Depressief na een herseninfarct

Klinische praktijk
W.I.M. Verhagen
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1986;130:2161-2

Dames en Heren,

Lange tijd heeft het idee bestaan dat emotionele reacties na hersenbeschadiging vergelijkbaar waren met emotionele reacties na andere ernstige letsels of ziekten. De laatste jaren treedt hierin duidelijk verandering op. Er bestaat nu meer de tendens om de stemmingsveranderingen te zien als een primair gevolg van beschadiging van het centrale zenuwstelsel, dan als een secundair psychogeen effect. Vooral ten aanzien van het optreden van depressies na een cerebrovasculair accident (CVA) is onze kennis de laatste tijd toegenomen. De volgende ziektegeschiedenis dient hierbij als voorbeeld.

In 1975 werden bij een 47-jarige vrouw hypertensie (220120) en souffles over de linker en rechter arteria carotis vastgesteld. Zij werd behandeld met een zoutarm dieet, antidiuretica en bètablockers. In augustus 1979 had zij in de loop van drie weken enkele malen afatische stoornissen. Op 1 september 1979 ontwaakte zij met een hemiparese rechts; deze herstelde goeddeels in de loop van veertien dagen…

Auteursinformatie

Dr.W.I.M.Verhagen, neuroloog.

Contact Psychiatrisch Ziekenhuis Huize Padua, Kluisstraat 2, 5427 EM Boekel

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

B.
van Sweden

Gent, december 1986,

Door collega Verhagen wordt een patiënte voorgesteld bij wie zich na een cerebrovasculair accident in de linker frontale regio tevens een psychopathologische stoornis voordoet, voornamelijk gekenmerkt door affectieve verschijnselen (1986;2161-2). Het zou mijns inziens juister zijn bij deze patiënte van een organisch-affectief psychosyndroom te spreken in plaats van een depressie, een term die na overmatig ge- en misbruik volledig is uitgehold. Deze diagnostische categorie wordt trouwens in de DSM III (bl. 117) precies omschreven. De samenhang tussen een afwijking links frontaal en affectieve stoornissen is nagenoeg volledig gebaseerd op het werk van een groep onderzoekers uit de Johns Hopkins Universiteit. Men mag hierbij echter niet uit het oog verliezen dat de pathogenetische mechanismen, ook door deze auteurs aangehaald, volledig hypothetisch zijn en onder andere zijn afgeleid uit bevindingen bij dierproeven, waarbij stemmingsanomalieën moeilijk te evalueren zijn. Ook bij de mens steunt zowel de catecholaminetheorie van depressie als de stemmingsregulatie voornamelijk op werkhypothesen.

Het voornaamste gevaar van het artikel van collega Verhagen schuilt mijns inziens in de suggestieve aanzet om bij gelijkaardige ziektebeelden met kleinere of grotere stemmingsschommelingen vaker antidepressiva voor te schrijven. Ik zie niet in hoe deze middelen, rechtstreeks of onrechtstreeks, de weefseldestructie en de lokale dysfunctie gunstig zouden kunnen beïnvloeden. Na verloop van tijd is het zelfs mogelijk dat men met een veranderde receptorgevoeligheid ter hoogte van het infarct zal moeten rekening houden. Daarenboven neemt de kans op bijwerkingen met het klimmen der jaren, bij labiele tensie en bestaande cerebrale afwijking, wat bij deze patiënten relevante gegevens zijn, daadwerkelijk toe. Dit zijn mijns inziens voldoende redenen om precies bij deze patiënten voorzichtigheid te betrachten, te meer daar organische psychosyndromen – wanneer de beschadiging niet te uitgebreid is – de eigenschap hebben reversibel te zijn, dank zij onder meer de interdependente compensatiemechanismen die ons CZS gelukkig rijk is.

B. van Sweden
W.I.M.
Verhagen

Nijmegen, januari 1987,

Voor de diagnose organisch-affectief psychosyndroom is het bewijs nodig dat de organische factor, in dit geval het frontale herseninfarct, oorzakelijk verbonden is met de stoornis.12 Zoals collega Van Sweden terecht opmerkt, is door mij gewezen op een samenhang tussen links frontaal gelokaliseerde afwijkingen en affectieve stoornissen, zonder daarbij al te veel in te gaan op de pathogenese omdat deze inderdaad veelal hypothetisch is en deels afgeleid uit dierproeven. Juist daarom voldoet de stoornis bij de beschreven patiënte mijns inziens vooralsnog niet volledig aan de criteria voor een organisch-affectief psychosyndroom.

Het belang van de klinische les schuilt in het attent maken op het veelvuldig voorkomen van depressies bij het vooral links frontaal gelokaliseerde herseninfarct. Zowel bij de depressie in engere zin, als bij het organisch-affectieve psychosyndroom dient psychofarmacologische behandeling overwogen te worden, uiteraard rekening houdend met eventuele coëxistente lichamelijke stoornissen.2 Het onderzoek van Lipsey et al. biedt daarom dan ook voldoende interessante gegevens over het nut van psychofarmaca bij deze patiëntengroep om op zijn minst een proefbehandeling te overwegen.3 Natuurlijk was de klinische les geen aanzet om bij een slechte indicatie of duidelijke contraïndicaties c.q. verhoogd risico antidepressiva voor te schrijven.

W.I.M. Verhagen
Literatuur
  1. Koster van Groos GAS. Beknopte handleiding bij de criteria van de DSM III. Lisse: Swets en Zeitlinger, 1982.

  2. Kaplan HI, Sadock BJ. Modern synopsis of comprehensive textbook of psychiatry. 4th ed. Baltimore: Williams and Wilkins, 1985: 284.

  3. Lipsey JR, Robinson RG, Pearlson GD, et al. Nortriptyline treatment of post-stroke depression: a double-blind study. Lancet 1984; i: 297-300.