Dosis solum facit venenum, ook bij plantaardige producten

Opinie
J. van Noordwijk
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2002;146:100-2
Abstract
Download PDF

Zie ook het artikel op bl. 124.

Het artikel van Crijns et al. elders in dit nummer over acute hepatitis na gebruik van een plantaardig product met stinkende gouwe (Chelidonium majus)1 herinnert ons er nog weer eens aan dat plantaardige producten veel gevaarlijker kunnen zijn dan veel mensen beseffen.

Het eten van planten als middel om kwalen te bestrijden is heel oud, vermoedelijk dateert het al van voor het ontstaan van de mens. Dit gebruik van planten wordt bij dieren van generatie op generatie overgegeven doordat zij het elkaar zien doen en moederdieren het hun jongen voordoen. Twee voorbeelden: (a) een kat eet soms gras, gaat dan braken en raakt daarmee een bal van ingeslikte haren kwijt; (b) in het wild levende chimpansees eten soms herhaalde malen speciale ruwe bladeren als zij last hebben van ingewandswormen: zij verdrijven die doordat de planten hun darmmotiliteit versnellen.2

Het eten van planten als voedsel wordt als vanzelfsprekend beschouwd; toch geldt ook hier de regel dat er een verband is tussen de kwantiteit en het nuttig rendement. De grens tussen gezond voedsel en geneeskrachtig kruid is niet scherp. Veel mensen weten dat het eten van veel pruimen laxerend kan werken; het laxerende effect van het eten van veel papaja is in de tropen eveneens bekend. Op deze wijze werden planten opgenomen in de volksgeneeskunde.

Sommige wilde planten waarvan de mens heeft ontdekt dat ze giftige bestanddelen bevatten, worden door dieren geweigerd als voedsel. In duinvegetaties met een grote konijnendichtheid mijden konijnen het eten van sint-janskruid (Hypericum perforatum) en stinkende gouwe (Chelidonium majus). Men heeft waargenomen dat konijnen in de zomer het giftige jakobskruiskruid sparen, maar 's winters de niet-toxische wortelkroon van deze planten opgraven, uitbijten en opeten: de achtergebleven zijwortels lopen in het volgend jaar weer uit, zodat een kuiltje met verscheidene planten ontstaat. Deze en veel andere boeiende gegevens over de betrekkingen tussen dieren die van planten leven en giftige stoffen in planten zijn te vinden in de Chemisch-ecologische flora van Van Genderen, Schoonhoven en Fuchs.3

Dosis solum facit venenum

Het onderscheid tussen eetbare en giftige planten kreeg in de zestiende eeuw een belangrijke dimensie door de conclusie van Paracelsus dat het van de dosis afhangt of een stof die men inneemt giftig werkt (‘Dosis solum facit venenum’ alleen de dosis maakt het gif). Overigens doceerde dezelfde Paracelsus dat de vorm of de kleur van de bladeren van een plant een aanwijzing kon geven voor het menselijk orgaan waarvoor die plant als geneesmiddel kon dienen: lichte vlekjes op de bladeren van een plant gaven aan dat die plant geschikt was voor de behandeling van longziekten en zo kreeg gevlekt longkruid (Pulmonaria officinalis) zijn naam. Met dezelfde redenering wordt nog steeds neushoornpoeder aangeprezen bij erectiestoornissen.

Het ligt voor de hand dat wanneer een bepaalde plant werd gebruikt bij een ziekte die spontaan genas, aan die plant een geneeskrachtige werking werd toegeschreven.

