dit overkomen?’.

De man heeft van zijn werkgever drie maanden betaald verlof gekregen. Hij kan zijn emoties moeilijk kwijt; hij vertelt dat hij bij een bezoek aan het nieuwe aanloopcentrum in de Bijlmermeer de indruk kreeg dat hij daar ‘als gewone Nederlander’ niet welkom was. Ook in het noodhotel was de opvang naar zijn idee minder geworden door de preoccupatie van de hulpverleners met de problemen van illegalen.

Commentaar: de ouders zullen zich in het komende halfjaar vermoedelijk sneller aanpassen, maar bij het zoontje moet goed opgelet worden. Het gezin zal vermoedelijk binnen een half jaar een andere huisarts hebben.

Tien dagen na de ramp werd ik om 8.30 door de politie gebeld dat patiënt H, een 35-jarige vrouw, al enige uren in verwarde toestand op het bureau zat. Zij is sinds 4 jaar bij mij ingeschreven en niet bekend wegens een psychiatrische voorgeschiedenis. Zij woonde in een onherstelbaar beschadigde flat, waaruit zij in paniek, maar zonder levensgevaar is gevlucht. Pas na enige dagen mocht zij er weer in om wat spullen op te halen. Zij verbleef nu tijdelijk bij haar ex-echtgenoot in een naburig flatgebouw. Bij aankomst in de praktijk bleek zij goed aanspreekbaar, en vertoonde zij geen derealisatie- of depersonalisatieverschijnselen. Wel had zij ‘het gevoel dat iedereen haar vreemd aankeek’ en had zij dagenlang slecht geslapen; zij wist niet meer wat er precies was gebeurd. Zij overwoog naar haar zuster elders in het land te gaan. Overeenkomstig het algemene advies dat ons enige dagen na de ramp op een voorlichtingsbijeenkomst door psychiaters werd gegeven,1 kreeg zij alleen temazepam 20 mg voor de nacht. Anderhalf uur later was zij weer verward en schakelde ik de Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (RIAGG) in; bij huisbezoek bleek dat de toestand zich enigszins had gestabiliseerd. De RIAGG-medewerkers waren van oordeel dat patiënte vooral bang was om – net als met haar moeder was gebeurd – in een psychiatrische inrichting terecht te komen; er zou geen sprake zijn van een psychiatrische stoornis maar van activering van reeds bestaande angst. 's Nachts ging patiënte weer zwerven en gaf de dienstdoende huisarts aan de ex-echtgenoot enkele tabletten haloperidol 5 mg om haar te sederen. De volgende ochtend riep mijn associée nogmaals de medewerking van het RIAGG in. Dat kostte nogal wat moeite: men meende daar dat zij zich aanstelde en geen specifieke psychiatrische hulp nodig had.

In feite was patiënte prepsychotisch: zij werd geobsedeerd door de zwarte doos, die voor haar een symbool was van de dood. Nadat haar huisvesting was geregeld, had zij geen haloperidol meer nodig en klaarde het beeld snel op. Ik zag haar niet meer terug.

Commentaar: waarschijnlijk zullen zich geen nieuwe problemen voordoen. Diepgaande exploratie van de angst is naar de mening van het RIAGG, gezien de familieanamnese (moeder en een zuster verblijven beiden in een inrichting), gecontraïndiceerd. Ook daar beperkte men zich tot begeleidende contacten om patiënte bij de verwerking te ondersteunen.

Patiënt J is een dame van 64 jaar, die ik in de afgelopen 16 jaar circa 50 keer gezien heb. Zij woont alleen, in een deel van de flat waarvan de bewoners wel geëvacueerd zijn wegens instortings- en ontploffingsgevaar, maar waar geen sprake is geweest van levensgevaar of van ernstige schade aan woning of bezittingen. Zij heeft het gekantelde vliegtuig het flatgebouw zien raken en heeft nog net een omvallende kast kunnen ontwijken. Hevig geschrokken zag zij kans wat geld, een handtasje en een jas mee te nemen, vóór zij haar woning verliet. Toen haar enige uren later de toegang tot haar woning werd ontzegd, ging zij heimelijk naar binnen en verstopte zich daar dagenlang voor de politie.

