De psychosociale zorg na de vuurwerkramp in Enschede; lessen van de Bijlmer-vliegramp

Klinische praktijk
B.P.R. Gersons
R.R.R. Huijsman-Rubingh
M. Olff
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:1426-30
Abstract
Download PDF

Samenvatting

- Bij de opzet en de uitvoering van de psychosociale zorg voor de getroffenen van de vuurwerkramp in Enschede (2000) is lering getrokken uit de Bijlmer-vliegramp (1992). Daar bleek dat vele jaren na de ramp zich nog psychische en lichamelijke gezondheidsklachten kunnen voordoen.

- De belangrijkste tekortkomingen bij de nazorg van de Bijlmer-ramp waren het ontbreken van de monitoring van de gezondheidsklachten over langere tijd en een daarmee verbonden coördinatie van de hulpverlening.

- In Enschede is een informatie- en adviescentrum (IAC) voor een periode van 3-5 jaar opgericht, dat verantwoordelijk is voor het verminderen van de gevolgen van de ramp. Het IAC dient op de hoogte te blijven van het wel en wee van de getroffenen, hen van gewenste informatie te voorzien en waar nodig hulpverlening voor hen te regelen. In totaal hebben 13.000 getroffenen gebruikgemaakt van de diensten van het IAC.

- Daarnaast is een bewonersvereniging in het leven geroepen om de getroffenen een duidelijke spreekbuis te geven bij het herstel van hun situatie.

- Een gespecialiseerd GGZ-team is opgericht om met de ramp samenhangende stoornissen zoveel mogelijk evidence-based te kunnen behandelen; circa 1300 mensen hebben zich inmiddels laten behandelen.

- Het longitudinale onderzoek ‘Gezondheidsmonitoring getroffenen vuurwerkramp Enschede’ is opgezet om de gevolgen van de ramp in kaart te brengen en aanbevelingen te kunnen doen aan hulpverleningsinstellingen. Dit zal ook inzicht moeten geven in hoeverre deze aanpak als geheel de langetermijngevolgen heeft kunnen beperken.

artikel

Bij de vuurwerkramp in Enschede, op 13 mei 2000, verloren 22 mensen het leven en liepen bijna 1000 mensen verwondingen op. Een complete stadswijk veranderde in een oogwenk in een brandende ruïne, waaruit in paniek verkerende en bloedende mensen een veilig heenkomen zochten. Over de lichamelijke traumaopvang is eerder in dit tijdschrift bericht.1 De omvangrijke psychosociale nazorg die in Enschede door de gemeente, lokale organisaties en de landelijke overheid tot stand is gebracht, vormt het onderwerp van deze bijdrage. Bij de opzet van de nazorg is gebruikgemaakt van de opgedane ervaringen met de Bijlmer-vliegramp in 1992.2-4

fasen na een ramp

Impactfase

Na een ramp is een patroon te onderscheiden van fasen, waar de psychosociale hulpverlening op moet inspelen. Direct in aansluiting op een ramp start de impactfase. Dit betreft de eerste 24-36 uur. Deze fase wordt gekenmerkt door gedrag dat gericht is op overleving en door ongeloof en verbijstering over het gebeurde. Omstanders en reddingswerkers bieden steun en hulp. Geleidelijk aan ontstaat een toenemende behoefte om veel en steeds weer over de ramp te vertellen, waarbij emoties als woede en verdriet vrijkomen.

‘Honeymoon’-fase

De daaropvolgende fase wordt ‘honeymoon’-fase genoemd. Deze wordt gekenmerkt door gevoelens van intense verbondenheid tussen getroffenen en niet-getroffenen. Hiërarchische structuren maken plaats voor lotgenootschap en massale, spontane vaak overactieve hulpverlening. Autoriteiten beloven iedereen te helpen. Het effect is dat getroffenen zich ondanks hun gebrekkige situatie niet aan hun lot overgelaten voelen. Dit wordt mede gevoed door de media-aandacht en door de herdenkingen.

