Doodsoorzaken in verpleeghuizen

Onderzoek
I.P. Aangenendt-Siegers
H.J.M. Cools
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1992;136:2015-7
Abstract
Download PDF

Samenvatting

De gegevens van het Verpleeghuis Informatie Systeem (SIVIS) van de Stichting Informatiecentrum Gezondheidszorg (SIG) kunnen in tegenstelling tot die van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) inzicht verschaffen in de primaire doodsoorzaken van patiënten in Nederlandse verpleeghuizen. Wij onderzochten of de doodsoorzaken van somatisch en psychogeriatrisch verpleegde patiënten verschilden en of bij hen een verschil bestaat bij de binnen en na 6 maanden overledenen. Daarnaast werden aan de hand van de ingevulde overlijdensformulieren van de in het eerste kwartaal van 1991 overleden 29 patiënten in verpleeghuis De Bieslandhof de rapportage aan de SIG en die aan het CBS met elkaar vergeleken.

In 1989 zijn van 82,5 van de verpleeghuispatiënten gegevens in het SIVIS opgenomen. Onafhankelijk van de duur tussen opname en overlijden en de aard van de multidisciplinaire zorg (somatisch of psychogeriatrisch) was pneumonie de meest opgegeven primaire doodsoorzaak (16). De binnen 6 maanden overleden somatische patiënten overleden meestal vanwege een maligniteit. De psychogeriatrische patiënten overleden meestal vanwege dehydratie en cachexie. Onzekerheden bij de vaststelling van de primaire doodsoorzaak en fouten in de registratie ervan komen echter in de SIVIS-registratie onvoldoende tot uiting. De rapportage aan SIG en CBS correpondeert niet altijd.

Inleiding

Zie ook het artikel op bl. 2003.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) registreert de doodsoorzaken van verpleeghuispatiënten niet apart. Behalve de doodsoorzaakverklaring bestemd voor het CBS vult de verpleeghuisarts bij een overlijden ook een formulier in ten behoeve van het Verpleeghuis Informatie Systeem (SIVIS) van de Stichting Informatiecentrum Gezondheidszorg (SIG). Deze stichting publiceert jaarlijks hoeveel verpleeghuispatiënten overlijden maar niet waaraan.1 Wel zijn enkele groepen doodsoorzaken van in 1985 overleden somatisch en psychogeriatrisch verpleegde patiënten elders beschreven.2 Onder de verpleeghuispatiënten kan een groep worden onderscheiden met een korte verblijfduur (minder dan 6 maanden).3

De vraag van ons onderzoek was of de doodsoorzaken van somatisch en psychogeriatrisch verpleegde patiënten verschillen en of bij hen bovendien verschil bestaat bij de binnen en na 6 maanden overledenen. Voorts is onderzocht of er verschil bestaat tussen de gegevens van overleden verpleeghuispatiënten opgegeven aan het CBS en aan de SIG.

PatiËnten en methoden

Na het overlijden van een patiënt vullen veel verpleeghuisartsen een formulier in ten behoeve van het SIVIS. De primaire doodsoorzaak wordt in een viercijferige code ingevuld bij rubriek 42 (overeenkomend met rubriek lc op de CBS-doodsoorzakenverklaring); twee aan het overlijden bijdragende diagnosen kunnen bij rubriek 43 en 44 worden vermeld. De coderingslijst is gebaseerd op de Classificatie van Ziekten-1980 en op de ‘international classification of diseases 9’ uit 1979.

De geanonimiseerde gegevens van de in 1989 overleden verpleeghuispatiënten werden ter beschikking gesteld door de SIG. De patiënten werden verdeeld naar verblijfduur in het verpleeghuis: korter of langer dan 6 maanden; tevens werden zij ingedeeld naar de aard van de multidisciplinaire verpleging: somatisch of psychogeriatrisch.

Daarnaast werden de doodsoorzaakverklaringen ten behoeve van het CBS en die ten behoeve van de SIG van de in het eerste kwartaal 1991 overleden verpleeghuispatiënten afgegeven door de 6 verpleeghuisartsen in dienst van verpleeghuis De Bieslandhof te Delft met elkaar vergeleken.

Resultaten

In 1989 verstrekten 274 (82,5) van de 332 verpleeghuizen in Nederland gegevens aan de SIG, onder meer van 10.008 somatisch en 6.690 psychogeriatrisch verpleegde overleden patiënten. De gemiddelde duur tussen opname en overlijden was 796 dagen. In tabel 1 staan de overledenen gerangschikt naar hoofdgroepen van doodsoorzaak en verdeeld naar de verblijfduur en de aard van de multidisciplinaire verpleging. Bij de helft van de somatisch en psychogeriatrisch verpleegde patiënten waren ziekten van het hart-vaatstelsel en de ademhalingswegen de doodsoorzaak. Van de binnen 6 maanden overleden somatisch verpleegde patiënten was de doodsoorzaak bij een kwart een maligniteit. Van de psychogeriatrisch verpleegde patiënten overleed ongeacht de verblijfduur 11 aan psychische stoornissen.

De 7 meest genoemde primaire doodsoorzaken – te zamen 68 – en de meest gemelde aan de dood bijdragende ziekten staan vermeld in tabel 2. De grootste verschillen in doodsoorzaak tussen de respectievelijk binnen en na 6 maanden overleden somatisch verpleegde patiënten betroffen maligniteiten (25 en 7 ) en pneumonie (11 en 16), bij psychogeriatrisch verpleegde patiënten betroffen deze dehydratie en cachexie (6 en 13).

In het eerste kwartaal van 1991 overleden 29 patiënten in verpleeghuis De Bieslandhof (23 vrouwen en 6 mannen, met een gemiddelde leeftijd van 81,8 jaar). Over 21 van hen vulde dezelfde verpleeghuisarts die de primaire doodsoorzaak onder lc op het CBS-formulier noteerde, ook het SIVIS-formulier in; 4 artsen bleken echter 7 maal deze primaire doodsoorzaak aldaar niet op de juiste plaats in rubriek 42, maar in rubriek 44 te noteren. Een dergelijke onjuiste volgorde bleek ook bij 1 van de overige 8 overleden patiënten van wie een andere arts het SIVIS-formulier had ingevuld. Van de 29 patiënten werden 8 in beide registratiesystemen dus in verschillende categorieën geboekt. Bij 19 patiënten werden op de CBS-doodsoorzaakverklaring meer bijkomende diagnosen vermeld dan op het SIVIS-formulier. Bij 7 van de 29 gaf de verpleeghuisarts op het CBS-formulier aan dat de primaire doodsoorzaak onduidelijk was; een dergelijke onzekerheid kwam niet tot uiting op het SIVIS-formulier.

Beschouwing

Het vaststellen van de doodsoorzaak van verpleeghuispatiënten is moeilijk vanwege de veelal atypische presentatie van ziektebeelden en de omvangrijke comorbiditeit bij de meeste verpleeghuispatiënten.14 Voorts zijn in het verpleeghuis de diagnostische mogelijkheden beperkt of wordt bij gebrek aan een therapeutisch doel afgezien van diagnostiek; zelden maakt men gebruik van obductie.5 Daar staat tegenover dat de gemiddelde verpleeghuisarts 27 sterfgevallen per jaar meemaakt en het aantal primaire doodsoorzaken beperkt lijkt.

Een pneumonie wordt onafhankelijk van de verblijfduur en de aard van de multidisciplinaire zorg het meest als primaire doodsoorzaak opgegeven. Mogelijk is in bepaalde gevallen de pneumonie niet de primaire doodsoorzaak maar een complicatie van een andere aandoening. Obductie-onderzoek bij verpleeghuispatiënten wijst echter uit dat eerder sprake is van onder- dan van overrapportage.5 Van de binnen 6 maanden overleden somatisch verpleegde patiënten overleed 25 primair aan een maligniteit en bij nog eens 16 droeg een maligniteit bij aan het overlijden; bij deze 16 lijkt in bepaalde mate sprake van een verkeerde rubricering en zou het werkelijke percentage primair aan een maligniteit overleden patiënten dus groter zijn. Ruim 40 van de binnen 6 maanden overleden somatisch verpleegde patiënten had dus een maligniteit; dit is ongeveer 10 van alle aan een maligniteit overleden patiënten in Nederland.6

Van de psychogeriatrische patiënten overleed 10 primair aan een dementiesyndroom. Bij 40 zou dementie aan het overlijden hebben bijgedragen; daarbij werd in 12 ‘dehydratie’ en ‘cachexie’ als primaire doodsoorzaak opgegeven. Het werkelijke percentage primair aan dementie overleden verpleeghuispatiënten kan dus hoger zijn: veel demente patiënten overlijden namelijk na een periode van dehydratie en cachexie.

Deze gegevens moeten op zichzelf en bij vergelijking met de sterftetabellen van het CBS met de nodige voorzichtigheid worden beoordeeld om de volgende redenen. De SIG accepteert als primaire doodsoorzaak syndromen en symptomen, bijvoorbeeld ‘dementie’ en ‘dehydratie’ of ‘cachexie’; het CBS zou deze onder ‘de meest waarschijnlijke veroorzakende ziekte’ coderen en daardoor in verschillende ziektegroepen onderbrengen. Foutief ingevulde en verkeerd gecodeerde gegevens worden door de SIG in het algemeen niet gecorrigeerd; het CBS kan tijdens de codering van de formulieren nog veel goedmaken, hoewel in ongeveer 5 van de gevallen een verantwoorde codering niet mogelijk blijkt.7 Het SIVIS-formulier staat alleen viercijferige codes toe, het CBS-formulier biedt ruimte voor omschrijvingen en het uiten van onzekerheden. De SIVIS-diagnoselijst mist bepaalde coderingsmogelijkheden, bijvoorbeeld ‘ouderdom’; zelfs bij obductie wordt bij 85-plussers regelmatig geen andere doodsoorzaak gevonden dan gevolgen van ouderdom.8 Daar staat tegenover dat het CBS niet registreert dat de patiënt is overleden in het verpleeghuis. Het SIVIS bevat bovendien naast de primaire doodsoorzaak nog tal van andere gegevens van de patiënt: over diens verblijf in het verpleeghuis, diens ziekten en validiteit.

Het SIVIS bevat aanwijzingen dat de primaire doodsoorzaken van in het verpleeghuis overleden patiënten verschillen al naar gelang de verblijfduur en de aard van de multidisciplinaire verpleging. Er zijn wel aanwijzingen dat de kwaliteit van deze gegevens verbetering behoeft. Het verdient tevens aanbeveling het CBS naast het ziekenhuis en thuis ook het verpleeghuis als plaats van overlijden te laten registreren; in de sterftetabellen kan dan aandacht worden besteed aan het verpleeghuis als veel voorkomende plaats van sterven in Nederland.

Literatuur
  1. Stichting Informatiecentrum voor de Gezondheidszorg.Jaarboeken verpleeghuizen 1981-1990. Utrecht: SIG, 1981-1991.

  2. Gorseman R, Keuzenkamp T. Evaluatie van ontslagen enoverleden patiënten. In: Trommel J, et al, red. Capita selecta van deverpleeghuisgeneeskunde. Utrecht: Bohn, Scheltema en Holkema, 1989.

  3. Ribbe MW. Verpleeghuisgeneeskunde. I. Analyse van eenpopulatie. Amsterdam: Vrije Universiteit, 1989. Proefschrift.

  4. Berman P, Hogan DB, Fox RA. The atypical presentation ofinfection in old age. Age Ageing 1987; 16: 201-7.

  5. Wabeke E, Derks A, Hoekstra GR, Sipsma DH. Obducties ineen verpleeghuis. Ned TijdschrGeneeskd 1989; 133: 765-7.

  6. Gezondheidsraad, Commissie voor thuiszorg. Thuiszorg voorpatiënten met kanker. 's-Gravenhage: Gezondheidsraad,1991.

  7. Bonte JTP, Friden LM, Berg JWH van den. De statistiek vande doodsoorzaken. Ned TijdschrGeneeskd 1985; 129: 1421-9.

  8. Kohn RR. Cause of death in very old people. JAMA 1982;247: 2793-7.

Auteursinformatie

Verpleeghuis De Bieslandhof, Postbus 5014, 2600 GA Delft.

Mw.I.P.Aangenendt-Siegers en prof.dr.H.J.M.Cools, verpleeghuisartsen.

Contact mw.I.P.Aangenendt

Gerelateerde artikelen

Reacties