De bestralingskater; prospectief onderzoek naar vóórkomen en beloop

Onderzoek
A. Chin
M. Craandijk
W.F.F. Feenstra
J.W.H. Leer
Citeer dit artikel als: Ned Tijdschr Geneeskd. 1990;134:1091-4
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Uit een prospectief onderzoek bij 169 bestraalde patiënten naar het voorkomen en het beloop van de ‘bestralingskater’ bleek dat de hierbij passende verschijnselen vermoeidheid, verminderde eetlust, misselijkheid en braken bij twee derde deel van de patiënten voorkwamen. Ze ontstonden al in de eerste week van de behandeling en veelal binnen enkele uren na een bestraling. In de loop van de behandeling verergerden de verschijnselen bij vrijwel alle patiënten, maar veelal waren ze binnen 1 week na beëindiging van de behandeling spontaan verdwenen.

Het is aan te bevelen reeds vroeg na het beginnen met de radiotherapie rekening met de bijwerkingen ervan te houden, vooral omdat deze met eenvoudige leefregels aanmerkelijk draaglijker kunnen worden gemaakt.

Inleiding

Over de ‘bestralingskater’ of de ‘acute radiation sickness’ is niet veel bekend. Symptomen ervan zijn vermoeidheid, verminderde eetlust, misselijkheid en braken.1-4 Factoren die wellicht van belang zijn bij het ontstaan en het onderhouden van deze verschijnselen, zijn de totale bestralingsdosis, de dosis die bij één bestraling wordt gegeven, het gebied dat bestraald wordt,25 en de chirurgische ingreep en (of) de chemotherapie voorafgaand aan de radiotherapie.

In dit artikel wordt verslag gedaan van een prospectief onderzoek naar het voorkomen en het beloop van de bestralingskater.

PatiËnten en methoden

In de periode mei tot november 1986 werden op de afdeling Klinische Oncologie van het Academisch Ziekenhuis te Leiden 169 patiënten bestraald. Deze patiënten werden zonder selectie in het onderzoek opgenomen. Gedurende 2 maanden werden hun door 2 medische studenten vragenlijsten voorgelegd. De interviews vonden plaats voor het begin van de radiotherapie (uitgangssituatie), wekelijks tijdens de behandeling (beloop) en 2 weken na de beëindiging ervan (eindevaluatie). Gevraagd werd naar de symptomen behorende bij de bestralingskater. Misselijkheid en braken werden volgens criteria van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) gescoord, vermoeidheid en verminderde eetlust volgens een arbitraire 7-puntsschaal (tabel 1).

De gegevens van 146 patiënten konden voor het onderzoek gebruikt worden; 23 patiënten konden of wensten niet aan het onderzoek deel te nemen, omdat zij voor afloop van het onderzoek overleden (3 patiënten), geen tijd hadden voor de interviews (8 patiënten) of te ziek waren (12 patiënten).67 De leeftijd varieerde van 23 tot 92 jaar en was gemiddeld 53 jaar. Het aantal mannen en vrouwen was nagenoeg gelijk: 72 mannen en 74 vrouwen. Omdat het deel van het lichaam dat bestraald werd van invloed zou kunnen zijn op het klachtenpatroon, werden de patiënten bij analyse van de gegevens in 4 groepen verdeeld, afhankelijk van het te bestralen gebied: groep I, hoofd-halsregio (n =31); groep II, thorax (n=59); groep III, abdomen (n=29); groep IV, extremiteiten (n=27).

Resultaten

Van de 146 onderzochte patiënten hadden er 98 (67) een of meer klachten als gevolg van de radiotherapie, klaagden 24 patiënten (16) voor het begin van de behandeling reeds over algemene malaise die tijdens de behandeling niet verergerde, en hadden 24 patiënten (16) geen klachten. Van de 98 patiënten met symptomen van een bestralingskater werden van de meesten (63) deze reeds in de eerste week van de behandeling vernomen: 42 patiënten (43) binnen 1 tot 3 uur na iedere bestraling en 20 patiënten (20) na 3 uur. Bij 32 patiënten (33) kon geen verband tussen het tijdstip van de bestraling en het begin van de verschijnselen worden aangetoond en bij 4 patiënten (4) was dit interval zeer wisselend (tabel 2).

Groep I

Vermoeidheid kwam voor bij 15 (48) van de 31 patiënten en nam gedurende de radiotherapie bij deze patiënten in ernst toe. Na beëindiging van de radiotherapie was de vermoeidheid bij 6 patiënten binnen 1 week spontaan verdwenen en bleef bij 8 patiënten bestaan; van 1 patiënt waren hierover geen gegevens bekend. Verminderde eetlust kwam bij 11 patiënten (35) voor. Na afloop van de behandeling verdween dit symptoom spontaan bij 4 patiënten en persisteerde bij 3 patiënten; van 4 patiënten ontbraken gegevens. Tien patiënten (32) klaagden over toenemende misselijkheid tijdens de radiotherapie. Na afloop van de behandeling was de misselijkheid bij 3 patiënten verdwenen en bestond nog bij 1 patiënt. Braken kwam bij 6 patiënten (19) voor, nam bij hen in ernst toe en verdween binnen 1 week na beëindiging van de radiotherapie.

Groep II

Over vermoeidheid klaagden 41 patiënten (69). Dit verschijnsel nam bij allen in ernst toe, maar verdween bij 28 patiënten spontaan binnen 1 week na de radiotherapie en bleef bestaan bij 9 patiënten. Van 4 patiënten was het verdere beloop onbekend door het ontbreken van follow-up-onderzoek. Verminderde eetlust kwam bij 16 patiënten (27) voor. Na de radiotherapie was dit verschijnsel bij 7 patiënten verdwenen, maar 4 patiënten bleven er last van houden; bij 5 patiënten was het beloop onbekend. Misselijkheid ontstond bij 21 patiënten (36), werd erger tijdens de behandeling en was bij 16 patiënten binnen 1 week na afloop van de behandeling verdwenen. Drie patiënten bleven misselijk en bij 2 patiënten was het beloop onbekend. Braken kwam slechts bij 6 patiënten (10) voor en nam in ernst toe tijdens de bestraling. Aan het eind van de behandeling klaagde nog 1 patiënt hierover; bij 1 patiënt was het verdere beloop niet bekend.

Groep III

Over vermoeidheid klaagden 21 (72) van de 29 patiënten in deze groep. Dit symptoom verergerde bij deze 21 patiënten tijdens de radiotherapie. Zes patiënten klaagden langer dan 1 week over vermoeidheid. Verminderde eetlust kwam bij 10 patiënten (34) voor en nam toe in ernst gedurende de radiotherapie. Dit verschijnsel verdween spontaan binnen 1 week na de bestraling bij 7 patiënten en persisteerde bij 2 patiënten; van 1 patiënt waren hierover geen gegevens voorhanden. Misselijkheid kwam voor bij 12 patiënten (41), verergerde bij 11 patiënten en verdween bij allen binnen 1 week na beëindiging van de radiotherapie. Braken kwam slechts bij 4 patiënten (14) voor en nam ook bij al deze patiënten in ernst toe, maar niet in die mate dat de fractiedosis moest worden aangepast. Behandeling met een anti-emeticum bleek ruimschoots voldoende te zijn.

Groep IV

Geen enkele patiënt uit groep IV had verschijnselen van een bestralingskater.

Beschouwing

Als gevolg van radiotherapie kunnen acute (dagen tot weken) en late (maanden tot jaren) bijwerkingen ontstaan. De acute reacties kunnen worden onderverdeeld in lokale (erytheem, mucositis, haaruitval) en algemene bijwerkingen (misselijkheid, braken, vermoeidheid en verminderde eetlust). De algemene bijwerkingen worden vaak samengevat onder de term acute radiation sickness of bestralingskater. Over de oorzaak ervan is nog weinig bekend. Bij het ontstaan van braken en misselijkheid zijn niet alleen centrale,489 maar ook lokale invloeden op het orgaan dat in het bestralingsveld ligt, van belang.461011 De oorzaak van verminderde eetlust is ook niet helemaal duidelijk.4 Als mogelijke oorzaken worden mucositis, stomatitis, smaakverlies, droge mond en oesophagitis genoemd.61012 Vermoeidheid wordt als een complex van veranderingen in (fysieke) prestaties en subjectieve gevoelens beschreven.1314 Over het ontstaansmechanisme, het voorkomen en het beloop van dit symptoom is weinig bekend.

Uit ons onderzoek bleek dat de bijwerkingen van de bestraling bij ongeveer twee derde van het aantal patiënten voorkwamen. Tegen de verwachting in bleek de bestraalde regio weinig invloed te hebben op het krijgen van een bepaald symptoom.

Belangrijke variabelen zoals fractioneringsschema's (grootte en aantal fracties per week) en bestraald volume die van belang zouden kunnen zijn bij het ontstaan van de bijwerkingen, konden niet afzonderlijk worden bestudeerd. Opvallend was wel dat de meeste verschijnselen vroeg na het begin van de behandeling ontstonden, veelal binnen 1 tot 3 uur na iedere bestraling. Dit is van belang voor het nemen van voorzorgsmaatregelen, zoals de toediening van anti-emetica in de eerste uren direct na de bestraling en de zorg voor geschikt vervoer voor patiënten die lang moeten reizen tussen ziekenhuis en woonplaats.

Toename in ernst van de verschijnselen gedurende de behandeling kwam bij alle patiënten voor. Deze was echter veelal niet van dien aard dat de patiënten medicatie nodig hadden. Eenvoudige leefregels bleken veelal voldoende, zoals rust en maaltijden op aangepaste tijdstippen. Bij het grootste deel van de patiënten waren de bijwerkingen binnen 1 week na beëindiging van de radiotherapie spontaan verdwenen. Alleen de vermoeidheid, die het meest voorkwam, bleef langer bestaan.

Conclusies

Uit onze observaties blijkt dat de bestralingskater, ofwel de algemene bijwerkingen van bestraling, zeer vaak voorkomt. De symptomen misselijkheid, gebrek aan eetlust en vermoeidheid worden niet alleen gezien na bestraling van relatief grote delen van de buik, maar ook na bestraling van bijvoorbeeld een klein volume in het hoofd-halsgebied. Hoewel de verschijnselen in ernst over het algemeen meevallen en kort na de gehele behandeling verdwenen zijn, worden ze door de patiënt als zeer hinderlijk ervaren.

Bekendheid met het voorkomen, het ontstaan en het beloop van de bijwerkingen na bestraling is van groot belang voor een adequate begeleiding van patiënten die deze behandeling ondergaan.

Literatuur

  1. Zwaveling A, Zonneveld RJ van, Schaberg A. Oncologie. 2edruk. Alphen ad Rijn: Samsom Stafleu, 1985.

  2. Hellman S. Principles of radiation therapy. In: Vita V de,Hellman S, Rosenberg A, eds. Cancer principles and practice of oncology. 2nded. Philadelphia: Lippincott, 1985; 197-207.

  3. Regato JA del, Spjut HJ, Cox D. Radiotherapy of cancer.in: Ackerman LV, Regato JA del, eds. Cancer diagnosis, treatment andprognosis. St.Louis: Mosby, 1985: 85-6.

  4. Billings JS. Outpatient management of advanced cancer.Philadelphia: Lippincott, 1985.

  5. Fletcher GH. Textbook of radiotherapy. Philadelphia: Lea& Febiger, 1980.

  6. Shils ME. Nutritional problems induced by cancer. Med ClinNorth Am 1979; 63: 1009-23.

  7. Salazar OM, Rubin P, Keller B, Scarantino C. Systemic(half-body) radiation therapy: response and toxicity. Int J Radiat Oncol BiolPhys 1978; 4: 937-50.

  8. Frytak S, Moertel CG. Management of nausea and vomiting inthe cancer patient. JAMA 1981; 245: 393-6.

  9. Fitzpatrick PJ, Rieder WD. Half body radiotherapy. Int JRadiat Oncol Biol Phys 1977; 1: 197-207.

  10. Corta G, Donaldson SS. Effects of cancer and cancertreatment on the nutrition of the host. N Engl J Med 1979; 300:1471-3.

  11. Dubois A, Jacobus JP, Grissom MP, Eng RR. Conklin JJ.Altered gastric emptying and prevention of radiation-induced vomiting indogs. Gastroenterology 1984; 86: 444-8.

  12. Morrison SD. Origins of anorexia in neoplastic disease.Am J Clin Nutr 1978; 31: 1104-7.

  13. Klingerman MM. Principles of radiation therapy. In:Holland JF, Frei III E, eds. Cancer medicine. Philadelphia: Lea &Febiger, 1982: 581-6 en 593-5.

  14. Haylock PJ, Hart LK. Fatigue in patients receivinglocalized radiation. Cancer Nursing 1979; 2: 461-7.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis, afd. Klinische Oncologie, Postbus 9600, 2300 RC Leiden.

A.Chin en prof. dr.J.W.H.Leer, oncoloog-radiotherapeuten.

Rijksuniversiteit, Leiden.

M.Craandijk en W.F.F.Feenstra, medisch studenten.

Contact A.Chin

Reacties