De rol van contactallergie bij patiënten met eczeem

Onderzoek
A.C. de Groot
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1988;132:630-3
Abstract
Download PDF

Samenvatting

In de periode 1 januari 1981-30 juni 1986 werden 1596 patiënten bij wie allergisch contacteczeem werd vermoed, onderzocht door middel van epicutane allergietests. Bij 623 patiënten (39,0) werd allergie voor een of meer contactallergenen aangetoond. Bij vrouwen werden in de Europese standaardreeks de meeste reacties gezien op nikkelsulfaat (20,2), gevolgd door de parfummix (7,5), perubalsem (4,6) en kobaltchloride (4,3). Bij mannen werden de meeste reacties gezien op de parfummix (5,6), perubalsem (4,4) en kaliumbichromaat (4,2). Andere belangrijke oorzaken van contactallergie waren kosmetische produkten (65 patiënten) en lokale therapeutica (54 patiënten).

De handen waren het meest aangedaan (45,9), daarop volgden gelaathals (32,7), armen (25,4), benen (22,6) en de romp (18,6).

Contactallergie speelde een rol bij 27,9 van de patiënten, ortho-ergische factoren bij 32,2 en atopie bij 29,0.

artikel

Inleiding

Zie ook het artikel op bl. 609.

Huisartsen zien op hun spreekuur veel patiënten met eczeem. Ongeveer 25 van hen wordt naar de dermatoloog verwezen.1 Voor een goede behandeling is het onvoldoende om alleen op morfologische gronden de diagnose ‘eczeem’ te stellen. Het is van groot belang bij elke patiënt factoren van endogene en exogene aard die de aandoening veroorzaken of beïnvloeden, op te sporen. Voor het aantonen van contactallergieën maakt de dermatoloog gebruik van epicutaan allergologisch onderzoek, ook wel plakproeven of lapjesproeven genoemd.23

In dit artikel beschrijf ik de resultaten van een retrospectief onderzoek naar het belang van contactallergologisch onderzoek bij patiënten die naar de dermatoloog worden verwezen wegens ‘eczeem’.

PatiËnten en methoden

De statussen van alle patiënten met eczeem die in de periode 1 januari 1981-30 juni 1986 de polikliniek dermatologie van het Carolus Ziekenhuis of het Willem-Alexander Ziekenhuis te 's-Hertogenbosch bezochten, en bij wie epicutaan allergologisch onderzoek was uitgevoerd, werden opgezocht. Hieruit werden de volgende gegevens verzameld: geslacht, leeftijd, lokalisatie van het eczeem, uitslagen van allergologisch onderzoek, relevantie van aangetoonde contactallergenen, en einddiagnose. Indicaties voor verrichten van epicutane allergietests waren:

– Langdurig bestaand eczeem van onbekende origine.

– Langdurig bestaand therapieresistent atopisch eczeem.

– Vermoeden van eczeem veroorzaakt of verergerd door beroepsactiviteiten (bijv. bij metselaars, kappers, bakkers).

– Vermoeden van contactallergie voor een of meer specifieke substantiesstoffen (bijv. cosmetica, lokale therapeutica).

– Eczeem aan de handen.

De patiënten waren als routine epicutaan getest met de ‘Europese standaardreeks’ (tabel 1), zonodig aangevuld met andere (reeksen van) allergenen.4-6 Uiteraard werden contactstoffen die bij de desbetreffende patiënten een rol zouden kunnen spelen, eveneens in het onderzoek betrokken. Uitvoering van het onderzoek en beoordeling van de resultaten geschiedden volgens internationaal aanvaarde criteria.7

Resultaten

In de periode 1 januari 1981-30 juni 1986 werden in de polikliniek dermatologie 17.127 nieuwe patiënten gezien. Bij 1596 patiënten met eczeem werden plakproeven uitgevoerd. Bij 623 van hen (39,0) werd allergie voor een of meer contactallergenen aangetoond. Bij 446 patiënten (27,9) hielden de aangetoonde allergieën verband met de klachten waarvoor de patiënten kwamen. De groep van 623 patiënten met aangetoonde contactallergieën (leeftijd 9-79 jaar, gemiddeld 37) bestond uit 460 vrouwen (73,8) en 163 mannen (26,2).

De lokalisaties van de dermatose bij de patiënten waren als volgt: handen (45,9), gelaathals (32,7), armen (25,4), benen (22,6) en romp (18,6).