Desillusiefase

Na ongeveer drie weken volgt onvermijdelijk de desillusiefase, wanneer de niet-getroffenen weer overgaan tot ‘de orde van de dag’. De getroffenen beleven dat als ‘aan je lot overgelaten worden’. Met het woord ‘desillusie’ wordt het schrille contrast met de voorgaande fase benadrukt. Ook de dan pas intens beleefde vermoeidheid draagt hieraan bij. De bureaucratie, nodig om flexibel in te kunnen spelen op de behoeften van de getroffenen, sluit zich geleidelijk weer en keert terug naar de formele structuren van daarvoor. Getroffenen lopen het risico om te verworden van slachtoffers tot klagers, alsof men op profijt uit zou zijn in plaats van schadeherstel.

Reïntegratiefase

Pas in de laatste fase, de reïntegratiefase, zijn de getroffenen weer in staat hun bestaan te hervinden en op te bouwen. De overgang van de desillusie- naar de reïntegratiefase is zeer afhankelijk van de gevolgen van de ramp en van de aanpak om deze gevolgen in te perken. Een waarschuwing is bijvoorbeeld de nasleep van de Buffalo Creek-dambreuk (West Virginia, VS) in 1972. Na 14 jaar had 23 van de overlevenden nog dezelfde klachten als direct na de ramp en 4 rapporteerde zelfs meer klachten.5 Verondersteld werd dat het verlies van het gemeenschapsgevoel hiervoor verantwoordelijk was. De eens zo hechte gemeenschap, nog steeds wonend in tijdelijke opvangkampen, bleek niet meer in staat de gebruikelijke onderlinge sociale steun op te brengen. Normvervaging, criminaliteit, alcohol- en drugsproblemen waren toegenomen en er ontbrak een beeld van een gezamenlijke toekomst.6

gevolgen voor de getroffenen

De direct in het oog springende gevolgen van rampen zijn verwoesting, dood en verderf, lichamelijke verwondingen en de zichtbare tekenen van paniek en verbijstering. Het zijn regelmatig voorkomende beelden op de televisie en in de kranten.

Minder zichtbaar zijn de psychosociale gevolgen, de combinatie van psychische en sociale problemen na rampen. Tot de sociale gevolgen behoren het verlies van familieleden, van huis en bezittingen, het contact met buurtgenoten, financiële schade, het verlies van een bedrijf, de onmogelijkheid om onderwijs te volgen, bijvoorbeeld als gevolg van concentratiestoornissen. De psychische gevolgen bestaan uit het verlies van veiligheid en controle over het dagelijkse bestaan, de emotionele gevolgen zoals verdriet en woede over het gebeurde en de symptomen van psychische stoornissen die door de ramp kunnen worden opgeroepen. De bekendste stoornissen zijn: acute stressstoornis die wordt gekenmerkt door dissociatieve verschijnselen, posttraumatische stressstoornis (PTSS), depressie en soms toename van alcohol- en drugsafhankelijkheid.

Deze gevolgen kunnen zich voordoen bij nabestaanden en bij direct door de ramp getroffenen, maar ook bij de indirect getroffenen. Tot deze laatste groep behoren de ‘ooggetuigen’, die zelf niet direct in levensgevaar zijn geweest, zoals omstanders en voorbijgangers. Ook hulpverleners die na een ramp beroepshalve worden ingeschakeld, zoals reddingswerkers, politie, brandweer, militairen, vrijwilligers en medisch personeel, behoren tot de indirect getroffenen. Dit betekent dat de groep direct en indirect getroffenen na een ramp erg groot kan zijn.

In New York is nu onderzoek opgezet naar de gezondheidsgevolgen van de aanslag op het World Trade Center bij 100.000 tot 200.000 personen. Er wordt daarbij ook nog een buitenste kring van getroffenen onderscheiden. Hiertoe behoren naasten, familieleden en anderen zoals leerkrachten, geestelijken en winkeliers die intensief met de verhalen van de getroffenen geconfronteerd worden en degenen die dagelijks de plek van een ramp passeren. Ook autoriteiten behoren tot deze buitenste kring. Van hen wordt verwacht dat zij de gemeenschap weer leiden in de richting van herstel. Men spreekt daarom ook wel over een ‘getroffen gemeenschap’ die moet proberen de gevolgen van de ramp te beperken en een veilig bestaan te hervinden.

ervaringen met de psychosociale zorg na de bijlmer-vliegramp

De Bijlmer-vliegramp in 1992 vormde voor zowel de landelijke als de lokale overheid en de hulpverleningsorganisaties in Amsterdam een nieuwe ervaring.7 De gemeente Amsterdam heeft samen met lokale organisaties een nazorgplan opgezet en uitgevoerd.8 Getroffenen werden in een sporthal opgevangen. Van daaruit werd hulp geboden voor tijdelijk onderdak en geld. Psychosociale zorg werd geboden door vrijwilligersorganisaties, het maatschappelijk werk, huisartsen, geestelijken en door de geestelijke gezondheidszorg (GGZ). De GGZ zorgde in het bijzonder voor de acute opvang, voorlichting, consultatie en bijscholing over onder meer PTSS, een specifieke psychiatrische stoornis die kan ontstaan na ingrijpende, bedreigende ervaringen. Kenmerkend voor PTSS zijn herbelevings-, vermijdings- en verhoogde activatieverschijnselen. In de eerste maanden na de ramp maakten honderden getroffenen gebruik van kortdurende individuele opvang en groepsopvang. Later werden honderden getroffenen behandeld voor PTSS. Politieagenten en brandweerlieden werden binnen de eigen organisatie opgevangen door middel van ‘debriefing’. Dit is een vorm van acute opvang die vaak wordt toegepast bij reddingswerkers binnen enkele dagen na een ramp. In groepsbijeenkomsten besteedt men aandacht aan de nare ervaringen, angsten en emoties en wordt voorlichting gegeven over mogelijke posttraumatische klachten.

Anderhalf jaar na de ramp bleek er grote tevredenheid over de nazorg te zijn, hoewel 24 van de getroffenen nog last had van PTSS.9 In de daaropvolgende jaren ontstond echter geleidelijk een beeld van een tekortschietende hulpverlening. Dit beeld werd sterk beïnvloed door berichten over lichamelijke klachten bij reddingswerkers en bij KLM-medewerkers die werkzaam geweest waren in de hal waar de resten van het toestel waren opgeslagen. De klachten werden door betrokkenen toegeschreven aan de onbekend gebleven lading van het vliegtuig en aan het verarmde uranium in de staart van het toestel. Op verzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) werd daarom in 1997 door het AMC een telefonische enquête uitgevoerd waaruit bleek dat honderden mensen nog last hadden van PTSS en van een combinatie van lichamelijke klachten.10 Hierop besloot het parlement in 1998 tot het uitvoeren van een parlementaire enquête, onder meer om na te gaan of de gezondheidsklachten het gevolg van de ramp waren. Het rapport van de enquêtecommissie leidde tot het instellen van een hulpfonds voor de getroffenen en tot het alsnog doen van onderzoek naar de mogelijke gezondheidsgevolgen van de ramp. Dit ‘Medisch onderzoek vliegramp Bijlmermeer’ werd uitgevoerd bij 4806 bewoners en 2499 hulpverleners. Omdat het niet lukte een passende controlegroep voor de bewoners samen te stellen kon alleen bij de getroffen hulpverleners worden vastgesteld dat zowel psychische als lichamelijke gevolgen statistisch significant meer voorkwamen vele jaren na de ramp. Er was geen aantoonbaar verband met vastgestelde afwijkingen in bloed en urine. Verder werd een advies- en behandelcentrum GGZ voor de bewoners en getroffenen opgericht. Hier zijn nog circa 200 getroffenen behandeld.