Wetenschappelijke geneeskunde

In de westerse landen heeft de geneeskunde sinds het begin van de negentiende eeuw een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Het dogma van de humorale pathologie van Hippocrates verloor zijn geloofwaardigheid toen omstreeks 1830 bleek uit het eerste multicentrisch onderzoek in Londen, Edinburgh en Boston, dat bij lijders aan delirium tremens of aan tyfus behandeling met aderlatingen en drastische purgeermiddelen op basis van die leer, meer sterfte veroorzaakte dan alleen verpleging.4 In de periode van therapeutisch nihilisme die daarop volgde, ontstond ruimte voor de ontwikkeling van de microbiologie die inzicht gaf in infectie als de oorzaak van veel ziekten en voor de opkomst van de organische scheikunde die het mogelijk maakte om de werkzame bestanddelen van klassieke geneesmiddelen te identificeren en daarna de chemische stoffen te maken waarmee veel ziekten konden worden behandeld. Na het eerste succes – de ontwikkeling van salvarsan – door Ehrlich in 1907 duurde het een dertigtal jaren voordat de grote stroom van antibacteriële geneesmiddelen begon. Uitwerking van Ehrlichs receptortheorie gaf een leidraad bij het synthetiseren van nieuwe geneesmiddelen, toen het mogelijk werd een duidelijker beeld te krijgen van receptoren op het celoppervlak.

Rationele geneesmiddelontwikkeling

Het gebruik van plantaardige producten als geneesmiddel ging echter al die tijd door, ten dele als volksgeneeskunde zonder kennis van de werkzame bestanddelen van de toegediende planten. Daarnaast ontwikkelde zich echter ook in de experimentele geneeskunde een reeks van toepassingen van verbindingen, bereid uit of afgeleid van bestanddelen van planten, waarvan de werkzaamheid in doelgerichte experimenten was vastgesteld. De ontwikkeling van de organische scheikunde maakte het mogelijk om uit planten die in de volksgeneeskunde werden gebruikt nieuwe werkzame geneesmiddelen te isoleren. Ephedra-soorten werden in 1924 in de westerse geneeskunde ingevoerd, nadat ze al 5000 jaar lang in China werden gebruikt als geneesmiddel; vanaf 1927 wordt efedrine synthetisch bereid.5 Uit de bladeren van Digitalis purpurea werd digitoxine geïsoleerd en uit die van Digitalis lanata digoxine. Dit proces gaat nog steeds door: een recent voorbeeld is de ontwikkeling van artemotil als een nieuw middel tegen malaria uit Artemisia annua.6 7 Wanneer de synthetische producten een grotere activiteit hebben dan het natuurlijke product, wordt ook de kans op toxische nevenwerkingen groter – hetgeen door de voorstanders van het veel minder actieve natuurproduct wordt uitgebuit als argument voor het ‘veiliger en zuiverder natuurproduct’.

Intoxicaties door plantenpreparaten

De keerzijde van het blijven gebruiken van plantaardige producten in de klassieke vorm is echter dat de samenstelling kan variëren naar de groeiplaats, dat het gehalte aan het werkzame bestanddeel kan variëren van een niet-actieve tot een dodelijke concentratie, en dat men niet weet wat voor farmacologisch actieve of toxische stoffen er daarnaast in het preparaat voorkomen. Bovendien zijn ernstige intoxicaties opgetreden doordat in het ‘plantaardig product’ een andere plant was verwerkt dan op het etiket stond. In 1993 stierven meer dan 100 patiënten in België aan een snel voortschrijdende interstitiële nefritis doordat in de vermageringspillen die zij hadden gebruikt niet de wortels van de plant Stephania tetranda waren verwerkt, maar die van Aristolochia fangchi.8 De overeenkomst tussen de Chinese namen van S. tetranda (‘Fangji’) en van A. fangchi (‘Guang fangji’) heeft die verwisseling in de hand gewerkt.9

Bij een vrouw in het Verenigd Koninkrijk die jarenlang een Chinees kruidenpreparaat had gebruikt tegen eczeem ontwikkelden zich tubulusatrofie en interstitiële nefritis; zij kreeg hemodialyse en 3 jaar later een niertransplantatie.10 Een tweede vrouw die jarenlang Chinese kruidenthee had gebruikt tegen chronisch eczeem werd opgenomen wegens nierinsufficiëntie: biopsie toonde uitgebreide necrose van de corticale tubuli en interstitiële fibrose, maar geen symptomen van glomerulonefritis.10 Het beeld werd beschreven als karakteristiek voor Chinese-kruidennefropathie. In de pillen die de beide vrouwen hadden gebruikt, werd met ‘high-performance liquid chromatography’ (HPLC) en massaspectrometrie de aanwezigheid van aristolochiazuur I en II aangetoond.10 Kort voor het verschijnen van de publicatie verbood de Committee on Safety of Medicines in het Verenigd Koninkrijk in een noodmaatregel de invoer, de verkoop en de aflevering van Aristolochia, dat als geneesmiddel op recept verkrijgbaar was.11