De resultaten van testen met de Europese standaardreeks zijn weergegeven in tabel 1. Bij vrouwen werden de meeste reacties gezien op nikkelsulfaat (20,2), gevolgd door de parfummix (7,5), perubalsem (4,6) en kobaltchloride (4,3). Bij mannen werden de meeste positieve plakproeven gezien op de parfummix (5,6), perubalsem (4,4), kaliumbichromaat (4,2) en nikkel (2,6).

De resultaten van tests met andere allergenen waren als volgt: 574 patiënten waren getest met een reeks ‘PARA’-stoffen (p-aminodifenylamine, diaminodifenylmethaan, isobutyl-p-aminobenzoaat, ‘disperse yellow’, ‘disperse orange’), vooral bij eczeem aan de voeten en bij vermoeden van allergie voor rubber of kleurstoffen. Het percentage positieve reacties varieerde van 1,6 (diaminodifenylmethaan en disperse yellow) tot 3,0 (disperse orange).

Bij 65 patiënten werd een contactallergie voor cosmetica aangetoond. Een uitvoerige beschrijving van deze groep is elders reeds gepubliceerd.8 Vierenvijftig patiënten reageerden op door hen gebruikte lokale geneesmiddelen (tabel 2). De meeste reacties werden veroorzaakt door geneesmiddelen die bekende allergenen bevatten, zoals framycetine (in Proctosedyl), nitrofural (Furacine), clioquinol (in Locacorten-Vioform), tromantadine (in Viru-Merz) en benzocaïne (vroeger in unguentum contra hemorrhoides FNA).

Zesentwintig patiënten bleken allergisch voor antibioticaantiseptica, 20 voor schoeisel (vaak allergie voor chroom, waarmee leer gelooid wordt, door allergie voor de lijmstof p-tert-butylfenolformaldehydehars of rubberbestanddelen), 17 voor conserveermiddelen en 59 voor andere allergenen. De belangrijkste categorie van contactallergenen werd gevormd door metalen: 270 patiënten (43,3 van de groep aan 623 met contactallergieën) hadden een of meer positieve reacties hierop. Daarop volgden parfumgrondstoffenindicatoren voor parfumallergie (175 patiënten; 28,1), geneesmiddelen (allergenen in de standaardreeks en (of) door de patiënten gebruikte preparaten) bij 95 patiënten (15,2) en rubberchemicaliën (64 patiënten; 10,3). Cosmetica speelden een rol bij 65 patiënten (10,4); 29 van hen hadden ook een positieve reactie op parfumgrondstoffenindicatoren. Deze maken deel uit van het totaal van 175 patiënten in deze groep (zie hiervoor).

Aan de hand van de anamnese, het klinische onderzoek, het beloop van de klachten en de resultaten van allergologisch onderzoek (ook onderzoek op atopische allergenen, dat buiten het bestek van dit artikel valt) werd bij alle patiënten een ‘einddiagnose’ gesteld. 247 patiënten (15,5) van de 1596 patiënten met eczeem hadden allergisch contacteczeem, 219 (13,7) ortho-ergisch eczeem en 226 (14,2) atopisch eczeem. Bij 335 patiënten (21,0) berustte het eczeem op een combinatie van contactallergische en (of) ortho-ergische en (of) atopische factoren. Contactallergie speelde een rol bij 446 patiënten (27,9), ortho-ergische invloeden bij 514 (32,2) en een atopische aanleg bij 463 (29,0). Bij 347 patiënten (21,7) kon geen duidelijke oorzaak voor het eczeem worden gegeven.

Beschouwing

Dit onderzoek bevestigt het belang van epicutaan allergologisch onderzoek in de dermatologische (perifere) praktijk. Bij bijna 4 van de 10 wegens eczeem geteste patiënten werden 1 of meer contactallergieën aangetoond en bij bijna 3 van de 10 hielden deze verband met de klachten waarvoor de patiënt kwam. In soortgelijke studies varieerde het percentage patiënten bij wie contactallergie werd aangetoond van 3214 tot 68,15 afhankelijk van de selectie van de patiënten.

De belangrijkste categorie van allergenen bestond uit metalen. In overeenstemming met gegevens uit de literatuur kwam nikkelallergie aanzienlijk vaker voor bij vrouwen (20,2) dan bij mannen (2,6). Het doorboren van de oorlel en het naderhand dragen van nikkelbevattende oorsieraden blijkt een belangrijke oorzaak van nikkelallergie te zijn.16 Bij chroom is de verhouding omgekeerd; chroom is het belangrijkste allergeen bij metselaars.