De belangrijkste les die van de Bijlmer-vliegramp geleerd is, is het besef dat een ramp nog vele jaren lichamelijke en psychische gezondheidsschade tot gevolg heeft. Herstel van controle na een ramp blijkt voor de gezondheidsgevolgen een zaak van lange adem te zijn. De landelijke overheid heeft steeds afwachtend gereageerd op de berichten over gezondheidsgevolgen en was daardoor steeds te laat met het nemen van maatregelen. Het ontbreken van een monitoring van de gezondheidstoestand van de getroffenen over meerdere jaren is hier debet aan. Er bestond wel een team van de GG&GD dat contact hield met de getroffenen om te zien of zij hulp nodig hadden en die kregen. Maar er werden niet systematisch gegevens verzameld. Gebleken is dat daardoor de hulpvraag van getroffenen op de lange termijn is onderschat. Er bestond geen bekendheid met het beeld van de onverklaarde lichamelijke klachten en de nazorg was daar te lang niet op ingericht.11 Ook ontbrak er een langetermijncoördinatie van de hulpverlening die mogelijk beter had kunnen inspelen op de complexe psychosociale problemen van rampgevolgen, migratieproblemen, illegaliteit en een voorgeschiedenis van uitgebreide psychosociale problemen.

Inmiddels is ook meer bekend over de effectiviteit van verschillende methoden. Zo is gebleken dat debriefing het ontstaan van PTSS niet kan voorkómen en dat sommige deelnemers zelfs meer klachten kunnen krijgen.12 13 Voor de behandeling van PTSS zijn nu evidence-based protocollen beschikbaar.14

de psychosociale zorg op lange termijn na de vuurwerkramp in enschede

Controleherstel

In Enschede is de landelijke overheid van meet af aan actief geweest bij de opzet van de psychosociale zorg, in de hoop hiermee de lessen van de Bijlmer-vliegramp in praktijk te kunnen brengen. Het kernwoord is geworden, controleherstel. Het ministerie van VWS heeft samen met de gemeente Enschede, de GGD Twente, slachtofferhulp Twente, het maatschappelijk werk, de huisartsen en de lokale GGZ-organisatie Mediant al in de eerste week na de ramp een plan voor de psychosociale zorg over langere termijn opgezet.

Het nazorgplan

Uiteraard heeft het nazorgplan in Enschede bestaan uit de gebruikelijke activiteiten gericht op de korte termijn, zoals acute opvang van de getroffenen in het opvangcentrum door vrijwilligers, geestelijken en maatschappelijk werkenden en de hulp van huisartsen. GGZ-hulpverleners waren beschikbaar voor de complexere situaties, zoals dissociatieve reacties, suïcidaliteit en complexe rouwreacties. Ook ontwikkelde de GGZ direct activiteiten die gericht waren op consultatie, voorlichting over de rampgevolgen en advies aan allerlei groeperingen: eerstelijnshulpverleners, vrijwilligers, geestelijken, leerkrachten, autoriteiten en leidinggevenden van de reddingswerkers. Gezien de kennis over mogelijke schadelijke gevolgen is terughoudendheid betracht bij de debriefing van politie en brandweer. Vooral emoties werden niet extra gestimuleerd. De langetermijnaanpak in Enschede was er expliciet op gericht het effect van de desillusie op het herstelvermogen van de getroffenen te minimaliseren. Deze bestond uit: (a) het oprichten van een informatie- en adviescentrum (IAC), (b) het bevorderen van een platform voor de getroffenen, (c) het oprichten van een gespecialiseerd GGZ-team voor de behandeling van met de ramp samenhangende stoornissen en (d) het verrichten van gezondheidsonderzoek om de gezondheidsgevolgen te monitoren. Op deze nieuwe elementen wordt hieronder ingegaan.

