De rol van de gezondheidszorg bij arbeidsongeschiktheid

Klinische praktijk
M. ten Hove-Edens
J.W. Groothoff
D. Post
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1996;140:1982-6

Nederland telt momenteel 900.000 arbeidsongeschikten in het kader van de WAOAAW. ongeveer 13 van de beroepsbevolking.12 Daarmee hebben wij, in vergelijking tot Duitsland en België, twee- tot driemaal zo veel werknemers die langdurig arbeidsongeschikt zijn (langdurig wil zeggen: langer dan 6 weken). Vooral jongeren zijn in ons land, meer dan elders, arbeidsongeschikt.3 Daarnaast zien wij een grote mate van kortdurend arbeidsverzuim. Sedert de invoering van de nieuwe wetgeving om het arbeidsverzuim terug te dringen daalt het verzuimpercentage.

Van belang is dat in de nieuwe wetgeving de nadruk veel meer is komen te liggen op de resterende mogelijkheid van betrokkene dan op de aanwezige beperkingen. Bovendien moet de arbeidsongeschiktheid rechtstreeks een medisch objectief vaststelbaar gevolg van ziekte of gebrek zijn en wordt er geen rekening meer gehouden met opleiding en vroeger beroep.4 Het criterium van arbeid die een werknemer gezien zijn opleiding in billijkheid kan worden opgedragen…

Auteursinformatie

Rijksuniversiteit, Instituut Sociale Geneeskunde, Ant. Deusinglaan 1 9713 AV Groningen.

Mw.M.ten Hove-Edens, arts-onderzoeker; dr.J.W.Groothoff en prof. dr.D.Post, sociaal-geneeskundigen.

Contact dr.J.W.Groothoff

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Leiden, oktober 1996,

Ten Hove-Edens et al. wijzen er terecht op dat het verzuim door arbeidsongeschiktheid (WAO/AAW) in Nederland opvallend hoog is, volgens hen wel 2 tot 3 maal zoveel als in de ons omringende landen (1996;1982-6). Ook het korte verzuim (Ziektewet) is zoals bekend zeer groot. De schrijvers denken dat dit verzuim op zeer complexe wijze tot stand komt. Zij vermijden daarbij de vraag of de betrokken instanties naast hun begeleidende zorg wel hun controlerende taak voldoende hebben uitgeoefend. Ook terecht merken zij op dat de gezondheidszorg in het verzuim slechts een beperkte rol speelt, al zien zij wel een duidelijke invloed. Zij zien een belangrijke oplossing in meer samenwerking van de sociale en curatieve geneeskunde. Dit laatste is zeer aanvechtbaar zolang de sociale geneeskunde er niet in slaagt zelf orde op zaken te stellen. Dat het ziekteverzuim in Nederland zo buitensporig hoog werd, is in hoofdzaak een gevolg van de werkwijze van enkele instanties die de begeleiding en de uitkeringen verzorgen. De wet- en de regelgeving werkten dat overigens in de hand. Dit alles is beslist niet in het geheim of per ongeluk gebeurd. De financiële schade voor ons land is een kwestie van vele miljarden per jaar, maar de stilte daarover blijft opvallend groot.

Gezien het voorgaande is het mijns inziens onvoorzichtig de indruk te wekken dat onvermogen of onwil van de medische curatieve sector invloed heeft op de mate van ziekteverzuim mede door het hanteren van te starre regels. De curatieve sector in Nederland is voorlopig nog steeds de meest accuraat werkende tak van de geneeskunde. De instanties die het arbeidsverzuim begeleiden, dienen eerst hun eigen problemen op te lossen alvorens de curatieve medici met hun moeilijkheden te belasten. Als zij daarin zullen zijn geslaagd, zal de behoefte aan het uitwisselen van informatie belangrijk verminderen. Tevens kunnen dan medisch-ethische discussies hierover zeer beperkt worden gehouden.

G.D. de Jong

Groningen, november 1996,

De reactie van collega De Jong is voor ons een goede aanleiding om nog eens met nadruk erop te wijzen dat een goede samenwerking tussen curatieve en sociaal-geneeskundige sector het probleem van de langdurige en kortdurende arbeidsongeschiktheid voor een deel kan oplossen. Het gaat er dan om dat er adequate informatie-uitwisseling plaatsvindt en dat er geen vertraging in het herstelproces optreedt door gebrek aan overleg.

Ons artikel heeft niet een bepaalde groep de zwarte piet willen toespelen. Ook zijn wij het niet eens met de opmerking van De Jong dat wij gesuggereerd zouden hebben dat de curatieve sector door onwil of onvermogen invloed zou hebben op het ziekteverzuim. Het gaat erom dat zowel de curatieve als de sociaal-geneeskundige sector gericht dient te zijn op het voorkómen van het moeten opgeven van het werk door ziekte of gebrek.

D. Post
J.W. Groothoff