Diversiteit en kwaliteit in de geneeskundestudie

Opinie
Roger A.M.J. Damoiseaux
A.H. (Nettie) Blankenstein
Margit I. Vermeulen
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2016;160:D670
Abstract
Download PDF

Etnische en culturele diversiteit onder geneeskundestudenten is wenselijk omdat de medische wereld daardoor een betere afspiegeling kan worden van de Nederlandse samenleving. Allochtone geneeskundestudenten scoren gemiddeld echter slechter op toetsen.1 Men kan zich afvragen of de toetsen zouden moeten worden aangepast in het belang van de diversiteit, of dat het onderwijs gerichte ondersteuning zou moeten aanbieden aan allochtone geneeskundestudenten.

In dit tijdschrift laten Stegers en collega’s zien dat de beschreven verschillen in toetsresultaten niet alleen bestaan tussen allochtone en autochtone studenten, maar ook tussen allochtone subgroepen onderling en dat ze verschillen per type toets.2 Volgens de auteurs zijn deze verschillen voor een deel te verklaren door de beheersing van de Nederlandse taal en voor een deel door de wijze van voorbereiden, individueel of in groepsverband, en door verschillen in cultuur en communicatiestijl. Een belangrijke vraag is of allochtone studenten daarmee ook slechtere studenten zijn. Hebben zij de potentie om een goede dokter te worden? Wat hebben ze daarvoor nodig? Daarbij moeten we ons afvragen of er wel een eenduidig beeld bestaat van ‘de goede dokter’.

Wat is een goede dokter?

Een kapstok om dat te toetsen is het competentieprofiel dat geformuleerd is in de ‘Canadian medical education directives for specialists’ (CanMEDS). Het bestaat uit medisch handelen, communicatie, samenwerken, organiseren, maatschappelijk handelen, wetenschap en professionaliteit. ‘CanBetter’, een project van de KNMG, voegde daar voor Nederland nog 4 thema’s aan toe: patiëntveiligheid, medisch leiderschap, doelmatigheid van zorg en ouderenzorg.

Het is niet vreemd dat studenten met een andere culturele achtergrond anders scoren op toetsen die deze vaardigheden meten. Communiceren, samenwerken en reflecteren zijn sterk cultureel bepaald en daar moeten we bij het toetsen rekening mee houden. Niet alle allochtone studenten presteren minder op toetsen. Als we kijken waarom deze groep juist wel goed presteert, zouden we mogelijkheden kunnen creëren om andere allochtone studenten te helpen in de opleiding.3 Als we toetsen meer inzetten om te onderzoeken waar lacunes zitten, kunnen we gerichter remediëren. Is het vooral een taalprobleem, dan kan de student zich daarop richten. Als het niet zozeer de taal is, maar de wijze van communiceren of samenwerken waardoor een student minder scoort, zou gericht hulp aangeboden kunnen worden.

Het kan ook zo zijn dat een bovenliggend probleem een onderliggend probleem maskeert. Slecht scoren op een kennistoets kan veroorzaakt worden door een taalprobleem, maar natuurlijk ook gewoon door een tekort aan kennis. Het is daarom van belang kennis en competenties op meerdere momenten en op verschillende wijzen te toetsen.4 Door in veel situaties en op verschillende manieren te toetsen ontstaat er een valider beeld van de competenties van de student.

Etnocentrisme en discriminatie

Het verschil in toetsresultaten tussen autochtone en allochtone studenten kan ook een gevolg zijn van etnocentrisme, waarmee we bedoelen dat je andere culturen beoordeelt met de normen en waarden van je eigen samenleving. Etnocentrisme leidt vaak tot afkeuring van de andere cultuur. In Nederland is het de norm dat je elkaar aankijkt in een gesprek, dat je direct bent in het geven van feedback, dat je onzekerheid mag laten zien en dat statusverschil geen grote rol speelt. Dit zijn vaak onbewuste waarden, die in de opleiding niet expliciet aan de dag treden maar die wel een rol spelen bij het toetsen. Hiervan moeten we ons bewuster zijn.

Bij klinische toetsen kan er ook ronduit sprake zijn van discriminatie door de examinator.5 Discriminatie komt nog steeds voor in alle lagen van onze samenleving; denk aan de soms heftige emoties in de zwartepietdiscussie. Het is goed mogelijk dat examinatoren van westerse afkomst studenten met een afwijkende culturele achtergrond of een andere huidskleur anders beoordelen. Meer diversiteit onder examinatoren zou een oplossing kunnen zijn. Het is gewenst te onderzoeken of examinatoren die dezelfde culturele achtergrond hebben als de student anders scoren bij examens dan examinatoren met een andere culturele achtergrond.5

Tot slot

Als we etnische en culturele diversiteit onder geneeskundestudenten en artsen belangrijk vinden, moeten we de geneeskundeopleiding daaraan aanpassen. Dat begint al bij de selectie. Het selectieproces moet onderzocht worden op discriminatoire en etnocentrische aspecten, en het is van belang dat aan die evaluatie mensen meedoen met een andere culturele achtergrond dan de Nederlandse. Vervolgens zullen we binnen de opleiding gerichte ondersteuning moeten geven aan allochtone studenten om ze hetzelfde gemiddelde niveau te laten bereiken als de autochtone studenten.

