De hematogene voortplantingsleer van Aristoteles

Perspectief
J. Kremer
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2003;147:2529-35
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Het voortdurend ontstaan van nieuw leven op aarde heeft de mens vanaf diens ontstaan geïntrigeerd. Er zijn archeologische en antropologische aanwijzingen dat voortplanting in prehistorische tijden werd toegeschreven aan een vruchtbaarheidsgodin, die daarvoor geen sperma nodig had. In vroeghistorische tijden werd in het Midden-Oosten verondersteld dat een godheid zwangerschap deed ontstaan, maar daarvoor wel sperma van de man en sperma van de vrouw gebruikte. Het is de verdienste geweest van de Griekse filosofen van de 6e-3e eeuw v.Chr. om in te zien dat voortplanting op natuurwetten berustte. Om daarin inzicht te krijgen werden verschillende voortplantingstheorieën ontworpen. De hematogene voortplantingsleer van Aristoteles heeft daarvan de grootste bekendheid gekregen en heeft zich bijna 2000 jaar, met modificaties, kunnen handhaven. In essentie komt zijn theorie erop neer dat het mannelijke sperma, dat een hematogene oorsprong zou hebben, een embryo laat ontstaan uit menstruatiebloed aanwezig in de uterus bij de vrouw. Ook in het christendom is deze theorie doorgedrongen. Pas in de laatste 150 jaar is de voortplantingsleer gebaseerd op hypothesen ontwikkeld tot een voortplantingswetenschap gebaseerd op feiten.

Aristoteles (384-322 v.Chr.), leerling van Plato (428-348 v.Chr.) en leermeester van Alexander de Grote (356-323 v.Chr.), is bekend als de grote Griekse filosoof die vrijwel alle gebieden van de toenmalige wetenschap in zijn filosofie heeft betrokken, behalve de geneeskunde en de wiskunde.

Vooral voor de biologie had Aristoteles grote belangstelling. Een wetenschap waarin hij niet alleen aan het lichaam, maar ook aan de ziel een belangrijke plaats toekende. In de biologie interesseerde hem vooral de wijze waarop leven ontstaat (figuur 1). Daartoe behoort ook de menselijke en dierlijke voortplanting. Het bloed speelde daarbij volgens hem een belangrijke rol.

Voor het ontwerpen van zijn hematogene voortplantingsleer heeft hij voortgebouwd op ideeën van vroegere Griekse filosofen. Maar hij heeft hun concepties grondig gemodificeerd. Daarom bespreek ik de prearistotelische voortplantingsconceptie eerst in het kort,1-4 om daarna uitvoerig in te gaan op de hematogene voortplantingsleer en de betekenis daarvan voor de latere Romeinse en westerse wereld. Ik eindig met een korte beschouwing over toen en nu en laat zien dat de hematogene voortplantingsleer in de moderne tijd nog voortleeft in het taalgebruik.

prearistotelische voortplantingsconcepten

In prehistorische tijden zou het een vruchtbaarheidsgodin zijn geweest die de vrouwen zwanger maakte zonder dat een man in dat proces participeerde.5 Daarbij dient te worden opgemerkt dat de prehistorie niet overal ter wereld gelijktijdig is geëindigd. In het klassieke Midden-Oosten werd de voortplanting ook in historische tijden (dat is vanaf de schriftelijke overlevering, circa 3000 v.Chr.) ook nog gezien als een hoofdzakelijk bovennatuurlijk gebeuren, gedirigeerd door een godheid. Maar de man mocht in dit proces wel een rol spelen door het verschaffen van benodigd materiaal.

In het faraonische Egypte was het de zonnegod Re (of Ra) die verwekte en daarvoor het mannelijk sperma gebruikte. Maar ook vrouwelijk kiemvocht was nodig. Dat dit ook in de Achnaton-periode (1379-1362 v.Chr.) het geval was, blijkt uit een versregel in de grote hymne aan Aton, de zonnegod ten tijde van farao Achnaton. ‘U, die het kiemvocht schept in de vrouwen en het zaad maakt in de mannen’. In het sperma van de man was de ‘Ka’-ziel aanwezig, de tweede persoonlijkheid van de mens, zijn dubbelganger en beschermgeest.6 7 De Ka-ziel werd gesymboliseerd door twee opgeheven armen (figuur 2).

Uit enkele Akkadische teksten op ostraka (potscherven) blijkt dat ook in Mesopotamië werd verondersteld dat niet alleen mannen, maar ook vrouwen sperma produceerden.8 Dat ook tijdens de nomadische periode van het volk Israël van dit concept werd uitgegaan, blijkt onder andere uit het bijbelboek Leviticus (12:2) ‘Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een knechtje gebaard zal hebben . . .’ (Statenvertaling). Maar ook toen was het de godheid (Jahweh) aan wie het al of niet ontstaan van zwangerschap werd toegeschreven (Genesis 30:2).

Door de Griekse filosofen werd voor het ontstaan van zwangerschap geen dominante rol meer aan een god of godin toegekend. Het Griekse voortplantingsconcept kende een aantal scholen (tabel). Pythagoras, tijdgenoot van Boeddha, was de stichter van een filosofenschool in de stad Kroton (Crotone), een Griekse kolonisatie in Zuid-Italië. Hij was vegetariër en hij geloofde in zielsverhuizing en reïncarnatie. Over de bijdrage van Pythagoras aan de voortplantingsleer zijn de meningen van historici verdeeld. Van zijn leerlingen Alkmaion en Hippoon bestaat op dit gebied meer zekerheid.

Encefalomyelogene theorie

Alkmaion en Hippoon ontwierpen de zogenaamde encefalomyelogene theorie. Deze was gebaseerd op de veronderstelling dat bij man en vrouw het sperma ontstond in de hersenen en in het ruggenmerg, in de vorm van de liquor cerebrospinalis. Het sperma werd tijdens de coïtus bij de vrouw door het ruggenmergkanaal en de bekkenarteriën naar de baarmoederholte getransporteerd en bij de man naar de penis. Dat arteriën geschikt geacht werden als transportweg voor sperma, was in die tijd niet onlogisch. Arteriën werden in dode dieren aangetroffen als holle met lucht gevulde buizen (‘aër’ = lucht; ‘terrein’ = bevatten). In de baarmoeder werden mannelijk en vrouwelijk zaad vermengd en uit dit mengsel ontstond een embryo. Als het vrouwelijke sperma sterker was dan het mannelijke ontstond een meisje, omgekeerd een jongen. Dit zogenaamde epikratiebeginsel kon ook partieel zijn. Mannelijk sperma kon epikratisch zijn voor de oogkleur en vrouwelijk sperma voor de haarkleur.

Preformatieleer

Anaxagoras (5e eeuw v.Chr.) is de ontwerper van de preformatieleer. Hij veronderstelde dat in alle onderdelen van het lichaam onzichtbare miniatuurtjes van het betreffende onderdeel aanwezig waren. Die werden door de schuddende bewegingen tijdens de coïtus in de lichaamssappen gedreven, en vandaar via het ruggenmergkanaal en de (lege) bekkenarteriën bij de vrouw naar het cavum uteri en bij de man via de fallus eveneens naar het cavum uteri. Daar werd uit de gepreformeerde miniatuuronderdelen in korte tijd een miniatuurembryo gevormd, dat daarna ging groeien.