Op de vierde dag kwam zij naar het spreekuur om haar bloeddruk te laten meten. Deze bleek niet gestegen. Pas op een directe vraag vertelde zij haar verhaal, niet opvallend zenuwachtig. Vier weken later komt zij weer voor controle. Dan lijken de emoties tot uiting te komen, en zij klaagt over pijn rond de hartstreek. De bloeddruk bedraagt 14090 mmHg. Het Leger des Heils is een paar keer bij haar geweest en collega's bellen haar dagelijks; contact met andere hulpverleners heeft zij niet gezocht. Na de ramp is zij nog niet naar haar werk gegaan. Zij zegt wel wat schrikachtig te zijn bij geluiden, maar bang voor vliegtuigen is zij niet: ‘Het zijn net grote bromvliegen’. Zij is een huiselijk iemand, erg op haar spulletjes gesteld: het feit dat zij haar huis uit moet, maakt dat zij zich machteloos voelt. Zij wil gewoon onder controle blijven voor hypertensie; ik heb haar geadviseerd eens contact te zoeken in het inloopcentrum in de buurt.

Commentaar: zodra de huisvesting goed geregeld is, zullen er waarschijnlijk geen ernstige moeilijkheden zijn met de aanpassing. Als zij in de praktijk blijft, vormt de behandeling van de hypertensie de basis voor verdere begeleiding.

Patiënt K, een man van 30 jaar, sinds 2 jaar bij mij ingeschreven, komt 10 dagen na de ramp op het spreekuur: hij wil iets voor het slapen. Hij is vanuit zijn flat getuige geweest van de inslag met de enorme klap, de brand en het gegil van rennende en uit het gebouw springende mensen. Hij is binnen gebleven en hoefde ook niet te worden geëvacueerd. Om de voortdurende aanblik van het rampgebied te ontvluchten, is hij de eerste week uit logeren gegaan. Nu heeft hij – tot zijn verrassing – slaapproblemen. Met een recept voor 10 tabletten temazepam 20 mg voor de nacht lijkt het probleem opgelost.

Commentaar: er zal geen langdurige beperking van het functioneren zijn.

Patiënt L, een 40-jarige Pakistaanse man, sinds 10 jaar in de praktijk en bekend als hartpatiënt na een aortaklepprothese, komt op de vijfde dag na de ramp heftig geëmotioneerd om een medische verklaring voor een andere woning. Hij woont met zijn gezin met 7 kinderen in een 4-kamerflat in een onbeschadigd gedeelte van het flatgebouw, dat niet direct op het rampgebied uitkijkt. De kinderen zijn hevig geschrokken en willen niet meer thuis slapen. Hij staat al jaren op een wachtlijst voor een ruimere woning en heeft in het opvangcentrum gehoord dat het nog wel een half jaar kan duren voor hij aan de beurt is. De anderen krijgen direct een huis, maar hij moet wachten. De dokter is nog de enige uitkomst.

Ik overhandig hem de standaardbrief waarin staat dat ook wij aan procedures gebonden zijn, en dat hij zich tot de artsen van de afdeling Herhuisvesting van de gemeente moet wenden. Enigszins bedaard gaat hij naar huis.

Commentaar: patiënt heeft een kortdurende angstreactie. Mogelijk is er toch meer kans op een andere woning in de nabije toekomst.

Patiënt M, een Ghanese studente van 25 jaar, legaal in ons land en verzekerd bij het ziekenfonds, zie ik voor het eerst 3 weken na de ramp, wegens buikpijn. Zij kon na de ramp aanvankelijk op haar kamer blijven wonen, maar moest deze na een gasontploffing een week later definitief verlaten. Een vage bekende buiten de stad, bij wie zij haar toevlucht had gezocht, verkrachtte haar. Terug in Amsterdam bleek zij als onderhuurster geen aanspraak op vervangende huisvesting te kunnen maken. Een maatschappelijk werkster bracht haar naar nonnen in de binnenstad van Amsterdam, waar zij vervolgens geheel overstuur raakte.

Na onderzoek kan ik haar geruststellen: haar buikpijn duidt niet op een ernstige ziekte, maar zal eerder een reactie op alle spanningen zijn.

Commentaar: vermoedelijk zal ik patiënte niet terugzien.

Op patiënt H na woonden alle besproken patiënten in één van de vier delen van de flat Groeneveen (zie figuur). In deel A en het daaraan vastzittende deel van Kruitberg was de verwoesting het grootst: daar moesten bewoners met levensgevaar vluchten. Uit deel B werden alle bewoners geëvacueerd, maar de woningen bleven grotendeels intact, en konden snel weer betrokken worden. Deel C bleef bewoond: mensen die daar woonden, werden voortdurend met de beelden van de verwoesting geconfronteerd. Deel D, waarin onze huisartspraktijk zich bevindt, liep geen schade op. De bewoners hebben altijd wel last van vliegtuiglawaai, maar kijken niet uit op het rampgebied.

De door ons waargenomen eerste individuele reacties zijn in tabel 1 naar de 3 belangrijkste oorzaken gerangschikt. Zowel de fysieke en de psychische bedreiging als de acute ontworteling namen met de afstand tot de inslag af, grofweg volgens de indeling van het flatgebouw. Op grond van deze criteria kon een huisartsgeneeskundig relevante indeling in groepen patiënten worden gemaakt (tabel 2).

De groep zwaar getroffenen – degenen die familie of vrienden verloren of acuut levensgevaar of verlies van hun huis ervoeren – zullen waarschijnlijk gedurende een lange periode actieve en praktische hulp nodig hebben (de patiënten A, B en E-H). Deze groep zal door verhuizing helaas snel uit onze gezichtskring verdwenen zijn.

Van de groep mensen die tijdelijk geëvacueerd is geweest, hebben wij er veel op het spreekuur gezien. Zij worstelen met de vraag of zij zullen blijven of vertrekken. Dit geldt minder voor mensen van wie de woning intact is gebleven; maar ook uit deze groep willen sommigen verhuizen, uit angst voor een herhaling. Ook zij zullen mogelijk een tijdlang een groter beroep op ons doen. Van de groep getuigen op afstand (mensen die voornamelijk geschrokken zijn van de algemene chaos) verwachten wij in de meeste gevallen geen langdurige reacties: hier bepalen levensgeschiedenis en persoonlijkheid de mogelijkheden voor aanpassing en de behoefte aan hulp. Maar door activering van eerdere traumatische ervaringen – zoals de vliegramp in Suriname – kan ook relatief geringe blootstelling aan de vliegramp tot een heftige reactie leiden.

Een speciale groep vormen de personen zonder geldige verblijfsvergunning, die naast alles ook nog te maken hebben met de mogelijkheid dat zij niet als slachtoffer worden erkend of zelfs dat zij worden uitgezet.

Een ramp als deze treft zowel slachtoffers als hulpverleners.2 De huisartsen in de Bijlmermeer werden ineens geconfronteerd met een overmaat aan emotionele problemen bij hun patiënten en met een toegenomen werkbelasting; ook vertoonden zij dezelfde reacties als de slachtoffers. In enkele bijeenkomsten konden zij ervaringen uitwisselen en daar ontstond een algemeen beeld van de eerste reacties op de ramp, zowel van de patiënten als van onszelf.

