De witte jas in de kindergeneeskunde: verband tussen medische voorgeschiedenis en voorkeur voor informeel geklede artsen

Onderzoek
D.L.M. Zwart
J.L.L. Kimpen
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:2020-4
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Vaststellen of kinderen een voorkeur hebben voor een arts in een witte jas of een arts in informeel tenue en welke factoren hierop van invloed zijn. Tevens nagaan of kinderen een voorkeur hebben voor een arts van de eigen of de andere sekse.

Methode

Een serie van 20 fotoparen met hierop wisselende combinaties van een mannelijke en een vrouwelijke arts in witte jas of in informeel tenue werd aan proefpersonen voorgelegd: 37 kinderen zonder medische voorgeschiedenis, 28 kinderen met geringe en 16 met uitgebreide medische voorgeschiedenis, in de leeftijd van 6-12 jaar. Bij elk fotopaar werd de proefpersonen gevraagd de arts te kiezen die zij het liefst wilden hebben.

Resultaten

Gemiddeld kozen de proefpersonen vaker voor een dokter in een witte jas dan voor een dokter in informeel tenue (p < 0,05). Er was een significant verschil in kledingvoorkeur tussen kinderen met een minder of meer uitgebreide voorgeschiedenis (p = 0,001): proefpersonen met een blanco voorgeschiedenis kozen vaker een dokter in witte jas. Proefpersonen met een uitgebreide medische voorgeschiedenis kozen vaker voor een informeel tenue. De kinderen kozen vaker voor een arts van de eigen sekse (p < 0,001).

Conclusie

De voorkeur van kinderen voor een arts in witte jas of een arts in informeel tenue was afhankelijk van hun medische voorgeschiedenis. Naarmate de voorgeschiedenis zich uitbreidt, verschoof de voorkeur naar een dokter in een informeel tenue. Bovendien hadden kinderen voorkeur voor een dokter van de eigen sekse.

Inleiding

In de kindergeneeskunde wordt een witte jas vaak niet meer gedragen. Het meest gebruikte argument hiervoor is dat kinderen bang zijn voor de witte jas; ook meent men steeds meer dat ziekenhuiskleding niet de veronderstelde bescherming tegen infecties biedt.1-3 De angst die ziekenhuiskleding bij kinderen zou oproepen, berust waarschijnlijk op het concept van de ‘beschadigende associatie’: het kind krijgt bij het zien van een witte jas een associatie met een onaangename of pijnlijke ervaring en begint bij voorbaat te protesteren.

In de literatuur is nauwelijks ondersteuning te vinden voor deze argumentatie. Er wordt zelfs gezegd dat kinderen een lichte voorkeur hebben voor een dokter in een witte jas.4 In een ander onderzoek wordt geconcludeerd dat kinderen een dokter in een witte jas competenter vinden, maar minder aardig dan een dokter in een informeel tenue.5 Steunend op het artikel van Blumhagen over de geschiedenis van de witte jas,6 oppert Bischof7 dat het dragen van een witte jas juist bijdraagt aan een gevoel van veiligheid bij de patiënt: een witte jas benadrukt volgens de auteur de context waarin de nare ervaringen van het ziekenhuis begrijpelijk en dus minder bedreigend worden.

Wij onderzochten of kinderen een voorkeur hebben voor een arts in een witte jas of voor een arts in informeel tenue en welke factoren hierop van invloed zijn. Tevens gingen wij na of kinderen een arts van de eigen of een van de andere sekse verkiezen.

Proefpersonen en methode

Proefpersonen

De proefpersonen waren kinderen van 6 tot en met 12 jaar die niet acuut ziek waren en die tijdens de onderzoeksperiode opgenomen waren op de afdelingen Kindergeneeskunde en Kinderchirurgie van het Academisch Ziekenhuis te Groningen of die de CARA-polikliniek van de Beatrix Kinderkliniek van dat ziekenhuis bezochten. Daarnaast werden kinderen in een vergelijkbare leeftijdsgroep van een basisschool in het onderzoek betrokken (Jordenschool te Groningen). Door proefpersonen op deze verschillende plaatsen te werven, werd beoogd binnen de onderzoekspopulatie uitdrukking te geven aan verschillen in ervaring met de medische wereld.