Pangenesisleer

Demokritos (5e eeuw v.Chr.) modificeerde de preformatieleer tot de pangenesisleer. Demokritos ging ervanuit dat alle onderdelen van het lichaam bestonden uit onzichtbare, ondeelbare deeltjes, door zijn leermeester Leukippos ‘atomen’ genoemd. De van man en vrouw afkomstige atomen zouden langs de door Anaxagoras aangegeven route het cavum uteri bereiken, waar er een embryo uit werd gevormd dat daarna ging groeien en kenmerken van zowel de man als de vrouw kon vertonen. Maar de (uit materie bestaande) ziel zou alleen met het sperma van de man in het embryo worden overgebracht. Een opvatting die zowel door de pythagoreeërs als de hippocratici werd gehuldigd.2 Volgens Demokritos bestond de ziel uit ronde, gladde atomen, de meest beweeglijke atomen in de kosmos, analoog aan die van het vuur.

De naam pangenesis (‘pan’ = al; ‘genesis’ = wording) is van Darwin, die de theorie van Demokritos modificeerde. Darwin veronderstelde dat de dragers van de erfelijke eigenschappen in de zaadcellen en in de eicellen afkomstig waren uit atomen van de verschillende soorten lichaamscellen.

Masculiene preformatieleer

Plato was de eerste Griekse filosoof die de menselijke ziel als onstoffelijk en onsterfelijk beschouwde, een opvatting die door het christendom is overgenomen. Ook Plato heeft een voortplantingstheorie ontworpen, gebaseerd op een preformatieleer. Hij veronderstelde dat de vrouw geen sperma produceerde. Het sperma van de man zou afkomstig zijn uit hersenen, ruggenmerg en merg uit de botten, en zou via de door Anaxagoras aangegeven route naar de uterus worden getransporteerd. In het sperma bevonden zich onzichtbare levende wezentjes die in het cavum uteri werden uitgezaaid als zaad op de akker. Uit één van deze wezentjes zou een embryo ontstaan. De ziel kwam van buitenaf in het embryo. Bijna 2000 jaar later zou het concept van Plato in gemodificeerde vorm terugkomen als het animalculisme.9

het aristotelische concept van de voortplanting

Sperma, de bijdrage van de man

Aristoteles onderschreef de hypothese van Plato dat de vrouw geen sperma produceert. Bij de man ging tijdens seksuele opwinding het bloed in de bekkenvenen koken, met name in de plexus pampiniformis (de aderkluwen in de zaadstreng), waarbij wit schuim ontstond, de zogenaamde pepsistheorie (‘pepto’ = koken, verteren). Het witte schuim was sperma dat door de door hem genoemde ‘zaadgangen’ (het is onduidelijk of wij daarbij moeten denken aan arteriën of aan de ductus deferens) naar de urethra werd vervoerd en vandaaruit tijdens de coïtus in de vagina. Met het sperma werden belangrijke voedingsbestanddelen uit het bloed afgevoerd. Daarom voelde de man zich na de geslachtsgemeenschap uitgeput. Aristoteles meende dat de testes geen voortplantingsfunctie hadden, maar een opslagplaats waren voor overtollig sperma. Een eunuch was volgens Aristoteles niet steriel, maar kon door het ontbreken van erectie en ejaculatie zijn fertiliteit niet realiseren. Hij baseerde zijn mening op de waarneming dat een stier enige dagen na de castratie nog een koe drachtig kon maken. Hij wist niet dat dit mogelijk was doordat na de castratie nog een aantal dagen zaadcellen aanwezig zijn in de vesiculae seminales.

De pythagoreeërs en ook de hippocratici beschouwden het opwindingsslijm van de vrouw als sperma dat uit de baarmoeder via de vagina naar buiten was gekomen. Zij zagen daarin het bewijs dat ook de vrouw sperma produceerde. Aristoteles toonde aan dat dit vocht afkomstig was uit de labia majora van de vulva. Daarom konden vrouwen ook zwanger worden zonder dat zij tijdens de coïtus seksueel opgewonden waren.

