De invloed van urine-incontinentie op de kwaliteit van leven bij thuiswonende Nederlandse vrouwen van 45-70 jaar
Open

Onderzoek
12-05-2000
C.H. van der Vaart, J.R.J. de Leeuw, J.P.W.R. Roovers en A.P.M. Heintz

Doel.

Het bepalen van de prevalentie van urine-incontinentie bij thuiswonende Nederlandse vrouwen en de gevolgen van urine-incontinentie voor de kwaliteit van leven.

Opzet.

Transversale enquête.

Methode.

Onder een aselecte steekproef uit de bevolking van 1905 vrouwen van 45-70 jaar in Zeist werden door middel van een schriftelijke enquête gegevens verzameld over de algemene kwaliteit van leven met de RAND-36-lijst en over de ziektespecifieke aspecten van de kwaliteit van leven met de ‘Urogenitale klachtenlijst’ (UKL) en de ‘Incontinentie-impactlijst’ (IIL). Op basis van de antwoorden op de vragenlijst werden 4 groepen gevormd: geen incontinentie, alleen stress-, alleen ‘urge’-incontinentie en gecombineerde incontinentie. Van deze groepen werden de scores op de vragenlijsten vergeleken.

Resultaten.

Er waren 1086 vragenlijsten beschikbaar voor analyse. De gemiddelde leeftijd van de vrouwen was 56,8 jaar. De prevalentie van urine-incontinentie was 57,1: 28,7 stress-, 5,6 urge-incontinentie en 22,7 beide. Van de vrouwen met incontinentie gaf 6 aan hier veel hinder van te ondervinden. Ten opzichte van vrouwen zonder urine-incontinentie hadden de vrouwen met incontinentie een statistisch significante beperking in fysiek functioneren en vitaliteit (RAND-36). Vrouwen met alleen urge-incontinentie of een gecombineerde incontinentie hadden statistisch significant meer negatieve effecten op hun kwaliteit van leven, gemeten met de IIL, dan vrouwen met alleen een stressincontinentie.

Conclusie.

De prevalentie van urine-incontinentie is hoger dan tot nu toe beschreven. Vooral urge-incontinentie en gecombineerde incontinentie hebben een negatief effect op de kwaliteit van leven.