Tot slot zullen we het toetsprogramma onder de loep moeten nemen. Niet alleen aandacht voor etnisch-culturele verschillen, maar ook programmatisch toetsen kan bijdragen aan de diversiteit. Men neemt dan veel verschillende toetsen af in verschillende situaties om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de vaardigheden van de student. Niet iedere student hoeft hetzelfde toetsprogramma te doorlopen.6 Als er problemen gevonden worden, kan men gericht dóórtoetsen om beter inzicht in het probleem te krijgen en daarna voor gerichte remediëring zorgen. Doel blijft dat de gewenste diversiteit niet ten koste gaat van de kwaliteit van de toekomstige dokters én dat de gewenste kwaliteit niet ten koste gaat van de diversiteit.

Literatuur
  1. Woolf K, Potts HWW, McManus IC. Ethnicity and academic performance in UK trained doctors and medical students: systematic review and meta-analysis. BMJ. 2011;342:d901. Medlinedoi: 10.1136/bmj.d901

  2. Stegers-Jager KM, Brommet FN, Themmen APN. De invloed van afkomst op studieresultaten: de bachelor Geneeskunde onderzocht. Ned Tijdschr Geneeskd. 2016;160:D597.

  3. Patterson F, Denney ML, Wakeford R, Good D. Fair and equal assessment in postgraduate training? A future research agenda. Br J Gen Pract. 2011;61:712-3. Medlinedoi: 10.3399/bjgp11X612936

  4. van der Vleuten CPM, Schuwirth LWT, Driessen EW, et al. A model for programmatic assessment fit for purpose. Medical Teacher. 2012;34:205-14. Medlinedoi: 10.3109/0142159X.2012.652239

  5. Esmail A, Roberts C. Academic performance of ethnic minority candidates and discrimination in the MRCGP examinations between 2010 and 2012: analysis of data. BMJ. 2013;347:f5662 Medlinedoi: 10.1136/bmj.f5662

  6. Epstein RM. Assessment in medical education. N Engl J Med. 2007;356:387-96. Medlinedoi: 10.1056/NEJMra054784

Auteursinformatie

UMC Utrecht, Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerstelijns Geneeskunde, Utrecht.

Prof.dr. R.A.M.J. Damoiseaux, huisarts en hoofd huisartsopleiding; dr. M.I Vermeulen, huisarts en manager onderwijsontwikkeling en onderzoek.

VUmc, afd. Huisartsgeneeskunde en ouderengeneeskunde, Amsterdam.

Dr. A.H. Blankenstein, huisarts en hoofd huisartsopleiding,

Contact prof.dr. R.A.M.J. Damoiseaux (r.a.m.j.damoiseaux@umcutrecht.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.

Auteur Belangenverstrengeling
Roger A.M.J. Damoiseaux ICMJE-formulier
A.H. (Nettie) Blankenstein ICMJE-formulier
Margit I. Vermeulen ICMJE-formulier
De invloed van afkomst op studieresultaten*

Gerelateerde artikelen

Reacties

R
Maes


Zojuist is in het NTvG een artikel gepubliceerd (1) waaruit duidelijk werd dat allochtone medisch studenten minder goed presteren bij examens dan autochtone studenten.
In een aanvullend artikel (2) stelt UMCU-huisarts opleider Prof. Dr. Damoiseaux c.s. dat het noodzakelijk is om onder meer de examens  voor allochtone studenten aan te passen zodat deze beter kunnen scoren. Deze positieve discriminatie zal er voor zorgen dat de toekomstige allochtone artsen gewantrouwd worden door patiënten alsook collegae die van de verschillende examinering op de hoogte zijn. Mogelijk zou verschil in examinering dus kunnen leiden tot verminderde kans op vervolgspecialisatie voor jonge allochtone artsen.
Derhalve bewijst Damoiseaux met dit voorstel zowel de kwaliteit alsook autochtone en allochtone studenten alsook toekomstige patiënten een slechte dienst,

Hoogachtend
Dr. R. Maes radioloog

1 De invloed.  Stegers-Jager et al  NTvG 2016 22-10 160(42) d597
2 Diversiteit en kwaliteit.. R. Damoiseaux NTvG 2016 22-10 (42) d670

In tegenstelling tot wat collega Maes gelezen heeft in ons commentaar over bevordering van de diversiteit onder geneeskundestudenten pleiten wij zeker niet om de examens voor allochtone studenten aan te passen opdat zij dan beter kunnen scoren. Wat wij wel bepleiten is om uitgebreider te toetsen om het echte onderliggende probleem boven tafel te krijgen en te kijken of je dat met extra inspanningen kunt verhelpen. Ook moeten we kijken in hoeverre etnocentrisme en discriminatie een rol spelen bij de toetsen. We hebben wel genoemd dat de geneeskundestudie aangepast moet worden om diversiteit te bevorderen. Daarmee bedoelen we dat we oog hebben voor andere culturele achtergronden en daar gericht op begeleiden. Het toetsprogramma moet hierop worden aangepast om tekortkomingen goed in beeld te krijgen niet om allochtone studenten makkelijker te laten slagen. De kwaliteit van de afgestudeerde arts moet goed blijven, ongeacht zijn of haar afkomst.  Dit is ook wat we in onze laatste zin onderstrepen: de gewenste diversiteit mag niet ten koste gaan van de kwaliteit van de toekomstige dokters. Het is dan ook zeker niet dat artsen met een andere culturele achtergrond dan de Nederlandse, die hier opgeleid zijn door een meer individuele benadering slechtere dokters zijn. De eindtermen van de opleiding blijven immers gelijk.

Prof.dr.R.A.M.J. Damoiseaux, hoofd huisartsopleiding UMC Utrecht