Bloed, de bijdrage van de vrouw

De bijdrage van de vrouw aan het ontstaan van de zwangerschap bestond volgens Aristoteles uit bloed dat na de menstruatie in de baarmoeder was achtergebleven. Tijdens de coïtus werd dit bloed in contact gebracht met het sperma van de man. Het vormende en levenverwekkende vermogen van het sperma vormde in dit menstruatiebloed een embryo, zoals uit een klomp klei door de pottenbakker een vaas kon worden gevormd, en door de beeldhouwer een beeld uit een brok marmer. Een andere door Aristoteles gebruikte analogie kwam uit de kaasmakerij. Het leb (stremsel) scheidt de melk in een vast deel (de kaas) en een restvloeistof (de wei). Het stremsel is het sperma, de kaas het embryo en de wei het vruchtwater. Deze analogieën worden ook gebruikt in bijbelgedeelten die waarschijnlijk na de Babylonische ballingschap (587-538 v.Chr.) zijn geschreven (Psalmen 139:13-16 en Job 10:8-10).

Het embryo had volgens Aristoteles derhalve een hematogene oorsprong. Want het sperma en het menstruatiebloed waren vloeistoffen die uit het bloed afkomstig waren. Anders dan in de preformatieleer meende Aristoteles dat de organen van het embryo niet gelijktijdig, maar na elkaar ontstonden. Deze opeenvolgende ontstaanswijze werd later door Harvey (1578-1657), de ontdekker van de bloedsomloop, ‘epigenese’ genoemd.10

Plantenziel en dierenziel

Evenals zijn voorgangers betrok ook Aristoteles de ziel bij de voortplanting. Volgens hem bestonden planten, dieren en mensen uit een lichaam en een immateriële ziel. De plantenziel liet de plant groeien en gaf die zijn vorm. Bij dieren en mensen realiseerde de ziel daarenboven de mogelijkheid tot waarnemen, begeren en bewegen. Deze animale ziel, gelokaliseerd in het hart, werd bij zoogdieren en ook bij de mens tijdens de coïtus via het bloed met het sperma in de uterus gebracht en vormde uit het daar aanwezige (menstruatie)bloed een embryo. Van alle organen zou het hart het eerst ontstaan en vandaar uit dirigeerde de animale ziel de epigenese.

Denkende ziel

De mens kreeg bovendien nog een onstoffelijke en tevens onsterfelijke ziel die een aantal weken na de bevruchting van buitenaf het embryo binnenkwam en de mens het vermogen gaf om abstract te denken. Maar Aristoteles sloot ook een bepaalde vorm van denken bij dieren niet uit.11 Het antwoord op de vraag wanneer de denkende ziel (de psyche) het embryo binnenkwam, was belangrijk voor de toelaatbaarheid van vruchtafdrijving. Een praktijk die ook ten tijde van Aristoteles niet ongebruikelijk was, hoewel de pythagoreïsch-hippocratische ethiek vruchtafdrijving ontoelaatbaar achtte.

Aristoteles wordt vaak de grondlegger van de anatomie genoemd. Voor de humane anatomie is dat onjuist. Aristoteles verrichtte alleen secties op dieren. De anatomische bevindingen bij zoogdieren extrapoleerde hij naar de mens. Zo zou de mens, evenals de door hem geseceerde zoogdieren, een gepaarde of tweehoornige uterus hebben, waarvan de beide delen elkaars spiegelbeeld waren. Een mening die ook bij zijn voorgangers bestond. Kennelijk heeft Aristoteles geen secties verricht op apen, die evenals de mens een uterus simplex hebben. Maar Aristoteles kan wel gezien worden als de grondlegger van de embryologie. Hij deed anatomisch onderzoek op embryo's van zoogdieren en vogels. Hij liet elke dag een ei onder een broedende kip weghalen en zag dat de organen niet gelijktijdig, maar na elkaar ontstonden. Op deze waarneming baseerde hij zijn epigeneseleer. Ook is Aristoteles een overtuigd aanhanger geweest van de leer der generatio spontanea. Het bewijs daarvan zag hij in het ontstaan van maden in rottend vlees.