De tweede categorie van allergenen wordt gevormd door parfumgrondstoffen, zoals aangegeven door positieve reacties op de parfummix en (of) de indicatorallergenen voor parfumallergie (perubalsem, houtteermengsel, colofonium). De frequentie blijkt bij mannen nagenoeg gelijk aan die bij vrouwen, wellicht enigszins tegen de verwachting in. Dit is te verklaren doordat ook de man dagelijks in contact komt met parfumgrondstoffen, bijv. in zeep, tandpasta, after-shave, shampoo, badschuim, geparfumeerde tissues. Wellicht spelen ook smaakstoffen, geurstoffen en kruiden in voeding hierbij een rol.17

Lokale geneesmiddelen vormen een derde, gemakkelijk te vermijden, bron van contactallergieën (vooral antibacteriële middelen, heparinoïden (Hirudoid), lokale anesthetica). Allergie voor rubberchemicaliën werd gezien bij 10,3 van de geteste patiënten, vooral bij eczeem aan de voeten en bij huisvrouwen met eczeem aan de handen.

Behalve contactallergie (27,9) speelden ook ortho-ergische factoren (32,3) en een atopische aanleg (29,0) een belangrijke rol in onze groep van 1596 patiënten.

Contactallergologisch onderzoek is belangrijk bij de diagnostiek en behandeling van patiënten met eczeem. Het gebruik van apparatuur van chirurgisch staal bij het doorboren van de oorlel en het dragen van oorsieraden van dit materiaal, goud of plastic, en terughoudendheid bij het voor lange tijd voorschrijven van lokale preparaten die bekende allergenen bevatten, zoals neomycine, framycetine, Furacine, clioquinol en benzocaïne zou een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het verminderen van het aantal patiënten met allergisch contacteczeem.

Prof. dr.J.P.Nater en dr.P.J.Coenraads van de Rijksuniversiteit te Groningen hebben het manuscript kritisch bekeken. Hun adviezen en suggesties waren zeer waardevol.

Literatuur
  1. Nater JP. Eczeem van de handen. G.B. Intermedicus 1980;1.

  2. Nater JP, Groot AC de. Unwanted effects of cosmetics anddrugs used in dermatology. 2nd ed. Amsterdam: Elsevier, 1985.

  3. Groot AC de. Patch testing. Test concentrations &vehicles for 2800 allergens. Amsterdam: Elsevier, 1986.

  4. Groot AC de, Liem DH, Nater JP. Ketel WG van. Patch testswith fragrance materials and preservatives. Contact Dermatitis 1985; 12:87-92.

  5. Groot AC de, Weyland JW, Bos JD, Jagtman BA. Contactallergy to preservatives (I). Contact Dermatitis 1986; 14: 120-2.

  6. Groot AC de, Bos JD, Jagtman BA, Bruynzeel DP, Joost Tvan, Weyland JW. Contact allergy to preservatives (II). Contact Dermatitis1986; 15: 218-22.

  7. Fregert S. Manual of contact dermatitis. 2nd ed.Kopenhagen: Munksgaard, 1981.

  8. Groot AC de. Contact allergy to cosmetics: causativeingredients. Contact Dermatitis 1987; 17: 26-34.

  9. Smeenk G, Kerckhoffs HPM, Schreurs PHM. Contact allergy toa reaction product in Hirudoid cream: an example of compound allergy. Br JDermatol 1987; 116: 223-31.

  10. Groot AC de. Contact allergy to EDTA in a topicalcorticosteroid preparation. Contact Dermatitis 1986; 15: 250-2.

  11. Groot AC de. Contact allergy to clindamycin. ContactDermatitis 1982; 8: 428.

  12. Groot AC de. Contact allergy to sodium fusidate. ContactDermatitis 1982; 8: 429.

  13. Groot AC de, Nater JP. Contact allergy to dithranol.Contact Dermatitis 1981; 7: 5-8.

  14. Hammershoy O. Standard patch test results in 3,225consecutive Danish patients from 1973 to 1977. Contact Dermatitis 1980; 6:263-8.

  15. Vestey JP, Gawkrodger DJ, Wong W-K, Buxton PK. Ananalysis of 501 consecutive contact clinic consultations. Contact Dermatitis1986; 15: 119-25.

  16. Larsson-Stymne B, Widstrom L. Ear piercing – acause of nickel allergy in schoolgirls? Contact Dermatitis 1985; 13:289-93.

  17. Veien NK, Hattel T, Justesen O, et al. Reduction ofintake of balsams in patients sensitive to balsam of Peru. Contact Dermatitis1985; 12: 270-3.

Auteursinformatie

Carolus Ziekenhuis en Willem Alexander Ziekenhuis, afd. Dermatologie, Postbus 90152, 5200 MD 's-Hertogenbosch.

A.C.de Groot, huidarts.

Gerelateerde artikelen

Reacties