Fotocombinaties

Wij fotografeerden 2 mannen en 2 vrouwen met vergelijkbare uiterlijke kenmerken (ras, oog- en haarkleur, lengte, leeftijd) in een neutrale omgeving, in eenzelfde houding en met gelijkende gelaatsuitdrukking, gekleed in twee verschillende kostuums: de doktersjas en een informeel tenue, namelijk lange broek en blouse.458 De 8 foto's bevatten 2 variabelen: kleding en sekse van de dokter. Van de foto's werden de 20 relevante paren gemaakt waarin per paar kleding, sekse of kleding én sekse varieerden (figuur). De 4 verschillende personen kwamen in deze 20 fotocombinaties dus even vaak voor (5 maal).

Door steeds dezelfde onderzoeker werden aan de kinderen de 20 fotocombinaties voorgelegd. De proefpersonen waren vooraf niet op de hoogte van het doel van het onderzoek. Om een sturend effect van de eerst gepresenteerde fotocombinatie te voorkomen, werd de volgorde van voorleggen van de combinaties gewisseld door elke proefpersoon met een volgende combinatie van de serie te laten beginnen, waarna de reeks werd afgewerkt.

Alle proefpersonen kregen dezelfde inleidende woorden, alle 20 fotocombinaties werden hun niet langer dan 5 s getoond en bij elke fotocombinatie werd hun gevraagd: ‘Welke van deze twee dokters wil jij het liefst als jouw dokter?’ Bij elke fotocombinatie moest een keuze gemaakt worden.

Per kind werden de gemaakte keuzen als volgt gescoord: bij de 4 fotocombinaties waarbij alleen kleding varieerde, scoorde de keuze voor een witte jas 1 en de keuze voor een informeel tenue 0. De minimale score voor kleding was dus 0 en de maximale score 4. Bij de 8 fotocombinaties waarbij de sekse van de dokter varieerde, scoorde een vrouw 1 en een man 0, met een minimale score 0 en een maximale score 8. De fotocombinaties waarbij kleding en sekse varieerden, werden in 2 groepen verdeeld, omdat niet bekend was wat het effect is van de interactie tussen kleding en sekse van de dokter op de keuze van het kind: de fotocombinaties met een vrouw in een witte jas naast een man in informeel tenue en de fotocombinaties met een vrouw in informeel tenue naast een man in een witte jas. Bij deze fotocombinaties scoorde een keuze voor de persoon in de witte jas 1 en voor de persoon in het informele tenue 0, met een minimale score 0 en een maximale score 4 voor beide groepen. Elke proefpersoon kreeg op deze manier 4 scores, één voor kleding, één voor sekse en één voor elk van de fotocombinaties met een interactie.

Na het zien van alle 20 combinaties werd de proefpersonen gevraagd of hun iets aan de serie combinaties was opgevallen en of zij iets konden vertellen over het waarom van hun keuzen. Op de algemene vraag naar het waarom van hun keuzen hadden de meesten geen antwoord. Vervolgens werd specifiek gevraagd naar de voorkeur voor een man of een vrouw als dokter en of deze wel of niet een witte jas aan moest. ‘Het maakt niets uit’ werd bij de mogelijke keuzen aangegeven als een kind niet uit zichzelf met een mening kwam.