De vrouw als deficiënte man

Een zwak punt in de voortplantingsleer van Aristoteles is zijn erfelijkheidstheorie. Immers, wanneer de man of een mannelijk dier met het uit het bloed afkomstige sperma de animale ziel over zou brengen, zou een embryo van het mannelijk geslacht moeten ontstaan. Strikt genomen een kloon van de vader. Volgens Aristoteles was een vrouwelijke nakomeling in aanleg inderdaad een mannelijk embryo geweest. Maar doordat het gebruikte materiaal, het in de uterus aanwezige (menstruatie)bloed, in de helft van de gevallen ongeschikt was voor het volledig vormen van een mannelijke foetus, kon een vrouwelijke foetus ontstaan. Een vrouw was daarom een abnormale, deficiënte man. En dat een kind, zelfs een zoon, op de moeder kon lijken, zou het gevolg zijn van zwak sperma. Want ook in het (menstruatie)bloed van de vrouw waren vormgevende krachten – weliswaar zwakke – aanwezig, die echter sommige vormgevende krachten in het sperma konden overheersen. Met deze gewrongen hypothese meende Aristoteles het erfelijkheidsprobleem te hebben opgelost.12 13 De eerder genoemde atomaire pangenesisleer van Demokritos, door Aristoteles als ondeugdelijk verworpen, gaf voor het overdragen van erfelijke kenmerken een veel logischer verklaring dan de hematogene voortplantingsleer van Aristoteles.

de invloed van aristoteles op latere voortplantingstheorieën

De voortplantingsleer van Aristoteles heeft zich, in gemodificeerde vorm, bijna 2000 jaren kunnen handhaven. De eerste onderzoeker die een aantal modificaties aanbracht, was Herofilos (330-260 v.Chr.), een briljant anatoom te Alexandrië.14 Daar bevond zich het Museon, gesticht door Ptolemeus I in 323 v.Chr., tien jaren na de verovering van Egypte door Alexander de Grote. Het Museon heeft bijna 1000 jaren bestaan en was vooral beroemd door zijn bibliotheek. De vaak gebruikte benaming ‘filosofenschool’ doet tekort aan het karakter van het Museon. Het was niet in de eerste plaats een onderwijsinstelling, maar vooral een instituut waar geleerden van verschillende disciplines aan verbonden waren om onderzoek te doen en met elkaar te discussiëren.

In tegenstelling tot Aristoteles verrichtte Herofilos wel sectie op menselijke lijken. Hij kan beschouwd worden als de grondlegger van de humane anatomie in de hellenistische periode (323-30 v.Chr.). Volgens latere auteurs, onder anderen de bekende Romeinse arts Celsus (1e eeuw), deed hij ook vivisectie op ter dood veroordeelde gevangenen. Omdat vivisectie op mensen ook in die tijd immoreel werd gevonden, hebben de belangrijke resultaten van zijn anatomische onderzoekingen waarschijnlijk niet de erkenning gekregen die ze verdienden. De kerkvader Tertullianus (2e eeuw) noemde hem ‘de slager’ van Alexandrië. Een speciaal aandachtsgebied van Herofilos betrof de anatomie en de fysiologie van de mannelijke en vrouwelijke genitalia. Hij is de eerste geweest die de ovaria vrouwelijke testes heeft genoemd. Hij veronderstelde dat, evenals bij de man, ook bij de vrouw in het bloed van de bekkenaders sperma zou ontstaan volgens het door Aristoteles ontworpen pepsisprocédé. Bij man en vrouw zou het sperma naar de mannelijke en vrouwelijke testes worden getransporteerd, waar het een rijpingsproces onderging. De vrouwelijke testes zouden in verbinding staan met de urineblaas en het sperma zou met de urine worden afgevoerd. Het mannelijke sperma zou op de door Aristoteles beschreven manier uit menstruatiebloed een embryo laten ontstaan. Op deze wijze bleef het concept van Aristoteles gehandhaafd.