Het informatie- en adviescentrum

Binnen een week na de ramp werd het IAC Enschede opgericht als de instantie die verantwoordelijk was voor het wel en wee van de getroffenen. Van belang is dat een IAC de enige organisatie is, die dankzij een ramp ontstaat en die tevens verantwoordelijk is voor het herstel van de getroffenen. Een IAC dient daarom steeds op de hoogte te zijn van hoe het met de getroffenen gesteld is, om op basis daarvan de hulpverlening te activeren en bij te sturen. Het IAC moet dus voortdurend informatie verwerven, maar ook informatie en advies geven aan de getroffenen en hulpverleningsinstanties. Een ramp is te vergelijken met een epidemie, waarbij ook een aanpak nodig is om veel mensen te bereiken. De getroffenen zijn groot in aantal, maar zij zitten veelal met dezelfde vragen. Door het gebruik van de media kan men in korte tijd alle getroffenen goed bereiken. In Noorwegen is ervaring opgedaan met een kort functionerend IAC.15 In Enschede is echter gekozen voor een termijn van 3-5 jaar in de verwachting dat de extra structuur die het IAC vormt voor het controleherstel van getroffenen dan voldoende effect heeft gesorteerd.

De belangrijkste werkzaamheden van het IAC in Enschede waren: (a) het bereiken en contact onderhouden met alle getroffenen (‘outreach’); (b) het verzamelen van alle vragen van de getroffenen; (c) het zoeken naar en het geven van de antwoorden op de vragen; (d) het volgen van de toestand van de getroffenen; (e) het adviseren welke hulp wanneer gewenst is. Het IAC leverde zelf geen hulp. Daar waren de hulpverleningsinstellingen voor aangewezen.

Er waren in totaal 13.000 getroffenen geregistreerd. Met behulp van een klantvolgsysteem werd bijgehouden in hoeverre men hulp nodig had en ook ontving, zowel materieel als immaterieel. Met behulp van een eigen krant en via regionale kranten, radio, tv en een website werd intensief publieksinformatie gegeven over vragen op het gebied van schade, gezondheid, zorg, recht, rechtshulp, verzekeringen, huisvesting en geld. Getroffenen kregen een medewerker van het IAC toegewezen die voor hen alle benodigde informatie van de verschillende gemeentediensten en organisaties verzamelde. Daarmee werd vermeden dat men van het ene naar het andere loket gestuurd werd. Het IAC signaleerde problemen van specifieke groepen zoals bejaarden, jongeren en allochtonen. Zij stimuleerde met de vergaarde informatie de verzamelde zorginstellingen in Enschede om deze groepen op te zoeken en hulp te verlenen. Tot september 2000 bedroeg het aantal bezoekers van het IAC maandelijks 5000. Daarna nam het af tot 2600 in januari 2001. In 2002 daalde het aantal vragen van getroffenen verder. De beoordeling van het IAC door de getroffenenmonitor van de gemeente Enschede was positief. In juni 2003 is het IAC na 3 jaar afgeslankt en het wordt nu voortgezet door 2 case-managers bij de gemeente Enschede. In Volendam is na de cafébrand een vergelijkbaar IAC opgericht. In hoeverre een IAC op de lange duur van nut is om de gevolgen van een ramp te beperken, zal uit verder onderzoek moeten blijken.