Analyse

Voor de analyse van de gegevens werden de proefpersonen in 3 groepen verdeeld: kinderen met een blanco medische voorgeschiedenis of kinderen die voor het eerst werden opgenomen (groep 1; n = 37); deze groep bestond voornamelijk uit kinderen die gezien werden op de lagere school. Groep 2 (n = 28) bestond uit kinderen die minder dan 3 maal waren opgenomen, maar die zich de opname(n) herinnerden of kinderen die regelmatig de polikliniek bezochten of kinderen die beide kenmerken hadden. Groep 3 (n = 16) bestond uit kinderen die 3 maal of meer opgenomen waren geweest en zich die opnamen herinnerden of die langer dan 14 dagen waren opgenomen in het jaar voorafgaande aan het begin van het onderzoek of die beide kenmerken hadden. Verder werden de scores van jongens en meisjes vergeleken en die van 2 leeftijdscategorieën, waarvoor de proefpersonen werden verdeeld in een groep van 6-9 en een groep van 10-12 jaar. Steeds waren de groepen waartussen verschillen werden geanalyseerd ten aanzien van de overige variabelen op overeenkomstige manier samengesteld.

De gemiddelde score van de 81 proefpersonen werd getoetst aan de nulhypothese ‘er is geen voorkeur’ en de verschillen tussen gemaakte groepen werden geanalyseerd met variantieanalyse.

Resultaten

Er werden 81 kinderen geïnterviewd, 19 op de afdeling Kindergeneeskunde, 13 op de afdeling Kinderchirurgie, 25 op de CARA-polikliniek en 24 op de basisschool. De kinderen van de afdeling Chirurgie werden op de 1e of 2e dag na de operatie geïnterviewd. Eén kind weigerde medewerking, halverwege het bekijken van de combinaties. Zij werd niet in het databestand opgenomen. Van de 81 proefpersonen waren 38 jongens en 43 meisjes, met de volgende leeftijdsverdeling: 6 jaar: 19,8; 7 jaar: 13,6; 8 jaar: 14,8; 9 jaar: 12,3; 10 jaar: 16,0; 11 jaar: 13,6; 12 jaar: 9,9.

De proefpersonen kozen gemiddeld vaker voor een dokter in een witte jas (gemiddelde score: 2,31; p

Witte jas of informeel tenue?

Tabel 1 laat zien dat de proefpersonen met een blanco voorgeschiedenis (groep 1) vaker kozen voor een dokter in een witte jas dan voor een dokter in informele kleding (64,8 scoorde 3 of 4 punten tegenover 13,5 met de score 0 of 1). De proefpersonen met een uitgebreide medische voorgeschiedenis (groep 3) kozen vaker voor het informele tenue dan voor de witte jas (50,1 scoorde 0 of 1 en 18,8 3 of 4) Van de polikliniekgroep (groep 2) scoorde 57,1 2, wat geïnterpreteerd werd als ‘geen voorkeur’. Het aantal kinderen uit deze groep dat meer of minder dan 2 scoorde, was ongeveer even groot. In de polikliniekgroep was er geen duidelijke voorkeur voor één van de kledingstijlen. Het verschil in voorkeur voor kleding van hun dokter tussen de 3 groepen was statistisch significant (p = 0,001). Geslacht en leeftijd van de proefpersonen hadden geen significant effect op hun keuze voor een bepaalde kledingstijl (de scores van deze subgroepen zijn niet weergegeven).

Mannelijke of vrouwelijke dokter?

In tabel 2 staan de scores voor sekse van de arts. De jongens kozen vaker voor een mannelijke arts (68,5 scoorde 0, 1, 2 of 3) en de meisjes voor een vrouwelijke (65,2 scoorde 5, 6, 7 of 8). Dit verschil in seksevoorkeur bij jongens en meisjes was significant (p

Keus bij interactie van witte jas en sekse

Tabel 3 geeft de scores voor een vrouwelijke arts in witte jas naast een mannelijke arts in informeel tenue. De jongens verkozen de man in informeel tenue vaker boven de vrouw in de witte jas (47,3 scoorde 0 of 1 en 29 3 of 4). Meisjes hadden bij deze combinatiefoto's een voorkeur voor de vrouw in de witte jas (79 scoorde 3 of 4). Dit verschil in voorkeur tussen jongens en meisjes was significant (p