Herofilos heeft ook de epididymis, de ampulla ductus deferentis, de vesiculae seminales en de prostaat ontdekt, maar de functies daarvan niet begrepen. Het werk van Herofilos is alleen door citaten van anderen, zoals Galenus, bekend geworden. Daarbij werden vaak aristotelische aanpassingen aangebracht.15 Want het is onwaarschijnlijk dat een consciëntieus onderzoeker als Herofilos niet heeft waargenomen dat de ovaria (testes muliebres) een verbinding hadden met de uterus en niet met de urineblaas. En dat de vrouw een uterus simplex had. Alleen Soranus (eerste helft 2e eeuw), een Romein van Griekse afkomst, die zelf vrijwel geen anatomisch onderzoek heeft verricht, heeft in zijn boek Gynaikeia (Over de ziekten van vrouwen)16 de uterus van de vrouw als een ongepaard orgaan beschreven en getekend. Waarschijnlijk heeft hij daarvoor de geschriften van Herofilos als bron gebruikt. Waarom hij het foetus als een volwassen mens heeft weergegeven, is niet duidelijk (figuur 3). Maar Galenus (129-199 n.Chr), eveneens een Romein van Griekse afkomst, die zijn opleiding onder andere te Alexandrië had genoten, beschreef, evenals Aristoteles, de menselijke baarmoeder als een gepaard orgaan, op grond van secties bij verschillende soorten zoogdieren, waaronder zelfs een olifant. Naar de reden van de discrepantie tussen de geschriften van Soranus en Galenus kan men slechts gissen. Maar het is onwaarschijnlijk dat Galenus het boek van Soranus, dat tot de 16e eeuw in Europa een gezaghebbend gynaecologisch leerboek is gebleven, niet heeft gekend. Mogelijk had hij meer vertrouwen in Aristoteles dan in Soranus.

Voor de veronderstelling dat Herofilos de menselijke uterus als een uterus simplex heeft beschreven pleiten ook gnostische amuletten uit de vroege periode van het christendom (figuur 4). De christelijke gnostiek, een mystieke versie van het christendom, heeft zijn oorsprong in Alexandrië, de stad waar Herofilos zijn anatomisch onderzoek verrichtte.17

De hematogene voortplantingsleer van Aristoteles en Herofilos werd door Galenus onderschreven. Evenals Herofilos beschouwde hij de mannelijke en de vrouwelijke testes (de ovaria) als organen waar het hematogene sperma een rijpingsproces onderging.18 Maar de zaadgangen van de vrouw (de eileiders) eindigden volgens hem niet in de urineblaas, maar in de uterus. Het sperma zou vanuit de vrouwelijke testes door de zaadgangen naar het cavum uteri worden getransporteerd en daar vermengd worden met mannelijk sperma en menstruatiebloed. Uit dat mengsel zou een embryo ontstaan volgens de epigenesetheorie van Aristoteles.

De opvatting dat de vrouw, evenals de man, sperma produceerde, hield stand tot in de tweede helft van de 17e eeuw. Dat verklaart het verschil tussen de redactie van het eerder genoemde vers Leviticus 12:2 in de Statenvertaling (gereedgekomen in 1637) en die in latere bijbelvertalingen. (In de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap uit 1951 staat: ‘Wanneer een vrouw moeder wordt en een kind van het mannelijk geslacht baart . . .’.) In 1667 vond de Deen Niels Stensen met vloeistof gevulde blaasjes (follikels) op de testes muliebres van zoogdieren en vrouwen, die hij als eieren beschouwde, vergelijkbaar met vogeleieren. Hij noemde de testes muliebres daarom ‘ovaria’. Deze waarneming werd vier jaren later door de Nederlandse medicus-anatoom Reinier de Graaf bevestigd. De rijpe follikel wordt echter ten onrechte nog steeds ‘Graafse follikel’ genoemd.

Ook de leer van de generatio spontanea van Aristoteles werd door Galenus onderschreven en later eveneens door de kerkvaders Augustinus, Thomas van Aquino en Albertus Magnus. Deze leer heeft standgehouden tot in de 19e eeuw. Toen werd vastgesteld dat alle cellen van levende organismen ontstonden door deling van bestaande cellen. Een ontdekking die Virchow verwoordde in het bekende aforisme ‘Omnis cellula a cellula’.19

De leer van Aristoteles betreffende het binnenkomen van de menselijke ziel in het embryo heeft ook gevolgen gehad voor de christelijke ethiek. In 1591 besliste paus Gregorius XIV dat abortus provocatus was toegestaan tot een zwangerschapsduur van drie maanden, omdat dan het menselijk embryo een ziel kreeg. Deze liberalisering duurde tot 1679. Daarna stond de rooms-katholieke kerk abortus provocatus alleen nog onder uitzonderlijke omstandigheden toe.20

beschouwing

In onze tijd is de voortplantingsleer van Aristoteles, die grotendeels gebaseerd was op hypothese, geworden tot een voortplantingswetenschap, gebaseerd op feiten. In deze wetenschap is voor het bovennatuurlijke geen plaats meer. De denkende ziel van Aristoteles wordt nu beschouwd als niets anders dan een functie van de hersenen. De hersenen ‘produceren’ gedachten.

Maar in het spraakgebruik leeft de hematogene voortplantingsleer van Aristoteles nog voort. Dat blijkt uit woorden en gezegden als ‘bloedverwanten’, ‘bloedschande’, ‘mijn bloedeigen kind’, ‘mijn eigen vlees en bloed’, ‘zij zijn van enen bloede’, ‘de stem van het bloed’ en ‘het bloed kruipt waar het niet gaan kan’.

Prof.dr.M.J.van Lieburg, medisch historicus, hielp bij het zoeken naar relevante literatuur en gaf commentaar op het manuscript.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Lesky E. Die Zeugungs- und Vererbungslehren der Antike undihr Nachwirken. In: Abhandlungen der Akademie der Wissenschaften und derLiteratur. Steiner: Wiesbaden; 1950.

  2. Baumann ED. Historische Betrachtungen über dasKoitus-Konzeption Problem. Arnhem: Misset; 1940.

  3. Lyons AS, Petrucelli RJ. Medicine, an illustrated history.New York: Abrams; 1978.

  4. Schierbeek A. Het probleem der bevruchting in de loop dertijden. Brussel: Het Paleis der Academiën; 1952.

  5. Gimbutas M. The civilization of the Goddess. SanFrancisco: Harper; 1991.

  6. Stricker BH. De geboorte van Horus II. Leiden: Brill;1968.

  7. Timmer M. Van Anima tot Zeus. Rotterdam: Lemniscaat;2001.

  8. Stol M, Wiggerman FAM. Birth in Babylonia and the Bible.Groningen: Styx Publications; 2000.

  9. Kremer J. Antoni van Leeuwenhoek, grondlegger van despermatologie. Ned Tijdschr Geneeskd1977;121:1929-34.

  10. Pagel W. William Harvey's biological ideas. Bazel:Karger; 1967.

  11. Ferwerda R. Aristoteles over dieren. Groningen:Historische Uitgeverij Groningen; 2000.

  12. Meyer PA. Aristoteles en de biologie. Lampas1987;20:326-39.

  13. Morsink J. Was Aristotle's biology sexist? J HistBiol 1979;12:83-112.

  14. Staden H von. Herophilus. The art of medicine in earlyAlexandria. Cambridge: Cambridge University Press; 1989.

  15. Siegel RE. Galen's system of physiology andmedicine. Bazel: Karger; 1967.

  16. Tempkin O. Soranus’ gynaecology. Baltimore: TheJohns Hopkins University Press; 1955.

  17. Speert H. Iconographia gyniatrica. Philadelphia: Davis;1973.

  18. Damstra-Wymenga S. In smart zult gij uw kinderen baren.Opmerkelijke opvattingen over de voortplanting. Amsterdam: Boom;1995.