Een ander recent voorbeeld van het gevaar van een ‘natuurproduct’ is de epidemie van bronchiolitis obliterans die in 1995 in Taiwan optrad: als oorzaak werd gevonden het gebruik van ongekookt sap van de bladeren van Sauropus, een plant die in korte tijd populair was geworden als vermageringsmiddel, laxans en antihypertensivum.12 Een zorgvuldige analyse maakte aannemelijk dat het gebruik van het sap de oorzaak was.13 De plant werd al eeuwenlang in Malakka gebruikt bij maaltijden zonder dat daarvan klachten bekend waren; waarschijnlijk werden daarbij veel kleinere hoeveelheden gebruikt dan in Taiwan.

Recent onderzoek toonde aan dat sint-janskruid de werkzaamheid van geneesmiddelen, onder andere warfarine, kan verlagen door de activiteit van het P450-enzymsysteem in de lever te stimuleren.14-19

Gecontroleerd onderzoek naar de activiteit van moederkruid, Tanacetum parthenium, als profylacticum tegen migraine gaf positieve resultaten; gecontroleerd onderzoek met een alcoholisch extract van de bladeren gaf echter geen uitsluitsel.20 De belangstelling voor moederkruid werd zo groot dat zowel de Europese Farmacopee (3e editie; supplement 2001) als de United States Pharmacopoeia (USP, 24e druk ‘new formulation’ 19;2000) een monografie erover opnamen – overigens legt zo'n monografie alleen de kwaliteitseisen vast, maar dit impliceert niets over de werkzaamheid.

Plantaardige producten of stoffen afgeleid van plantendelen worden nu vanuit twee verschillende gezichtspunten beoordeeld in de geneeskunde. De fytotherapeuten gaan uit van het dogma dat planten waardevolle geneesmiddelen opleveren, punt. Daartegenover stellen de reguliere geneeskundigen dat in een biologisch systeem de werking van een product afhangt van de samenstelling en niet van de herkomst. Ongeacht de herkomst moet worden getoetst of een product voldoet aan redelijke eisen van werkzaamheid, veiligheid en constante samenstelling voordat het als geneesmiddel kan worden aanvaard.

Een recent nummer van Pharmaceutisch Weekblad bevat een reeks van 7 bijdragen ter voorlichting van de apothekers over dit onderwerp.21-26 In 1990 richtte de Nederlandse Vereniging voor Fytotherapie samen met de vereniging van fabrikanten van homeopathische, antroposofische en fytotherapeutische geneesmiddelen de Commissie Toetsing Fytotherapeutica op, met als doel een privaatrechtelijke zelfordening die eventueel zou kunnen dienen als voorbereiding en aanloop tot een wettelijke regeling voor fytotherapeutica naast die voor de gewone geneesmiddelen.22 Over de voortgang bevat het genoemde nummer van het Pharmaceutisch Weekblad weinig concreets. Het reeds weergegeven standpunt van de reguliere geneeskundigen wordt in hetzelfde nummer samengevat door Timmerman:21 ‘Fytotherapeutica werken of ze werken niet. Als ze werken, zijn het geneesmiddelen en moeten ze zo behandeld worden, ook wat betreft de eisen voor registratie. Als ze niet werken, moeten we strijden tegen wijdverbreide misvattingen.’

Literatuur
  1. Crijns APG, Smet PAGM de, Heuvel M van den, Schot BW,Haagsma EB. Acute hepatitis na gebruik van een plantaardig preparaat metstinkende gouwe (Chelidonium majus).Ned Tijdschr Geneeskd2002;146:124-8.

  2. Huffman MA, Caton JM. Self-induced increase of gutmotility and the control of parasitic infections in wild chimpanzees. Int JPrimatol 2001;22:329-46.

