De wandelende nier

Klinische praktijk
L.F.A. Wymenga
M.F. van Driel
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1996;140:2541-4

Dames en Heren,

De diagnose ‘nefroptosis’ ofwel ‘wandelende nier’ wordt tegenwoordig betrekkelijk zelden gesteld. In de onlangs verschenen, geheel herziene versie van het Nederlands leerboek voor urologie wordt de afwijking zelfs in het geheel niet meer vermeld, noch als anatomische variant, noch als pathologisch verschijnsel.1 In dit tijdschrift is het ziektebeeld nefroptosis slechts summier beschreven.2

Nefroptosis kan tot pijn in de flank leiden, pijn die meestal in de loop van de dag toeneemt. Op langere termijn kan door chronische overrekking van de nierarterie en de daardoor optredende dysplastische vaatwandveranderingen hypertensie ontstaan. Helaas is in de loop van de tijd de diagnose ‘nefroptosis’ in diskrediet geraakt. Later komen wij hierop terug. Dat betekende waarschijnlijk ook dat een aantal patiënten ten onrechte een adequate behandeling werd onthouden. Operatieve nefropexie doet de meestal houdingsafhankelijke pijnklachten vrijwel altijd verdwijnen. Bovendien kan mogelijk de eventuele irreversibele beschadiging van de nierarterie worden voorkomen.

Uiteraard…

Auteursinformatie

Nij Smellinghe Ziekenhuis, afd. Urologie, Compagnonsplein 1, 9202 NN Drachten.

L.F.A.Wymenga, uroloog.

Academisch Ziekenhuis, afd. Urologie, Groningen.

Dr.M.F.van Driel, uroloog.

Contact L.F.A.Wymenga

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Amsterdam, december 1996,

In hun klinische les bevelen Wymenga en Van Driel (1996;2541-4) isotopenrenografie bij de liggende en staande patiënt aan om een doorbloedingsverlies van de ptotische nier ten opzichte van de niet-aangetaste nier aan te tonen. Zij illustreren dit met een achteraanzicht van een isotopenrenogram van een patiënt in staande houding. Een ptotische nier zal dan echter een grotere afstand tot de gammacamera hebben, zodat het doorbloedingsverlies zeker voor een deel schijn is. Om bij de staande patiënt werkelijk een doorbloedingsverschil tussen de twee nieren aan te tonen zou men mijns inziens het geometrische gemiddelde van een achter- en vooraanzicht van de twee nieren moeten vergelijken.

A.J.M. Donker

Amsterdam, januari 1997,

Voor het vaststellen van een functieafname ten gevolge van nefroptosis wordt door de collegae Wymenga en Van Driel isotopenrenografie bij de liggende en staande patiënt aanbevolen (1996;2541-4). In het geval van nefroptosis daalt de nier echter niet alleen, maar kan deze ook kantelen. Dit betekent dat de nier bij de staande patiënt verder van de gammacamera af ligt en dat er minder activiteit gemeten zal worden, zodat een relatief lagere functiebijdrage zal worden gevonden. Met het geometrisch gemiddelde zou daaraan tegemoetgekomen kunnen worden; maar is een dubbelkopsgammacamera voor nodig, waarbij het echter niet met elk type mogelijk is de patiënt zittend te fotograferen. Voor het meten van de functiebijdrage kan men waarschijnlijk beter van 99mTc-dimercaptobarnsteenzuur (DMSA)-scintigrafie gebruikmaken dan van 99mTc-mercaptoacetyltriglycine (MAG3)-renografie. DMSA wordt glomerulair gefilterd en deels tubulair geretineerd. Wanneer het DMSA aan een patiënt in zittende houding wordt toegediend en deze de volgende paar uur alleen mag lopen of zitten, kan men vervolgens foto's bij de liggende patiënt maken. De aldus gemeten functieverhouding (bij voorkeur afgeleid uit het geometrisch gemiddelde) is een maat voor de functie (en doorbloeding) in staande houding en men heeft bij deze methode geen last van kantelen. Eventueel volgt aansluitend nog een foto bij de staande patiënt waarmee dan het aantal cm daling en het kantelen worden vastgelegd. Is er aldus in liggende houding geen significant links-rechtsverschil, dan is onzes inziens het onderzoek klaar en hoeft het niet na toediening van DMSA aan de liggende patiënt te worden herhaald. Wel dient bij het functieonderzoek van een ‘wandelende’ nier de volgende kanttekening te worden gemaakt. Zowel bij het 99mTc-MAG3- als bij het 99mTc-DMSA-onderzoek gaat men ervan uit dat de eventuele functiebeperking aanwezig is op het moment van toediening van het radiofarmacon. De hemodynamische functiebeperking door het uitrekken van de arterie van de ptotische nier is bij het gaan staan zeker aanwezig. Vervolgens zou de nier dit functieverlies echter kunnen compenseren, hetgeen de diagnostiek zou hinderen. Het zou dan ook interessant zijn het effect van een angiotensine-‘converting’-enzym- of prostaglandineremmer bij dergelijk functieonderzoek te bestuderen.

J.C. Roos
D. de Zeeuw

Glimmen, februari 1997,

Met de aanvullende opmerkingen van de collegae Donker, Roos en De Zeeuw zijn wij het eens. De manier waarop het reële doorbloedingsverschil werd bepaald werd in deze klinische les niet in detail besproken. Wij hebben uiteraard het geometrische gemiddelde van de radioactiviteitsafbeelding in beide nieren, gemeten bij de staande en de liggende patiënt, berekend. Omwille van de eenvoud werd gekozen voor een afbeelding van een achteraanzicht.

L.F.A. Wymenga
M.F. van Driel