  19. Molenaar JC. Uit de bibliotheek van het NederlandsTijdschrift voor Geneeskunde. Rudolf Virchow: Die Cellularpathologie in ihrerBegründung auf physiologische und pathologische Gewebelehre; 1858.Ned Tijdschr Geneeskd2003;147:2236-44.

  20. Mante AW. Begeleiding van ongewenst zwangeren en abortusprovocatus te Utrecht proefschrift. Utrecht: RijksuniversiteitUtrecht; 1975.

Auteursinformatie

Prof.dr.J.Kremer, emeritus hoogleraar Voortplantingswetenschap, Parklaan 16, 9724 AN Groningen.

Gerelateerde artikelen

Reacties

M.
Timmer

Amstelveen, januari 2004,

In dit medisch-historisch artikel (2003:2529-35) vermeldt Kremer dat de Ka-ziel in het faraonische Egypte werd gesymboliseerd door twee opgeheven armen. Dat is correct.1 Maar het miniatuurmensje dat op de afbeelding, ontdekt in het graf van Ramses VI, met het sperma wordt geloosd, heeft de armen niet geheven (figuur 2). Waarom is dit dan toch de Ka-ziel, zoals het onderschrift aangeeft? Verder behoeft enige aanvulling de vermelding dat de leer van de generatio spontanea tot de 19e eeuw heeft standgehouden. Deze leer werd reeds in de 18e eeuw op proefondervindelijke gronden door Spallanzani ontkracht.2

M. Timmer
Literatuur
  1. Timmer M. Van anima tot Zeus. Rotterdam: Lemniscaat; 2001. p. 385.

  2. Grote Winkler Prins Encyclopedie. Deel 21. 8e dr. Amsterdam: Elsevier; p. 92-3.

J.
Kremer

Groningen, januari 2004,

Ik heb de eerste vraag van collega Timmer voorgelegd aan de egyptoloog dr.J.van Dijk van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij gaf een andere uitleg van figuur 2 dan het onderschrift aangeeft. Zijn uitleg was als volgt: ‘Op de betreffende afbeelding is in het sperma de hiëroglief voor “kind” te zien met daaronder de hiëroglief voor “vuur”. Daarmee wordt aangegeven dat het kind door de zonnegod Re in het sperma is gebracht. De hiëroglief voor “vuur” geeft het bewegend principe in het sperma weer, dat licht en warmte brengt. In de buik van de vrouw zal het kind gaan groeien als zaad in de akker’.1 Een concept dat later ook Plato en Van Leeuwenhoek in gemodificeerde vorm gebruikten om het ontstaan van zwangerschap te verklaren.

Het is correct dat Spallanzani proefondervindelijk heeft aangetoond dat de leer van de generatio spontanea onjuist was. Een eeuw eerder had Van Leeuwenhoek deze leer reeds op rationele gronden betwijfeld, getuige zijn uitspraak: ‘soo een roerlijck schepsel uit onroerlijcke stoffe voortquam, dat soude een mirakel sijn.’ De aanhangers van de leer van de generatio spontanea zagen echter in de ontdekking van de eencelligen en de bacteriën door Van Leeuwenhoek (in respectievelijk 1674 en 1676) juist een bewijs voor deze leer. Zij bleven het concept van Aristoteles trouw tot de 2e helft van de 19e eeuw.2

J. Kremer
Literatuur
  1. Dijk J van. The birth of Horus according to the Ebers Papyrus. Jaarbericht Ex Oriente Lux 1979/1980;26:10-25.

  2. Schierbeek A. Het probleem der bevruchting in de loop der tijden. Brussel: Het Paleis der Academieën; 1952.