In de eerste uren speelden de huisartsen nauwelijks een hulpverlenende rol – er was behoefte om bij de patiënten te zijn, onmacht omdat wij niets konden doen en onzekerheid over het lot van patiënten. De eerste dagen werd veel geluisterd naar de verhalen van patiënten, die soms met heftige huilbuien na slapeloze nachten werden verteld. Aanvankelijk gaven wij iedereen tranquillizers; na een voorlichtingsbijeenkomst met psychiaters nog slechts slaapmiddelen om de ‘dissociatie tussen “arousal” en gevoelens niet te versterken’. Wij vonden het prettig iets te kunnen voorschrijven als tegenwicht tegen de frustratie over de grote vraag naar medische verklaringen voor een ander huis. De spreekuren waren niet drukker maar wel zwaarder: het leek wel of de gebruikelijke patiënten wegbleven. Eenmaal thuis werd er uren met familie en vrienden getelefoneerd – een eigen vorm van opvang. De herdenkingsplechtigheid in de Bijlmer was ook voor de huisartsen heilzaam.

In de tweede week zagen wij veel slaapstoornissen en patiënten die het beleefde in tweede instantie toch niet aankonden. Maar ook de ‘gewone’ patiënten kwamen weer terug. Sommige huisartsen verwezen vaker, anticiperend op komende overbelasting. Samenwerking met vertegenwoordigers van andere medische disciplines ontstond nauwelijks.

In de derde week kwamen de vliegtuigen weer over de wijk en hoorden wij veel klachten over schrikreacties en herbeleving van de traumatische gebeurtenissen. Enkele patiënten zagen wij een tweede keer, velen ook niet. Zij waren elders gehuisvest of wilden niet naar een praktijk dicht bij het rampgebied komen. Van de zwaarst getroffenen wisten wij vaak niet waar zij verbleven. Geleidelijk zagen we meer slachtoffers die illegaal in ons land verbleven, en ontheemd en niet officieel als slachtoffer erkend, uit angst voor uitzetting een bezoek aan de dokter hadden uitgesteld. In de vierde week gingen de lichamelijke klachten overheersen. Soms hoorden wij dat ook een slaapmiddel geen garantie was voor een nacht zonder nachtmerries.

De ramp in de Bijlmermeer heeft een aantal specifieke kenmerken die samenhangen met de bouw van de wijk, en met de multiraciale bevolking; daardoor was er veel behoefte aan hulpverlening binnen het raamwerk van de eigen taal en de eigen rituelen. Het was duidelijk dat er geen rampenplan voor de extramurale hulpverlening bestond. Het bestaande patroon van nulde-, eerste- en tweedelijnshulpverlening werd snel doorbroken door nieuw gevormde hulp van gemeentelijke sociale instellingen en welzijnsorganisaties. Ook het RIAGG veranderde ongewild van een tweedelijnsinstelling die niet op de voorgrond treedt, in een laagdrempelige eerstelijnsorganisatie met hulpverleners van diverse etnische afkomst. Enige coördinatie ontbrak echter.

Dames en Heren, in de literatuur over rampen wordt een algemene reactie beschreven die vrijwel uniform binnen alle culturen zou optreden bij een heftige schok.3 Bij de patiënten konden wij deze reactie van ontkenning, herbeleving van het trauma en vergrote prikkelbaarheid wel herkennen, maar de individuele reacties waarmee wij als huisartsen werden geconfronteerd, waren vooral bepaald door de persoonlijke en de sociale omstandigheden van de patiënten. Voor de meeste patiënten die wij gezien hebben, verwachten wij geen blijvende schade aan hun gezondheid. Voor de zwaar getroffenen zal, zeker als zij buiten de Bijlmermeer gaan wonen, de hulp gecoördineerd moeten worden.

Literatuur
  1. Gersons BPR. Gevolgen van ernstige trauma's. In:Gersons BPR, red. Acute psychiatrie. Deventer: Van Loghum Slaterus, 1991:172-91.

  2. Alexander DA. Psychological intervention for victims andhelpers after disasters. Br J Gen Pract 1992; 40: 345-8.

  3. Velde W op den. Posttraumatische stress-stoornissen.Ned Tijdschr Geneeskd 1989; 133:1586-93.

Auteursinformatie

Universiteit van Amsterdam, Instituut voor Huisartsgeneeskunde, Meibergdreef 15, 105 AZ Amsterdam.

J.S.Meijer, huisarts.

Gerelateerde artikelen

Reacties