Eveneens in tabel 3 staan de scores voor een vrouwelijke arts in informeel tenue naast een mannelijke arts in witte jas. Jongens kozen vaker voor de mannelijke arts in witte jas dan voor de vrouwelijke arts in informeel tenue (63,1 scoorde 3 of 4 en 26,3 0 of 1). Meisjes kozen vaker voor de vrouwelijke arts in informeel tenue dan voor de man in witte jas (58,1 scoorde 0 of 1 en 23,3 3 of 4) Dit verschil in voorkeur tussen jongens en meisjes was significant (p

Antwoord op de vraag naar voorkeur

Op de vraag naar kleding- en seksevoorkeur antwoordden de kinderen als volgt: van groep 1 zeiden 16 kinderen (43) een dokter in een witte jas te prefereren, van groep 2 10 (36) en van groep 3 3 (19). Als motivatie voerden zij aan dat ‘het zo hoort’, dat een witte jas de herkenning van een arts bevordert en dat dokters in het wit ‘beter zijn’. Van groep 1 wilden 14 kinderen (38) het liefst een dokter in een informeel tenue, van groep 2 6 (21), van groep 3 7 (44). Als motivatie voerden zij aan dat een informeel tenue ‘leuker is’, en van elke groep met deze voorkeur zei eenderde een informeel tenue te prefereren, omdat een witte jas ‘eng is’. Dat kleding van een arts niets uitmaakt, als het maar een goede dokter is, zeiden 7 kinderen van groep 1 (19), 12 van groep 2 (43) en 6 van groep 3 (38). Van de jongens prefereerde 53 een man als dokter en van de meisjes 70 een vrouw. Als motivatie hiervoor voerden zij aan dat mannen respectievelijk vrouwen ‘leuker’, ‘aardiger’ of ‘beter’ zijn of dat zij zelf man respectievelijk vrouw waren.

Beschouwing

Een meerderheid van de 80 proefpersonen verkoos een dokter in een witte jas boven een dokter in een informeel tenue. Het is interessant om te analyseren welke kinderen wat kiezen. Geldt deze voorkeur voor alle proefpersonen even sterk of zijn er factoren aan te wijzen die hierop van invloed zijn?

Indien wij de resultaten analyseerden voor de 3 groepen kinderen met verschillende medische voorgeschiedenis, respectievelijk kinderen met een blanco medische voorgeschiedenis, kinderen met regelmatig en kinderen met langdurig en intensief dokterscontact, vonden wij een significant verschil in voorkeur voor kledingstijl van de dokter. De ‘schoolkinderen’ hadden een voorkeur voor de dokter in de witte jas. De ‘polikinderen’ hadden geen duidelijke voorkeur voor de witte jas en degenen met veel ziekenhuiservaring hadden een voorkeur voor informele kleding. Het viel op dat, naarmate de medische voorgeschiedenis uitgebreider was, de voorkeur voor een dokter in het wit afnam. Dit past bij de in de inleiding genoemde stelling dat hoe meer kinderen met dokters te maken hebben, des te banger zij worden voor de witte jas, dus dat zij hun nare ervaringen gaan associëren met de witte jas.

Op grond van de antwoorden op de vragen naar mening en motivatie van de kinderen lijkt een andere verklaring zeker zo redelijk. Dat er kinderen zijn die de witte jas ‘eng’ vinden, staat niet ter discussie. Van elke groep motiveerde ongeveer eenderde van hen die een voorkeur hadden voor een dokter in informele kledij, zijn of haar keuze met het ‘eng zijn’ van een witte jas of een zich meer op zijn gemak voelen bij een dokter in een informeel tenue. Naarmate de medische voorgeschiedenis langer werd, nam het aantal kinderen dat op deze wijze hun keus motiveerde niet toe, maar de groep kinderen die zei ‘kleding van de dokter maakt niet uit’ werd wel groter. Bij de schoolkinderen had eenvijfde geen voorkeur, bij de ‘polikinderen’ en de kinderen met veel ziekenhuiservaring 2 maal zoveel. Hierdoor dringt de veronderstelling zich op dat kinderen met meer ervaring in het medische circuit afstand doen van de clichédokter in witte jas en bemerken dat een dokter ondanks uiterlijk gewoon een dokter blijft. Als deze kinderen al bang zijn, zijn zij bang voor de dokter en niet voor de jas.

Een voorkeur voor sekse van de dokter werd bij de proefpersonen niet gevonden. Bij nadere analyse bleek echter dat kinderen een voorkeur hebben voor een dokter van de eigen sekse. Een verklaring hiervoor ligt mogelijk in identificatie met of herkenning van zichzelf in de dokter.

De fotocombinaties met de variabelen kleding én sekse gaven informatie over het effect van de interactie van sekse en kleding op de keuze van de proefpersonen. Voor beide interactievariabelen werd er een significant verschil in keuze tussen jongens en meisjes gevonden, in de vorm van een sterke voorkeur voor de eigen sekse. De medische voorgeschiedenis bleek bij deze fotocombinaties geen invloed op de keuze te hebben. De afnemende voorkeur voor de witte jas naarmate de voorgeschiedenis uitgebreider wordt, werd hier niet teruggevonden. Blijkbaar is de kledingstijl minder belangrijk voor de keuze van een bepaalde dokter dan de sekse van die arts.

Met het idee dat jongere kinderen een ‘witte dokter’ enger zouden vinden en dat zij mogelijk een vrouwelijke arts zouden prefereren, keken wij naar verschillen in voorkeur tussen kinderen van 6-9 en kinderen van 10-12 jaar. Noch voor kleding, noch voor sekse van de dokter en ook niet bij voorlegging van de interactiefotocombinaties werd een significant verschil tussen de leeftijdscategorieën gevonden. Veel (kinder)artsen hebben ervaring met bange patiënten, maar dat betreft vooral de kinderen beneden de 6 jaar, die men niet gemakkelijk kan uitleggen wat er gaande is of wat er te gebeuren staat. Het is dan ook een zwak punt van dit onderzoek dat deze kinderen niet als proefgroep werden onderzocht. De opzet van dit onderzoek, met veel fotocombinaties en een mondelinge motivatie van de keuzen, vergde echter een zeker concentratievermogen en verbale vermogens van het kind. Desalniettemin blijft het ook bij deze jongere patiënten de vraag of hun angst nu ligt aan de witte jas of gewoon aan het feit dat er een dokter in de buurt is. Deze groep zal op zich met deze nonverbale methode goed te onderzoeken zijn, maar dan met een kortere fotocombinatiereeks.

Wij danken mw.dr.J.Cohen, psycholoog, voor haar adviezen omtrent methode en statistische bewerkingen.

Literatuur
  1. Wong D, Nye K, Hollis P. Microbial flora on doctor'swhite coats. BMJ 1991;303:1602-4.

  2. Pelke S, Ching D, Easa D, Melish ME. Gowning does notaffect colonization or infection rates in a neonatal intensive care unit.Arch Pediatr Adolesc Med 1994;148:1016-20.

  3. Oliver jr TK. Gowning does not affect colonization orinfection rates. Arch Pediatr Adolesc Med 1994;148:1012.

  4. Marino RV, Rosenfeld W, Narula P, Karakurum M. Impact ofpediatricians‘ attire on children and parents. J Dev Behav Pediatr1991;12:98-101.

  5. Barrett TG, Booth IW. Sartorial eloquence: does it existin the paediatrician-patient relationship? BMJ 1994;309:1710-2.

  6. Blumhagen DW. The doctor's white coat. The image ofthe physician in modern America. Ann Intern Med 1979;91:111-6.

  7. Bischof RO. White coats in the care of children. Lancet1995;345:777-8.

  8. Taylor PG. Does dress influence how parents first perceivehouse staff competence? Am J Dis Child 1987;141:426-8.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis, Beatrix Kinderkliniek, afd. Infectieziekten, Hanzeplein 1, Postbus 30.001, 9700 RB Groningen.

Mw.D.L.M.Zwart, assistent-geneeskundige; dr.J.L.L.Kimpen, kinderarts.

Contact dr.J.L.L.Kimpen

Gerelateerde artikelen

Reacties