  3. Genderen H van, Schoonhoven LM, Fuchs A.Chemisch-ecologische flora van Nederland en België. Utrecht: KoninklijkeNederlandse Natuurhistorische Vereniging; 1996.

  4. Borst-Eilers E. Geneeskunde op recept? oratie.Amsterdam: Universiteit van Amsterdam; 1993.

  5. Chen KK, Schmidt CF. Ephedrine and related substances.Medicine (Baltimore) 1930;9:1-117.

  6. Lugt CB, Oosterhuis B, Peeters PAM. Artemisinederivaattegen ernstige malaria. Pharm Weekbl 2000;135:1156-60.

  7. Woerdenbag HL, Oosterhuis B, Pras N, Kager PA, Vries PJde. Artemotil (Artecef). Pharm Weekbl 2000;135:1161-5.

  8. Vanherweghem JL, Depierreux M, Tielemans C, Abramowicz D,Dratwa M, Jadoul M, et al. Rapidly progressive interstitial renal fibrosis inyoung women. Lancet 1993;341:387-91.

  9. Smet PAGM de. Verbod op Aristolochia ook in Nederlandzinvol. Pharm Weekbl 1999;134:1174-5.

  10. Lord GM, Tagore R, Cook T, Gower P, Pusey CD. Nephropathycaused by Chinese herbs in the UK. Lancet 1999;354:481-2.

  11. Ashraf H. Chinese herbal remedy linked to kidney failure.Lancet 1999;354:494.

  12. Maesen BLP. Toename van bronchiolitis obliterans inTaiwan ten gevolge van consumptie van de Sauropus-plant.Ned TijdschrGeneeskd 1997;141:2531.

  13. Ger LP, Chiang AA, Lai RS, Chen SM, Tseng CJ. Associationof Sauropus androgynus and bronchiolitis obliterans syndrome: ahospital-based case-control study. Am J Epidemiol 1997;145:842-9.

  14. Jobst KA, McIntyre M, St George D, Whitelegg M. Safety ofSt John's wort (Hypericum perforatum) letter. Lancet2000;355:575.

  15. Smet PAGM de, Touw DJ. Safety of St John's wort(Hypericum perforatum). Lancet 2000;355:576.

  16. Wheatley D. Safety of St John's wort (Hypericumperforatum). Lancet 2000;355:576.

  17. Yue QY, Bergquist C, Gerdén B. Safety of StJohn's wort (Hypericum perforatum). Lancet 2000;355:576-7.

  18. Baede-van Dijk PA, Galen E van, Lekkerkerker JFF.Combinaties van Hypericum perforatum (sint-janskruid) met anderegeneesmiddelen risicovol. Ned TijdschrGeneeskd 2000;144:811-2.

  19. Schulte PFJ. Sint-janskruid als antidepressivum.Ned Tijdschr Geneeskd2000;144:1820-5.

  20. Hendriks H, Bootsma HPR, Weerdt CJ de. Moederkruid getestvoor profylaxe van migraine. Pharm Weekbl 2001;136:424-9.

  21. Timmerman H. Veel pap met weinig krenten. Pharm Weekbl2001; 136:624-7.

  22. Halkes SBA, Scholten WK, Kroes BH, Halkes-Pos S, Sluis WGvan der, Hebel LW van. Ontwikkelingen in Europa en Nederland. Pharm Weekbl2001;136:628-33.

  23. Vries H de. ‘Fytotherapie is gewoon de klok eenstuk terugzetten’. Pharm Weekbl 2001;136:634.

  24. Halkes SBA. Geen reden voor een roze bril. Pharm Weekbl2001; 136:641-5.

  25. Wilgenburg H van. ‘Een deel van de fytotherapeuticazou niet misstaan tussen de appels en de sinaasappels.’ Pharm Weekbl2001; 136:651.

  26. Woerdenbag HJ, Meer JH van, Kuy A van der. Bewijskrachtin gradaties. Pharm Weekbl 2001;136:652-5.

Auteursinformatie

Contact Dr.J.van Noordwijk, arts-farmacoloog, Taveernelaan 15, 3735 KA Bosch en Duin (jnoordwi@wxs.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties