De betekenis van convulsieachtige verschijnselen in de eerste twee levensjaren

Onderzoek
J.D. Reerink
W.P. Herngreen
A.C.B. Peters
A.L. den Ouden
S.P. Verloove-Vanhorick
J.H. Ruys
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1994;138:604-7
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Vaststellen van de prevalentie van convulsieachtige verschijnselen bij 1854 kinderen van Nederlandssprekende moeders in de eerste twee levensjaren.

Methode

In het kader van het ‘Sociaal medisch onderzoek consultatiebureau kinderen’ (SMOCK), een representatieve steekproef levend geboren kinderen in 1988-1989, werden volgens protocol tijdens ieder consultatiebureau-consult 8 maal het waarnemen, de frequentie en de samenhang met de voeding geïnventariseerd van ‘bewustzijnsdaling’, ‘onwillekeurige bewegingen’, ‘draaien met de ogen’ en ‘apneu’.

Resultaten

Convulsieachtige verschijnselen kwamen bij een kwart van de kinderen voor: bij 8 uitsluitend in samenhang met de voeding en vrijwel alleen in de eerste 3 levensmaanden, bij 19 ook zonder samenhang met de voeding tot het 2e levensjaar. Deze laatsten werden vaker opgenomen in de eerste twee levensjaren, ook zonder neurologische indicatie, dan de eersten of dan kinderen zonder deze verschijnselen. Zij bleken vaker een beperking of een handicap te hebben op de leeftijd van 2 jaar. Een verband met epilepsie in de familie of met congenitale afwijkingen kon niet worden aangetoond.

Conclusie

Convulsieachtige verschijnselen werden waargenomen bij een kwart van de kinderen tot 2 jaar. Het optreden van verschijnselen zonder samenhang met de voeding is een reden om aan gezondheid en ontwikkeling van deze kinderen extra aandacht te besteden.

Inleiding

Zie ook het artikel op bl. 621.

Aanvalsgewijs optredende veranderingen van bewustzijn, gedrag en (of) motoriek bij jonge kinderen kunnen tot polikliniekbezoek of ziekenhuisopname leiden.1-3 Bij de arts rijst veelal de vraag of deze verschijnselen wel of niet van epileptische origine zijn. Omdat ouders deze convulsieachtige verschijnselen in de eerste levensmaanden veelal beschouwen als zogenaamde ‘voedingsstuipjes’, ‘slaap- of groeistuipjes’, en op de peuterleeftijd als ‘driftbuien’, wordt niet altijd medische hulp gevraagd. De betekenis van deze verschijnselen is, voor zover is na te gaan, tot op heden uitsluitend benaderd vanuit (poli)klinische onderzoeken.24

In dit artikel wordt de prevalentie van bewustzijnsdaling, onwillekeurige motorische bewegingen, draaien met de ogen en apneu beschreven in een ongeselecteerde groep kinderen uit het ‘Sociaal medisch onderzoek consultatiebureau kinderen’ (SMOCK)-project, en wordt de betekenis nagegaan van het optreden van dit soort verschijnselen al dan niet in samenhang met de voeding.

Methode

SMOCK-cohort

De SMOCK-cohort is een representatieve steekproef uit de Nederlandse zuigelingenpopulatie van 1988-1989.5 Op de leeftijden van 1, 3, 6, 9, 12, 15, 18 en 24 maanden werden door de consultatiebureau-artsen 4 vragen over convulsieachtige verschijnselen gesteld, zo nodig aangevuld met specifieke vragen. Daarbij werd volgens protocol gewerkt: de formulering van de vragen was in een handleiding omschreven, evenals de criteria voor registratie. Ook werd genoteerd hoe de ouder de convulsieachtige verschijnselen benoemde. Van deze speciale omschrijvingen werden de categorieën ‘voedingsstuipje’, ‘slaap-groeistuipje’, ‘driftbui’ en ‘(koorts)stuip’ nader onderzocht. Alleen de gegevens van 1854 kinderen van Nederlandssprekende moeders werden in de analyse betrokken. De kinderen werden in 3 groepen verdeeld.

De eerste groep (A) bestond uit kinderen bij wie convulsieachtige verschijnselen uitsluitend in samenhang met de voeding waren genoteerd. De tweede groep (B) bestond uit kinderen bij wie de verschijnselen waren opgetreden zonder verband met de voeding. De derde groep (C) bestond uit kinderen bij wie nooit een dergelijk verschijnsel was genoteerd.

Verzamelde gegevens

De 3 groepen werden vergeleken ten aanzien van: epilepsie in de familie, roken en alcoholgebruik van de moeder tijdens de zwangerschap, zwangerschapsduur (6 toestand van het kind bij de geboorte (Apgar-score bij 5 min ? 8 versus score 9 of 10; of volgens opgave van de moeder: met of zonder enig probleem), ziekenhuisopname van het kind in de eerste levensweken (geen, na zwangerschapsduur 7 Iedere stoornis die aan deze definitie voldeed op 2-jarige leeftijd werd beschouwd als ‘beperking’, bijvoorbeeld visus- of gehoorfunctiestoornis, spraak-taalachterstand, hemiplegie of syndroom van Down. Deze gegevens werden verkregen via huisbezoek van de wijkverpleegkundige of op het consultatiebureau. Op het laatste consult bij 24 maanden werd de voorgaande psychomotorische ontwikkeling aan de hand van de Van Wiechen-registratie genoteerd.8

Analyse

Voor statistische analyse is gebruik gemaakt van de ?2-toets, waarbij groep A (verschijnselen in samenhang met de voeding) werd afgezet tegen groep C (geen verschijnselen), groep B (verschijnselen zonder samenhang met de voeding) tegen groep C, en groep A tegen groep B.

Resultaten

In totaal werden bij 494 (26,6) van de 1854 kinderen convulsieachtige verschijnselen genoteerd. Groep A bestond uit 151 kinderen, groep B uit 343 kinderen, groep C uit 1360 kinderen. De frequentie van deelname aan het consultatiebureau bleek niet verschillend tussen de groepen kinderen met en zonder ‘aanvalletjes’ al dan niet in samenhang met de voeding.

In de figuur wordt een overzicht gegeven van het totaal aantal meldingen naar leeftijd van elk van de vier convulsieachtige verschijnselen. Draaien met de ogen kwam in de eerste maanden in combinatie met de voeding het meeste voor. Apneu vertoonde weinig samenhang met de voeding en werd op elke leeftijd tot 2 jaar aangetroffen. Het meer dan 1 keer optreden van convulsieachtige verschijnselen kwam bij 3 maal zo veel kinderen voor in groep B als in groep A (tabel 1).

In tabel 1 is het aantal kinderen weergegeven bij wie meer dan één soort convulsieachtige verschijnselen, al dan niet in samenhang met de voeding, optrad. De combinatie van alle 4 verschijnselen kwam in groep B 6 maal zo vaak voor als in groep A. Apneu kwam bij 10 van de kinderen in groep A en bij 40 van de kinderen in groep B voor.

Bij de omschrijvingen van de verschijnselen door de ouders werden voedings-, slaap- en groeistuipjes voornamelijk voor de derde levensmaand genoemd, en waren driftbuien de belangrijkste typering in het tweede levensjaar, gevolgd door (koorts)stuipen.

In tabel 2 worden gegevens die mogelijk verband houden met het optreden van convulsieachtige verschijnselen met elkaar vergeleken. Epilepsie in de familie en congenitale afwijkingen kwamen niet vaker voor bij kinderen met verschijnselen. Vroeggeboorte, opname direct na de geboorte (ook bij geboorte na normale zwangerschapsduur) en opname in de eerste 2 levensjaren, ook voor niet-neurologische aandoeningen, kwamen vaker voor in groep B.

Kinderen van groep B hadden op 2-jarige leeftijd significant vaker een beperking. De verdeling van enkele kenmerken van kinderen met een beperking is weergegeven in tabel 3. Significante verschillen in psychomotorische ontwikkeling tussen de onderscheiden groepen konden niet worden aangetoond. Wel bestond een tendens tot trage ontwikkeling van de grove motoriek, blijkend uit een veelvuldige beoordeling ‘onvoldoende’ van de items ‘raapt vanuit hurkzit iets op’ en ‘loopt los’, in zowel groep A als in groep B.

Beschouwing

De betekenis van verschijnselen die aan een convulsie of epilepsie doen denken, is voor de ouders en voor de arts verschillend. Voor ouders zijn ervaring in de zin van ‘al eerder meegemaakt’ en de reactie van de omgeving van belang, voor de arts zijn medische interpretatie en prognose vaak onzeker.9-11 Behalve epilepsie is een aantal aanvalsgewijs optredende veranderingen bij zuigelingen en jonge kinderen bekend, zoals trillende bewegingen (‘jitteriness’),2 apneu (bij prematuritas),12 slaapmyoclonus, en ‘breathholding spells’.1314 Ook kan een collapsachtig beeld bij jonge kinderen na een vaccinatie optreden.15 Veel van dit soort verschijnselen zijn moeilijk classificeerbaar.13

Uit de gegevens van de SMOCK-cohort bleek dat in een algemene populatie zuigelingen in de loop van de eerste 2 levensjaren bij ongeveer 25 convulsieachtige verschijnselen voorkwamen. De opzet van dit onderzoek stond een nauwkeurige classificatie van de verschijnselen niet toe. Een verband tussen het optreden van verschijnselen en voorgaande vaccinaties kon in dit onderzoek niet worden aangetoond. Dit was ook niet te verwachten gezien de cohortgrootte.15

Klachten in aansluiting op de voeding

Een derde deel van de kinderen met convulsieachtige verschijnselen toonde deze klachten in aansluiting op de voeding, bijna uitsluitend in de eerste drie levensmaanden. De klachten deden zich meestal eenmalig voor. De psychomotorische ontwikkeling op de leeftijd van 2 jaar was bij dezen normaal, er was geen vergrote kans op beperkingen of handicaps. Verschijnselen optredend in samenhang met de voeding kunnen blijkbaar in de regel als onschuldig (fysiologisch) worden beschouwd (‘voedingsstuipjes’).

Klachten niet in aansluiting op de voeding

Twee derde deel van de kinderen in het SMOCK met convulsieachtige verschijnselen had deze klachten zonder samenhang met de voeding. De frequentie van vóórkomen varieerde weinig in de leeftijd van 3 tot 24 maanden. Ook deze klachten kwamen meestal eenmalig voor, ofschoon het bij herhaling optreden minder zeldzaam was dan bij de voedingsstuipjes. Het betrof vaker vroeggeborenen. Ziekenhuisopnamen waren bij hen in de eerste twee levensjaren vaker noodzakelijk, ook om niet-neurologische redenen. De psychomotorische ontwikkeling van deze kinderen, voor zover zij op het consultatiebureau gezien waren, was naar de beoordeling volgens de Van Wiechen-registratie op de leeftijd van 2 jaar binnen de norm. Het aantal kinderen met beperking en (of) een handicap was in deze groep kinderen echter vergroot ten opzichte van de groep zonder convulsieachtige verschijnselen en de groep met convulsieachtige verschijnselen in samenhang met de voeding. Een causale relatie met een achterliggende (lichte) cerebrale dysfunctie, deels op grond van perinatale problemen, lijkt aannemelijk. Het is raadzaam de ontwikkeling van deze kinderen met extra aandacht te volgen. Wanneer hun ouders hen niet meer op het consultatiebureau brengen, is een extra huisbezoek wenselijk.

Vervolgonderzoek op schoolgaande leeftijd kan uitwijzen of convulsieachtige verschijnselen toch een prognostisch ongunstig teken vormen.

Drs.M.M.van der Klaauw, statisticus, beheerde de data en ir.G.J.van Aarsen, statistisch adviseur, hielp bij de verwerking van de gegevens. De uitvoering van het SMOCK werd financieel gesteund door het Praeventiefonds, de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg, de Stichting Onderzoek en Ontwikkeling Maatschappelijke Gezondheidszorg en de Commissie Landelijk Epilepsie Onderzoek TNO.

Literatuur
  1. Boon M, Brouwer OF. Aanvalletjes bij jonge kinderen:epileptisch of niet? Tijdschr Kindergeneeskd 1990; 58: 165-9.

  2. Parker S, Zuckerman B, Bauchner H, Frank D, Vinci R,Cabral H. Jitteriness in full-term neonates: prevalence and correlates.Pediatrics 1990; 85: 17-23.

  3. Barron T. The child with spells. Pediatr Clin North Am1991; 38: 711-24.

  4. Volpe JJ. Neonatal seizures: current concepts and revisedclassification. Pediatrics 1989; 84: 423-8.

  5. Herngreen WP, Reerink JD, Noord-Zaadstra BM van,Verloove-Vanhorick SP, Ruys JH. The SMOCC-study: design of a representativecohort of live-born infants in the Netherlands. Eur J Public Health 1992; 2:117-22.

  6. Reerink JD, Herngreen WP, Verkerk PH, Ruys JH,Verloove-Vanhorick SP. Congenitale afwijkingen in het eerste levensjaar inNederland. Ned Tijdschr Geneeskd 1993;137: 504-9.

  7. World Health Organization (WHO). Internationalclassification of impairments, disabilities and handicaps. A manual ofclassification relating to consequences of disease. Genève: WHO,1980.

  8. Werkgroep Van Wiechen. Ontwikkelingsonderzoek op hetconsultatiebureau: werkboek bij het herziene Van Wiechenschema. Bunnik:Nationale Kruisvereniging, 1988.

  9. Donselaar CA van, Geerts AT, Meulstee-Habbema JDF, StaalA. Reliability of the diagnosis of a first seizure. Neurology 1989; 39:267-71.

  10. Nijhof G, Appel T, Groot W de, Heijt M, Hoofwijk G,Jansen H. Dualiteit in de beeldvorming van epilepsie. Sociale Gids 1992; 39:91-105.

  11. Offringa M, Derksen-Lubsen G, Bossuyt PMM, Lubsen J.Risicofactoren voor het optreden van recidiefconvulsies na een eerstekoortsconvulsie. Ned TijdschrGeneeskd 1992; 136: 516-21.

  12. Barrington K, Finer N. The natural history of theappearance of apnea of prematurity. Pediatr Res 1991; 29: 372-5.

  13. Brouwer OF, Peters ACB. ‘Breath-holdingspells’. Ned Tijdschr Geneeskd1988; 132: 762-5.

  14. Stephenson JBP. Blue breath holding is benign. Arch DisChild 1991; 66: 255-7.

  15. Jong GA de, Rümke HC. Belangrijke bijwerkingen vanvaccinaties in 1991. T Jeugdgezondheidszorg 1992; 24:83-8.

Auteursinformatie

Nederlands Instituut voor Praeventieve Gezondheidszorg TNO, afd. Jeugd en Gezondheid, Postbus 124, 2300 AC Leiden.

Mw.dr.J.D.Reerink, mw.dr.A.L.den Ouden en mw.prof.dr.S.P.Verloove-Vanhorick, kinderartsen; drs.W.P.Herngreen, andragoloog.

Academisch Ziekenhuis, afd. Neurologie, Utrecht.

Prof.dr.A.C.B.Peters, kinderneuroloog.

Academisch Ziekenhuis, afd. Kindergeneeskunde, Leiden.

Prof.dr.J.H.Ruys, kinderarts.

Contact mw.dr.J.D.Reerink

Gerelateerde artikelen

Reacties