Platform voor de getroffenen

Getroffenen van een ramp verkeren ongewenst in een afhankelijke en soms gehandicapte situatie. In Enschede zijn 1250 mensen huis en haard kwijt geraakt. Het IAC heeft geholpen om de getroffenen niet afhankelijk te maken van een veelvoud aan instanties. De ervaringen met de Bijlmervliegramp en ook de Faro-vliegramp16 hebben duidelijk gemaakt dat de getroffenen een georganiseerd verband nodig hebben als spreekbuis. De vorming van een bewoners-getroffenenvereniging met professionele ondersteuning is daarom actief gestimuleerd. Deze versterking heeft ertoe bijgedragen dat de bewoners naar overheden en instanties actief hun belangen hebben behartigd. Deze Belangenvereniging Slachtoffers Vuurwerkramp Enschede vervult ook een rol in de voorlichting over de materiële, lichamelijke en psychische gevolgen en wat daaraan gedaan kan worden. De bewonersvereniging is ook actief betrokken geweest bij de schadeafhandeling en de plannen voor de herbouw van de wijk. Verder is ze actief betrokken bij de herdenkingen.

Gespecialiseerd GGZ-team

De GGZ had een veelheid aan taken: bijscholing en consultatie voor andere hulpverleners, preventieactiviteiten in de vorm van praatgroepen voor volwassenen, ondersteuning van allochtonen, vaak op creativiteit gerichte activiteiten voor jongeren, ondersteuning van leerkrachten en scholen en andere vormen van publieksvoorlichting. In 2003 is een campagne gehouden via ‘Loesje’ om mensen die last hadden van klachten te motiveren voor behandeling. Al deze activiteiten zijn steeds opgezet en uitgevoerd in samenwerking met andere zorgverleners zoals het maatschappelijk werk, de eerstelijnszorg en de thuiszorg. De kerntaken van de GGZ bij de nazorg zijn de diagnostiek en de behandeling van door de ramp teweeggebrachte psychische stoornissen, in het bijzonder PTSS, depressie en lichamelijk onverklaarde klachten. De lokale GGZ-organisatie Mediant heeft daartoe een gespecialiseerd ‘vuurwerkteam’ van circa 30 GGZ-hulpverleners opgericht. Deze zijn geschoold in specifieke op PTSS gerichte behandelingsvormen voor volwassenen14 en kinderen.17 Door de hulpverleners niet meer dan 2-3 dagen per week intakes te laten doen, is gepoogd secundaire traumatisering van de hulpverleners en op den duur ‘eentonigheid’ te vermijden. Inmiddels zijn zo'n 1300 mensen behandeld.

Gezondheidsonderzoek

Een belangrijke les van de Bijlmer-vliegramp was het opzetten van de ‘Gezondheidsmonitoring getroffenen vuurwerkramp Enschede’ om de gezondheid van de getroffenen te kunnen volgen en op basis daarvan de hulpverlening te kunnen bijsturen. Er zijn 2 metingen uitgevoerd, respectievelijk 3 weken en 1,5 jaar na de ramp. De 3e meting zal na 2,5 jaar plaatsvinden. Bij de huisartsen en de bedrijfsartsen vindt monitoringonderzoek plaats. Deelonderzoeken zijn gericht op jongeren, allochtonen en het beloop in samenhang met biologische factoren.

conclusie

Bij de opzet van de psychosociale zorg na de vuurwerkramp in Enschede is lering getrokken uit de ervaringen opgedaan na de Bijlmer-vliegramp. Gebleken was dat getroffenen van deze vliegramp nog jaren last hielden van psychische en lichamelijke gezondheidsklachten, vaak in combinatie met sociale problemen. De Parlementaire Enquêtecommissie Vliegramp Bijlmermeer heeft het belang van de psychosociale zorg na rampen benadrukt. Vergelijkbaar met de aanpak bij een epidemie moet de gezondheidszorg zich ten behoeve van de aanpak van de gevolgen van een ramp hergroeperen en aansluiten bij de materiële hulpverlening. Het IAC, het platform voor de getroffenen, het gespecialiseerde GGZ-team en het gezondheidsonderzoek zijn daarvan de uitwerking. Om de verworven kennis op het gebied van de psychosociale zorg na rampen te behouden en te verbeteren hebben de ministeries van VWS, Binnenlandse Zaken en Defensie in mei 2002 een Landelijk Kenniscentrum Psychosociale Zorg na Rampen opgericht.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Walsum ADP van, Rödel SGJ, Klaase JM, Vierhout PAM.De lokale en regionale intramurale traumaopvang bij de Enschedesevuurwerkramp. Ned Tijdschr Geneeskd2001;145:2330-5.

  2. Gersons BPR, Carlier IVE. De Bijlmerramp:crisisinterventie en consultatie. Maandblad Geestelijke volksgezondheid1993;48:1043-55.

  3. Gersons BPR, Carlier IVE, IJzermans CJJM. ‘In deSpiegel der emoties’. Onvoorziene langetermijngevolgen van deBijlmervliegramp. Maandblad Geestelijke volksgezondheid2000;55:876-88.

  4. Een beladen vlucht. Eindrapport Bijlmer Enquête.'s-Gravenhage: SDU; 1999.

  5. Green BL, Lindy JD, Grace MC, Gleser GC, Leonard AC, KorolM, et al. Buffalo Creek survivors in the second decade: stability of stresssymptoms. Am J Orthopsychiatry 1990;60:43-54.

  6. Erikson KT. Disaster at Buffalo Creek. Loss of communalityat Buffalo Creek. Am J Psychiatry 1976;133:302-5.

  7. Coebergh JWW. Zorg voor de volksgezondheid na devliegtuigramp in de Bijlmermeer; de beladen nasleep.Ned Tijdschr Geneeskd 1999;143:2301-5.

  8. Gersons BPR, Carlier IVE. Plane crash crisis intervention:a preliminary report from the Bijlmermeer, Amsterdam. Crisis 1993;14:109-16.

  9. Carlier IVE, Gersons BPR. Stress reactions in disastervictims following the Bijlmermeer plane crash. J Trauma Stress1997;10:329-35.

  10. IJzermans CJ, Zee J van der, Oosterhek M, SpreeuwenbergP, Kerssens J, Donker G, et al. Gezondheidsklachten en de vliegrampBijlmermeer; een inventariserend onderzoek. Amsterdam/Utrecht: AMC/NIVEL;1999.

  11. Donker GA, IJzermans CJ, Spreeuwenberg P, Zee J van der.Symptom attribution after a plane crash: comparison between self-reportedsymptoms and GP records. Br J Gen Pract 2002;52:917-22.

  12. Carlier IVE, Gersons BPR. ‘Debriefing’ vanpsychisch getraumatiseerden. NedTijdschr Geneeskd 1997;141:1180-3.

  13. Emmerik AAP van, Kamphuis JH, Hulsbosch AM, EmmelkampPMG. Geen preventief nut van eenmalige debriefing na psychologischtraumatische gebeurtenissen: meta-analyse.Ned Tijdschr Geneeskd2003;147:809-12.

  14. Gersons BPR, Carlier IVE. Behandelingsstrategieënbij posttraumatische stress-stoornissen. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum;1998.

  15. Weisath L. The information and support center: preventingthe after-effects of disaster trauma. In: Sörensen T, Abrahamsen A,Torgensen S. Psychiatric disorders in the social domain. Oslo: NorwegianUniversity Press; 1991.

  16. Hove C ten. Faro: de ramp na de ramp. 's-Gravenhage:Elsevier Overheid; 2002.

  17. Eland J, Roos C de, Kleber R. Kind en trauma; eenopvangprogramma. Lisse: Swets & Zeitlinger; 2002.

Auteursinformatie

Academisch Medisch Centrum, MFO Psychiatrie AMC/De Meren, Tafelbergweg 25, 1105 BC Amsterdam.

Hr.prof.dr.B.P.R.Gersons, psychiater; mw.dr.M.Olff, psycholoog.

Ministerie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Den Haag.

Mw.dr.R.R.R.Huijsman-Rubingh, sociaal-geneeskundige/projectdirecteur rampen.

Contact hr.prof.dr.B.P.R.Gersons (b.p.gersons@amc.uva.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties