Ziektelast door aandoeningen van het zenuwstelsel in Nederland

Onderzoek
J.H. van den Bosch
J.W.P.F. Kardaun
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1994;138:1219-24
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Inventarisatie van het voorkomen en de gevolgen van ziekten van het zenuwstelsel in Nederland.

Opzet

Descriptief.

Plaats

Instituut Maatschappelijke Gezondheidszorg te Rotterdam.

Methode

Inventariseren van gegevens uit medische registraties en statistieken die betrekking hadden op de patiëntenpopulatie van de huisarts, het ziekenhuis en het verpleeghuis, en analyseren van de gevolgen van ziekte in termen van ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en ziektekosten.

Resultaten

Van de zorgepisoden bij de huisarts viel 3-5 onder een van de neurologische aandoeningen (450.000-750.000 ziektegevallen per jaar), waarbij migraine en epilepsie relatief vaak voorkwamen. Van alle ziekenhuisopnamen was 7 het gevolg van een neurologische aandoening. Van de patiënten in een verpleeghuis leed 70 aan een neurologische ziekte. Cerebrovasculair accident (CVA) en hernia nuclei pulposi (HNP) vormden binnen alle sectoren de grootste groep. Ziekten van het zenuwstelsel maakten 14 uit van de totale sterfte, 6 van het totale aantal verzuimdagen en met ƒ 3,8 miljard ongeveer 14 van de totale ziektekosten.

Conclusie

Het schatten van ziektelast is lastig door onvolkomenheden in medische registraties, door variaties in verwijsstructuur en door de invloed van nevendiagnosen. Bij de huidige bevolkingsgroei en vergrijzing zal een aantal neurologische ziekten, zoals CVA, ziekte van Parkinson en dementie, sterk toenemen. Het afwegen van prioriteiten voor de behandeling en zorg wordt bemoeilijkt door de verschillen in lasten op individueel en maatschappelijk niveau.

Inleiding

Zie ook het artikel op bl. 1205.

Inleiding

In juli 1989 tekende George Bush, toenmalig president van de USA, een wet waarin afgekondigd werd, dat het decennium 1 januari 1990 tot 1 januari 2000 beschouwd zou worden als ‘Decade of the Brain’. Die afkondiging kan men zien als een signaal dat de Amerikaanse overheid 10 jaar lang onderzoek en patiëntenzorg op het gebied van ziekten van het zenuwstelsel financieel extra zal ondersteunen. Alleen al het budget van de federale overheid van de USA voor hersenonderzoek wordt geschat op 2 miljard per jaar.1 Ter vergelijking: dit is slechts weinig minder dan de totale uitgaven voor onderzoek (‘research and development’) voor alle vakgebieden aan de Nederlandse universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstellingen (ƒ 4,6 miljard).2

In aansluiting op het Amerikaanse initiatief werd op 10 juni 1992, op aanstichting van de Hersenstichting Nederland en het gebied Medische Wetenschappen van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, het Nederlandse Hersendecennium, ‘Hersenwerk 2002’, afgekondigd. In dit decennium zal men de activiteiten richten op voorlichting en educatie op het terrein van de hersenen, stimulering van het wetenschappelijk onderzoek, verbetering van de kwaliteit van hulpverlening en betere belangenbehartiging van de patiënt met een hersenziekte of hersenletsel.

De groep ‘ziekten van het zenuwstelsel’ is zeer divers. Een veel voorkomende aandoening als migraine valt eronder, maar ook de zeldzame ziekte van Huntington met een zeer ernstig progressief verloop. De gevolgen van deze ziekten, zoals veranderingen van gedrag en persoonlijkheid bij dementie, of verlammingsverschijnselen bij een cerebrovasculair accident (CVA), betekenen vaak voor zowel patiënt als naaste familie een grote mentale en fysieke druk en een beperking in het sociaal functioneren.

Doel van ons onderzoek was om uit voorhanden zijnde gegevens zo goed mogelijk het vóórkomen en de ziektelast (inclusief enige maatschappelijke gevolgen) van ziekten van het zenuwstelsel in Nederland in kaart te brengen: een descriptief doel. In grote lijnen werd daarbij een indeling volgens de verschillende sectoren van de gezondheidszorg gevolgd.

Methode

De gegevens werden verzameld uit medische administraties, registraties en statistieken, waar nodig aangevuld met gegevens uit de literatuur. Bij gebrek aan prevalentiecijfers voor de gehele bevolking, werden deze cijfers, op grond van reeds openbaar gemaakt materiaal, bepaald voor verschillende sectoren van de gezondheidszorg: huisartsenpraktijk, ziekenhuis en verpleeghuis. Daarnaast werden sterfte, ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en kosten van ziekte beschreven. De cijfers hebben betrekking op 1990 of jaren daaromtrent.

Bevolking

De Gezondheidsenquête van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft tot doel een overzicht te geven van ontwikkelingen in de gezondheid en de medische consumptie van de Nederlandse bevolking. De enquête wordt afgenomen op basis van een aselecte steekproef van woonadressen (uitgezonderd inrichtingen en tehuizen). Als enige ziekten van het zenuwstelsel komen in de Gezondheidsenquête aan de orde: epilepsie, migraine en CVA. Wij gebruikten gegevens uit de Gezondheidsenquête over de jaren 1989 en 1990.3

Huisartsenpraktijk

Gegevens met betrekking tot de huisartsenpraktijk waren afkomstig uit een onderzoek (1987-1988) van het Nederlands Instituut voor onderzoek van de Eerstelijnsgezondheidszorg (NIVEL) en het Transitieproject (1985-1988) in Amsterdam.45 Als teller van de prevalentie en incidentie gebruikten zij de ‘zorgepisode’. Dit is de periode waarin door de patiënt om professionele hulp gevraagd wordt voor een bepaalde aandoening of klacht.

Ziekenhuis

De gegevens over ziekenhuisopnamen waren afkomstig uit de ‘Diagnosestatistiek ziekenhuizen’ van het CBS voor 1988; deze statistiek is gebaseerd op de Landelijke Medische Registratie.6 De aantallen ziekenhuisopnamen betreffen de hoofddiagnose, dat wil zeggen de aandoening die bij het ontslag van de patiënt de belangrijkste reden van verblijf in het ziekenhuis werd geacht te zijn (ontslagdiagnose).

Verpleeghuis

De gegevens over de verpleeghuispatiënten waren afkomstig uit het SIG Verpleeghuis Informatiesysteem (SIVIS).7 Het aantal aanwezige patiënten werd bepaald op de peildatum 30 september 1990. De aantallen patiënten met een ziekte van het zenuwstelsel werden gebaseerd op de eerste validiteitsbepalende diagnose (dit is de diagnose van de aandoening die de patiënt het meest in zijn validiteit beperkt).

Sterfte

De sterfte had betrekking op de primaire doodsoorzaak, de ziekte of het syndroom die ten grondslag heeft gelegen aan de gebeurtenis die tot de dood heeft geleid (behalve de primaire doodsoorzaak kan op het overlijdensformulier ook een secundaire, tertiaire of quartaire doodsoorzaak ingevuld worden). De gegevens waren afkomstig uit de doodsoorzakenstatistiek van het CBS over 1990.

Ziekteverzuim

De gegevens betreffende het ziekteverzuim werden gebaseerd op de ‘Diagnosestatistiek bedrijfsverenigingen’ van het CBS over 1990. Het gaat daarin om werknemers van zogenaamde omslagleden (dit zijn werkgevers die met andere leden gezamenlijk of groepsgewijs het uit de ziekengeldverzekering voortvloeiende risico dragen) van bedrijfsverenigingen, dus exclusief de zogenaamde publieke sector. Dit betreft ongeveer 50 van de beroepsbevolking. Een schatting van de omvang van het ziekteverzuim naar aandoening was alleen mogelijk voor verzuimgevallen met een diagnose, dus in die gevallen waarin een werknemer door een verzekeringsarts was gezien. Ongeveer 70 van het totale aantal verzuimgevallen wordt niet door een verzekeringsarts gezien. Bij verzuim langer dan 4 weken wordt 80 van de gevallen wel door een verzekeringsarts gezien.

Arbeidsongeschiktheid

Op grond van gegevens van de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) over 1990 werd de ziektelast in termen van arbeidsongeschiktheid bepaald. Gegevens werden verzameld naar diagnose, inkomensbron (loontrekkenden, zelfstandigen, vroeg-gehandicapten (scholieren en studenten) en overigen), mate van arbeidsongeschiktheid (15-2535, 2535-80 en 80-100) en reden van beëindiging van de uitkering (overlijden, bereiken 65-jarige leeftijd, herstel, overige redenen).

Kosten van ziekte

De kosten van ziekte konden alleen worden bepaald voor sectoren van de gezondheidszorg waarvan diagnosespecifieke cijfers bekend waren: ziekenhuizen (kosten van verpleging en van verrichtingen), verpleeghuizen, huisartsenpraktijken, kruiswerk, psychiatrische en paramedische instellingen (fysiotherapie). De kosten voor ziekten van het zenuwstelsel werden opnieuw berekend door Koopmanschap en Van Roijen.8

Classificatie van diagnosen

De ziekten van het zenuwstelsel werden ingedeeld in 12 groepen (tabel 1). In de gebruikte informatiebronnen waren de diagnosen geclassificeerd volgens de ‘International classification of diseases’, 9e revisie (ICD-9) of een daarvan afgeleide classificatie, uitgezonderd de huisartsregistraties (‘International classification of primary care’; ICPC). Psychiatrische aandoeningen, zwakzinnigheid, aandoeningen van de zintuigen en klachten met een onduidelijke oorzaak (bijvoorbeeld duizeligheid, hoofdpijn) werden om praktische redenen niet onderzocht.

Resultaten

Hier worden de belangrijkste resultaten genoemd. Voor een uitgebreidere beschrijving wordt verwezen naar het rapport ‘Ziekten van het zenuwstelsel in Nederland. Een verkenning van de omvang en de gevolgen’.9

Huisarts

Ongeveer 3-5 van de zorgepisoden per jaar viel onder een van de genoemde neurologische aandoeningen. Gegeven het feit dat vrijwel iedere Nederlander bij een huisarts geregistreerd staat, betekende dit 450.000-750.000 ziektegevallen per jaar. Daarnaast kwamen veel ‘onduidelijke neurologische klachten’ voor, zoals hoofdpijn en duizeligheid (1-2 van de zorgepisoden). De belangrijkste aandoeningen zijn weergegeven in tabel 2. Schattingen op bevolkingsniveau uit de Gezondheidsenquête van het CBS geven voor migraine en epilepsie een verschil in prevalentie. De Gezondheidsenquête geeft als prevalenties van migraine voor mannen 3000 (95-betrouwbaarheidsinterval (95-BI): 2960-3040) per 100.000 inwoners en voor vrouwen 6700 (6640-6760); voor epilepsie respectievelijk 500 (480-520) en 400 (390-410).3 Een aantal patiënten zal van de huisarts worden doorverwezen naar een specialist of een eerstelijns-gezondheidzorgvoorziening. Uit het Transitieproject bleek dat 38 van de patiënten met hernia nuclei pulposi (HNP) doorverwezen werd naar een andere eerstelijns-gezondheidzorgvoorziening (fysiotherapie). Van de epilepsiepatiënten werd 37 en van de CVA-patiënten 31 doorverwezen naar een specialist.

Ziekenhuisopnamen

Er werden per jaar ongeveer 1,5 miljoen mensen opgenomen in het ziekenhuis, van wie 7 met een neurologische aandoening (56.000 mannen en 49.000 vrouwen). De getalsmatig belangrijkste neurologische aandoeningen staan in tabel 3. In absolute aantallen was de opname van vrouwen met een CVA in de hoogste leeftijdsklassen (? 70 jaar) groter dan voor mannen. Het aantal opnamen per inwoner was voor mannen in de hogere leeftijdsklassen echter hoger dan voor vrouwen. Dementie en ziekte van Parkinson, eveneens ouderdomsziekten, lieten hetzelfde beeld zien. Dit is te verklaren uit de opbouw van de Nederlandse bevolking, waarbij er in de hogere leeftijdscategorieën meer vrouwen zijn dan mannen. Bij HNP en multipele sclerose (MS), die vooral op jonge en middelbare leeftijd voorkomen, was het aantal opnamen voor mannen absoluut en per 100.000 inwoners hoger dan voor vrouwen. Het aantal opnamen door verwondingen was het hoogst in de leeftijdscategorie 15-19 jaar, voornamelijk door verkeersongevallen. Bij een derde van de verkeersongevallen waarbij intracraniaal letsel optrad, was een fietser of een meerijder betrokken.

Dementiepatiënten verbleven gemiddeld lang in het ziekenhuis (60 dagen). Dit wordt vaak aangeduid als de ‘verkeerde-bedproblematiek’. De gemiddelde verpleegduur van patiënten met ziekte van Parkinson (32 dagen) of een acuut, niet scherp omschreven CVA (31 dagen) was eveneens langer dan voor alle ziekten tezamen (11 dagen).

Verblijf in het verpleeghuis

Van alle verpleeghuispatiënten (op verpleeg- en dagbehandelingsafdelingen) had 71 een neurologische aandoening (14.554 somatische en 20.518 psychogeriatrische patiënten). De ziekten die getalsmatig overheersten, waren CVA en dementie (tabel 4). Het percentage dementiepatiënten in somatische verpleeghuizen was relatief klein, namelijk 4.

Sterfte

De totale sterfte bedroeg per jaar ongeveer 130.000 mensen. Hiervan overleed ongeveer 14 (18.000 personen) ten gevolge van een aandoening of verwonding van het zenuwstelsel. CVA was hier veruit de belangrijkste doodsoorzaak (tabel 5). Dat vrouwen vaker dan mannen als gevolg van dementie stierven, werd voornamelijk veroorzaakt door het grotere aantal vrouwen in de leeftijdscategorie ? 85 jaar.

Ziekteverzuim

Het totale aantal patiënten dat verzuimde en dat gezien werd door een verzekeringsarts, was in 1990 1,2 miljoen en het totale aantal verzuimdagen 76 miljoen. In 3 van de verzuimgevallen ging het om een ziekte van het zenuwstelsel; voor de verzuimdagen bedroeg dit percentage 6 (tabel 6). De gemiddelde verzuimduur was voor alle aandoeningen tezamen ongeveer 63 dagen per verzuimgeval. Voor de ziekten van het zenuwstelsel lag dit gemiddelde aanzienlijk hoger (140 dagen bij mannen, 111 dagen bij vrouwen). In 1990 werd ongeveer ƒ 474 miljoen ziekengeld uitgekeerd vanwege verzuim door een ziekte van het zenuwstelsel. Ziekteverzuim korter dan 1 jaar valt onder de Ziektewet, daarna stroomt men in principe in in de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Ongeveer 20 van de verzuimgevallen met een ziekte van het zenuwstelsel was in 1990 niet hersteld binnen die termijn van 1 jaar.

Arbeidsongeschiktheid

Het totale aantal uitkeringsgerechtigden voor WAO en Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) was in 1990 ruim 820.000. De getalsmatig belangrijkste neurologische aandoeningen zijn weergegeven in tabel 7. De gemiddelde arbeidsongeschiktheidsduur van uitkeringsgerechtigden vanwege een ziekte van het zenuwstelsel lag voor mannen tussen de 7 en 8 jaar en voor vrouwen tussen de 6 en 7 jaar. De arbeidsongeschiktheidsduur was lang voor MS (13-14 jaar voor zowel mannen als vrouwen), voor epilepsie (ongeveer 10 jaar) en voor migraine (7-8 jaar bij mannen, 11-12 jaar bij vrouwen). Deze duur hangt samen met de aard en de ernst van de ziekte, maar ook met de leeftijd waarop ziekten zich voordoen, omdat bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd de uitkering beëindigd wordt. In 1990 werd voor 2658 mannen en 956 vrouwen met een neurologische aandoening de WAOAAW-uitkering beëindigd. De reden van het beëindigen van de WAO AAW-uitkering was meestal het bereiken van de 65-jarige leeftijd, maar bij vrouwen bijna even vaak dat zij (grotendeels) hersteld werden verklaard (

Kosten van ziekte

Het totaal aan kosten van ziekten (alle aandoeningen) voor de ‘diagnosespecifieke’ sectoren was 24 miljard gulden (voor mannen 10 en voor vrouwen 14 miljard). Het totaal aan kosten van ziekten van het zenuwstelsel was 3,8 miljard gulden (voor mannen 1,3 en voor vrouwen 2,5). Dat de kosten bij vrouwen bijna 2 maal zo hoog waren als bij mannen, wordt vooral veroorzaakt door de hogere verpleeghuiskosten (voor vrouwen 1,6 en voor mannen 0,6 miljard). Van het totaal aan verpleeghuiskosten kwam in 1988 57 op rekening van de ziekten van het zenuwstelsel, van de ziekenhuiskosten 10 en van de wijkverpleging eveneens 10.

Beschouwing

Beperkingen in het schatten van de ziektelast

Het schatten van de ziektelast wordt bemoeilijkt door onvolkomenheden in medische registraties, door variaties in de verwijsstructuur en door de invloed van nevendiagnosen.

– Medische registraties. Een belangrijke lacune in de informatie over het vóórkomen van ziekten betreft het poliklinische traject. De polikliniekregistratie POLIS van SIG Zorginformatie heeft nog geen gegevens op diagnoseniveau. Voor aandoeningen die vooral poliklinisch worden behandeld, zoals ziekte van Parkinson en epilepsie, betekent dit een beperking van een betrouwbare beeldvorming omtrent het vóórkomen van deze aandoeningen in de bevolking. Voor migraine, epilepsie en CVA zijn er gegevens op bevolkingsniveau uit de Gezondheidsenquête van het CBS. Migraine en epilepsie vertonen een duidelijke discrepantie in prevalentie in de bevolking ten opzichte van de huisartsenpraktijk. Huisartsenregistraties zijn dus niet toereikend om de ziektelast in de bevolking te bepalen. Deze aandoeningen zijn mogelijk niet altijd een reden om de huisarts te bezoeken. Een andere verklaring voor dit verschil in prevalentie kan zijn het verschil tussen de ‘subjectieve’ diagnose van de patiënt en de ‘objectieve’ diagnose van de arts. Bij CVA komen de prevalenties van de Gezondheidsenquête en de huisartsenregistraties wèl redelijk overeen.

– Verwijzingsstructuur. Inzicht in de verwijzingsstructuur van patiënten, bijvoorbeeld van huisarts naar specialist en van het ziekenhuis naar het verpleeghuis, zou bijdragen aan een betere prevalentieschatting in de bevolking. Dit inzicht in de verwijzingsstructuur zou tot stand kunnen komen via een beter gebruik van gegevens van instellingen of via longitudinaal onderzoek op persoonsniveau. Voor CVA wordt in het Transitieproject een percentage van 31 genoemd voor verwijzingen naar een specialist. Het Tilburg-onderzoek komt veel hoger uit, namelijk op 76.10 Dit grote verschil zou deels verklaard kunnen worden, doordat in het Tilburg-onderzoek verzorgings- en verpleeghuizen betrokken waren. Ook kan een verschil in diagnostische en therapeutische faciliteiten in bepaalde regio's leiden tot verschillen in verwijzingsbeleid. Van Ree gaf enkele redenen waarom men klaarblijkelijk CVA-patiënten niet altijd doorverwijst. (De grote kans op slechte afloop op oude leeftijd kan reden zijn om patiënten niet door te verwijzen. In de leeftijd van 65-84 jaar werd om die reden 40 en boven de 84 jaar 68 niet doorverwezen. Op jongere leeftijd zou een verpleegkundige reden of revalidatie tot opname kunnen leiden. In dat geval zou echter veel opgevangen kunnen worden door de wijkverpleegkundige en fysiotherapeut.11)

– Nevendiagnosen. De gegevens in dit onderzoek hadden in het algemeen betrekking op hoofddiagnosen. Bepaalde aandoeningen, zoals dementie, kunnen als nevenaandoening een vrij grote ziektelast vertegenwoordigen en tot opname in een verpleeghuis leiden. Wij vonden een percentage van 4 voor de prevalentie van dementie in somatische vepleeghuizen, gebaseerd op de eerste validiteitsbepalende diagnose. Als nevendiagnose is dementie echter waarschijnlijk veel belangrijker in somatische verpleeghuizen. In een onderzoek van Heeren et al. werd bij 54 van de bewoners van 85 jaar en ouder uit 3 Leidse somatische verpleeghuizen dementie geconstateerd. Het ging veelal om lichte dementie, zodat de reden van het verblijf in het somatisch verpleeghuis waarschijnlijk niet een gebrek aan plaatsen in een psychogeriatrisch verpleeghuis was. Heeren geeft als verklaring voor het hoge percentage dementie, dat bij een combinatie van een somatische aandoening en een lichte dementie deze dementie juist de aanleiding kan zijn tot opname in een verpleeghuis.12

Diversiteit ziekten van het zenuwstelsel

CVA en HNP waren veruit de meest voorkomende ziekten van het zenuwstelsel. Het aandeel van deze aandoeningen was groot in vrijwel alle sectoren van de gezondheidszorg. Migraine en epilepsie kwamen relatief veel voor in de huisartsenpraktijk. Wel kunnen deze ziekten de patiënt zeer beperken in het maatschappelijke functioneren, vooral ten aanzien van de participatie in het arbeidsproces. Epilepsie is een belangrijke reden van arbeidsongeschiktheid, migraine van kortdurend ziekteverzuim (

Sterfte aan ziekten van het zenuwstelsel

CVA en ziekte van Parkinson zijn duidelijk omschreven ziektebeelden en meestal goed uit het B-formulier van de overlijdensverklaring af te leiden. De sterfte aan dementie werd in ons onderzoek waarschijnlijk onderschat, doordat het vaak moeilijk uit het overlijdensformulier af te leiden is of dementie daadwerkelijk de aandoening was die ten grondslag lag aan de gebeurtenis die de dood teweegbracht. Dementie wordt dan ook alleen als primaire doodsoorzaak geregistreerd, als dat expliciet uit het B-formulier is af te leiden. Aangenendt-Siegers en Cools constateerden dat in psychogeriatrische verpleeghuizen 10 van de sterfteoorzaken dementie was en dat in 40 van de gevallen dementie had bijgedragen aan de dood.13 Verder noemden zij dehydratie en cachexie in 12 van de gevallen als primaire doodsoorzaak; hierbij waren mogelijk voor een deel dementiepatiënten.

Toekomst

Bij de huidige bevolkingsgroei en vergrijzing zal een aantal ziekten van het zenuwstelsel, met name de ‘ouderdomsziekten’ CVA, ziekte van Parkinson en dementie sterk toenemen. Bij een constante sterfte en opnamecoëfficiënt zal het aantal overledenen aan deze ziekten tot het jaar 2025 ongeveer met een factor 1,8 toenemen en het aantal ziekenhuisopnamen met een factor 1,6. Andere factoren, zoals veranderingen in incidentie en sterfte, veranderingen in het aantal bedden per 1000 inwoners, verschuivingen in de opname-indicatie voor ziekenhuis of verpleeghuis en nieuwe behandelingsmogelijkheden zijn in deze prognose niet meegenomen, maar bepalen wel het aantal overledenen en ziekenhuisopnamen. De voor leeftijd gestandaardiseerde sterfte door CVA laat voor zowel mannen als vrouwen in Nederland een dalende trend zien sinds 1950. Een onderzoek met gegevens uit de Mayo Clinics, Rochester, USA wijst op een mogelijk recente incidentiestijging (na 1979) van CVA, na een aanvankelijke daling. Als mogelijke oorzaak wordt onder andere aangevoerd dat de incidentie en de sterfte door ischemische hartziekten in die periode afnamen, waardoor het aantal mensen dat een CVA door zou kunnen maken toenam.14

Een voorbeeld van veranderde behandelingsmogelijkheden is de komst van levodopa in het begin van de jaren zeventig als medicament voor Parkinson-patiënten. Hierdoor nam de overlevingsduur van deze patiënten met ongeveer 5 jaar toe en viel er een verschuiving te constateren van de grootste leeftijdspecifieke sterfte naar hogere leeftijdsklassen.15 De toename van CVA, dementie en ziekte van Parkinson zal leiden tot een grotere vraag naar zorg voor deze patiënten. Uitbreiding van het aantal verpleeghuisbedden, maar ook ondersteuning van de thuiszorg zijn van belang om de zorgbehoeften van deze patiëntengroep in de toekomst op te kunnen vangen.

De verzamelde gegevens laten zien, dat de effecten van aandoeningen van het zenuwstelsel op allerlei wijzen tot uiting komen. Het afwegen van prioriteiten voor de behandeling en de zorg wordt bemoeilijkt, doordat de lasten op individueel niveau heel anders kunnen uitpakken dan op maatschappelijk niveau.

Dit onderzoek werd begeleid door een commissie bestaande uit prof.dr.H.van Crevel, neuroloog, Universiteit van Amsterdam, prof.dr.R.Giel, psychiater, Rijksuniversiteit Groningen, en prof.dr.P.J.van der Maas, sociaal-geneeskundige, Instituut Maatschappelijke Gezondheidszorg, Erasmus Universiteit Rotterdam. Financiële ondersteuning werd verleend door de Hersenstichting Nederland.

Literatuur
  1. Decade of the Brain News. Leaders set new course.Washington: The National Foundation for Brain Research 1992; 2: 1.

  2. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Statistischjaarboek 1993. Voorburg: CBS, 1993.

  3. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Vademecumgezondheidsstatistiek Nederland, 1991. Voorburg: CBS, 1991.

  4. Velden J van der, Bakker DH de, Claessens AAMC, SchellevisFG. Basisrapport morbiditeit in de huisartspraktijk. Nationale studie naarziekte en verrichtingen in de huisartspraktijk. Utrecht: NIVEL,1991.

  5. Lamberts HA, Brouwer HJ, Mohrs G. Reasons for encounter-,episode- and process-oriented standard output from the transition project.Part I. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam, Department of GeneralPracticeFamily Medicine, 1991.

  6. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Ontslagenziekenhuispatiënten naar hoofddiagnose, leeftijd en geslacht in het jaar1988. Serie H1. Voorburg: CBS, 1988.

  7. Stichting Informatiecentrum voor de Gezondheidszorg (SIG).Jaarboek verpleeghuizen, gebaseerd op gegevens uit het SIGverpleeghuisinformatiesysteem. Utrecht: SIG, 1990.

  8. Koopmanschap MA, Roijen L van, Bonneux L. Kosten vanziekten in Nederland. iMGZiMTA. Rotterdam: Erasmus Universiteit,1991.

  9. Bosch JH van den, Kardaun JWPF. Ziekten van hetzenuwstelsel in Nederland. Een verkenning van de omvang en de gevolgen. DenHaag: SDUCBS, 1993.

  10. Herman B, Leyten ACM, Luijk JH van, Frenken CWGM, Op deCoul AAW, Schulte BPM. Epidemiology of stroke in Tilburg, The Netherlands.(2). Incidence, initial clinical picture and medical care, and three-weekcase fatality. Stroke 1982; 13: 629-34.

  11. Ree JW van, Arts H, Hoogen H van den. CVA en TIA in dehuisartspraktijk. Incidentiecijfers en lotgevallen. Tijdschr Gerontol Geriatr1987; 18: 55-60.

  12. Heeren ThJ, Lagaay AM, Rooijmans HGM. De prevalentie vanhet dementiesyndroom bij de oudste bewoners van het somatisch verpleeghuis.Ned Tijdschr Geneeskd 1992; 136:695-8.

  13. Aangenendt-Siegers IP, Cools HJM. Doodsoorzaken inverpleeghuizen. Ned Tijdschr Geneeskd1992; 136: 2015-7.

  14. Broderick JP. Incidence rates of stroke in the eighties:the end of the decline in stroke? Stroke 1989; 20: 577-82.

  15. Kurtzke JF, Murphy FM. The changing patterns of deathrates in parkinsonism. Neurology 1990; 40: 42-9.

Auteursinformatie

Erasmus Universiteit, Instituut Maatschappelijke Gezondheidszorg, Postbus 1738, 3000 DR Rotterdam.

Mw.drs.J.H.van den Bosch, epidemioloog.

Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdafdeling Gezondheidsstatistieken, afdeling Volksgezondheid, Voorburg.

Dr.J.W.P.F.Kardaun, sociaal-geneeskundige.

Contact mw.drs.J.H.van den Bosch

Gerelateerde artikelen

Reacties