De cochlea: slechthorendheid bezien vanuit moderne fysiologische inzichten

Klinische praktijk
J.H.M. Frijns
R. Schoonhoven
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1998;142:830-6
Abstract

Samenvatting

De cochlea is tonotopisch georganiseerd: elke frequentie tussen 20 Hz en 20 kHz heeft een eigen plaats op de basilaire membraan. Bovendien heeft de cochlea een groot dynamisch bereik (geluidssterkte).

Actieve bewegingen van de buitenste haarcellen in het organum spirale (orgaan van Corti) spelen een cruciale rol bij gehoorscherpte en frequentieselectiviteit.

Reeds lang bekende fenomenen als combinatietonen en recentere bevindingen zoals spontane en opgewekte otoakoestische emissies (de cochlea als geluidsbron) passen in het beeld van de cochlea als een niet-lineaire en scherp afgeregelde versterker.

De meeste perceptieverliezen bij slechthorenden zijn te wijten aan beschadiging van haarcellen, bijvoorbeeld door geneesmiddelen. Schade aan de buitenste haarcellen verstoort de cochleaire versterker, waardoor behalve de gevoeligheid voor zachte geluiden, ook de frequentieselectiviteit afneemt. Schade aan de binnenste haarcellen lijkt op een geleidingsverlies.

Tinnitus wordt niet veroorzaakt door otoakoestische emissies, maar is waarschijnlijk het gevolg van denervatie-hypersensitiviteit door verlies van cochleaire input.

Auteursinformatie

Leids Universitair Medisch Centrum, afd. Keel-, Neus- en Oorheelkunde, Postbus 9600, 2300 RC Leiden.

Dr.ir.J.H.M.Frijns, KNO-arts-fysicus; dr.R.Schoonhoven, fysicus-audioloog.

Contact dr.ir.J.H.M.Frijns

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties