Dagelijks functioneren en zorggebruik onder personen van 85 jaar en ouder

Onderzoek
A. Bootsma-van der Wiel
R.G.J. Westendorp
D.L. Knook
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:2170-6
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Inventariseren van het dagelijks functioneren, het zorggebruik en de daarmee samenhangende indicatoren bij mensen van 85 jaar en ouder.

Opzet

Dwarsdoorsnedeonderzoek.

Plaats

Algemene bevolking van de gemeente Leiden.

Methode

Uit het bevolkingsbestand van de inwoners van 85 jaar en ouder uit de gemeente Leiden werd een willekeurige steekproef getrokken. In totaal werden 239 ‘oudste ouderen’ (respons 83) door een arts-onderzoeker bezocht, in 1991‘92. Met een medische anamnese en gestandaardiseerde vragenlijsten werden gezondheid (gewrichtsaandoening, hart- en vaatziekte, diabetes mellitus, ziekte van Parkinson; stoornissen in cognitie, visus, gehoor; mobiliteitbeperking), dagelijks functioneren (zelfverzorgende en huishoudelijke activiteiten) en zorggebruik (informele hulp door buren of familie, gezins- of bejaardenhulp, wijkverpleegkundige hulp, particuliere hulp) in kaart gebracht. Statistische analysen werden uitgevoerd met behulp van niet-parametrische toetsen en logistische regressie.

Resultaten

Van de oudste ouderen woonden 111 (46) zelfstandig, van wie 67 (28 van de totale groep) geen professionele hulp had. Vrijwel alle ouderen gaven één of meer problemen in de gezondheid aan. In totaal hadden 129 vrouwen (77) en 43 mannen (61) beperkingen in zelfverzorgende en (of) huishoudelijke activiteiten. Deze beperkingen hingen vooral samen met stoornissen in cognitie, visus en mobiliteit. Ze waren minder gecorreleerd aan chronische ziekten en niet aan gehoorstoornissen. Beperkingen in het dagelijks functioneren waren sterk gecorreleerd aan de woonsituatie. Dit verband was vooral aanwezig bij vrouwen. Bij mannen was vooral het alleen zijn gecorreleerd aan het wonen in een verzorgings- of verpleeghuis. Onder zelfstandig wonende ouderen hingen beperkingen in het dagelijks functioneren samen met het zorggebruik, met uitzondering van de particuliere hulp.

Conclusie

Een kwart van de oudste ouderen woonde zelfstandig zonder professionele hulp. Er bestonden aanzienlijke sekseverschillen in de relatie tussen dagelijks functioneren en zorggebruik.

Inleiding

Het snelst groeiende deel van de Nederlandse bevolking bestaat uit personen van 85 jaar en ouder: niet alleen het absolute aantal, maar ook het relatieve aandeel van deze groep ‘oudste ouderen’ neemt toe. Dit wordt ‘dubbele vergrijzing’ genoemd. In 1996 waren er ruim 200.000 personen van 85 jaar en ouder, overeenkomend met 1,3 van de totale Nederlandse bevolking. Volgens de ‘middenvariant’ voor de bevolkingsprognose (dat is de waarschijnlijkste) van het Centraal Bureau voor de Statistiek zullen er in het jaar 2050 meer dan 500.000 personen van 85 jaar en ouder zijn, bijna 3 van de totale bevolking.1

De groep oudste ouderen kenmerkt zich door een hoge prevalentie van ziekten en gestoorde lichaamsfuncties. De gezondheidsproblemen betreffen veelal stoornissen in de cognitie, de visus, het gehoor en de mobiliteit. De indruk bestaat dat deze stoornissen grote invloed hebben op het dagelijks functioneren.23

Uit een door ons uitgevoerde inventarisatie van onderzoek onder ouderen in Nederland bleek dat representatieve gegevens over het dagelijks functioneren van de oudste ouderen niet voorhanden zijn. Om informatie te verkrijgen over de indicatoren voor het dagelijks functioneren is door het Peilstation voor Ouderen, onderdeel van het Leids Universitair Medisch Centrum, onderzoek uitgevoerd onder een representatieve steekproef van de oudste ouderen in de gemeente Leiden. In dit artikel beschrijven wij het dagelijks functioneren van personen van 85 jaar en ouder, alsmede de relaties tussen gezondheid, dagelijks functioneren en zorggebruik.

Methode

Met medewerking van de gemeente Leiden werd een bestand verkregen van alle personen van 85 jaar en ouder die op 1 augustus 1990 waren ingeschreven in de gemeente Leiden, in totaal 1478 personen. Hieruit is een willekeurige steekproef getrokken van 368 personen. De leeftijdsopbouw en de geslachtsverdeling van de personen in de steekproef waren gelijk aan die in de Nederlandse bevolking van 85 jaar en ouder. In totaal overleden 66 personen voordat zij benaderd konden worden, 63 personen weigerden aan het onderzoek deel te nemen. De voor voortijdige sterfte gecorrigeerde respons bedroeg 79. In de periode januari 1991-april 1992 werd bij 239 ouderen een bezoek gebracht door een arts-onderzoeker van het Peilstation voor Ouderen. Gedurende dit huisbezoek van ongeveer één uur werd een medische anamnese opgenomen, werden functietests uitgevoerd en werden vragen gesteld over dagelijks functioneren en zorggebruik.

De medische anamnese bestond uit een volledige tractusanamnese. Ziekten en klachten die daarbij naar voren kwamen, werden ingedeeld volgens de ‘International classification of diseases’ van de Wereldgezondheidsorganisatie.45 Het cognitief functioneren werd gemeten met de ‘Mini-mental state examination’ (MMSE), een korte test voor oriëntatie en geheugen met een maximale score van 30.67 Het afkappunt voor de aanwezigheid van cognitieve stoornissen was de score 24. Een goede cognitie was gedefinieerd als een MMSE-score groter dan 27.8 Visus werd gemeten met een leestest.9 Afkappunt voor een visusstoornis was het kunnen lezen van een 5-puntsletter op een Jäger-kaart op een door de oudere zelf gekozen leesafstand. Gehoor werd gemeten met een fluistertest, waarbij het verstaan van fluisterspraak werd getest op een afstand van 20 cm van het oor.9 Naar mobiliteit werd gevraagd aan de hand van vragen over traplopen, binnenshuis rondlopen en buiten lopen, zoals geformuleerd door de werkgroep Klinische Geriatrie in 1991.10 Een mobiliteitsstoornis werd gedefinieerd als het niet zelfstandig buiten kunnen lopen.

Dagelijks functioneren werd gemeten met de vragenlijsten van Katz en Fillenbaum, waarbij gevraagd werd naar het al dan niet zelfstandig verrichten van zelfverzorgende en huishoudelijke activiteiten (tabel 1).1112 Bij ouderen bij wie de vragenlijst niet kon worden afgenomen, werd een centrale contactpersoon gevraagd de vragenlijst in te vullen.13 Beperking in de zelfverzorgende activiteiten werd vooraf gedefinieerd als een ‘activiteiten van het dagelijks leven’(ADL)-score ? 1. Een beperking in huishoudelijke activiteiten werd achteraf gedefinieerd als een ‘instrumentele’-ADL(IADL)-score > 4, op basis van de mediaanscore bij zelfstandig wonende oudste ouderen.

Wonen in een verzorgings- of verpleeghuis werd beschouwd als de intensiefste vorm van zorggebruik. Het zorggebruik van zelfstandig wonende ouderen werd in kaart gebracht met behulp van een gestandaardiseerde vragenlijst (onder ‘zorg’ werd begrepen: informele hulp (door buren of familie), gezins- of bejaardenhulp, wijkverpleegkundige hulp, particuliere hulp). Een frequentie van tenminste eenmaal per week werd gedefinieerd als afkappunt voor de aan- of afwezigheid van het desbetreffende zorggebruik.

De resultaten zijn beschreven door middel van de mediaan (P50) en de 25- en 75-kwartielen (P25 en P75), tenzij anders is aangegeven. Groepen werden vergeleken met de Mann-Whitney-toets, die geen assumpties heeft over de onderliggende verdeling van de gegevens. ‘Odds’-ratio's voor beperkingen in het dagelijks functioneren en zorggebruik, afhankelijk van verschillende variabelen, werden gecorrigeerd voor leeftijd met logistische regressie. De variabelen werden gedichotomiseerd in het model ingevoerd. De sterkte van de gevonden verbanden werd uitgedrukt als relatief risico (RR) met het bijbehorende 95-betrouwbaarheidsinterval (95-BI).

Resultaten

Algemene kenmerken

Een overzicht van de algemene kenmerken staat weergegeven in tabel 2. De mediane leeftijd op de bezoekdatum was 89 jaar. Van de 239 onderzochte personen waren 169 vrouw (71). De totale groep bestond voor een groot deel (157; 66) uit alleenwonende vrouwen. Van de totale groep woonden 111 personen (46) zelfstandig. De prevalenties van ziekten en gestoorde lichaamsfuncties waren hoog. De meest voorkomende ziekten waren hart- en vaatziekten en gewrichtsaandoeningen (zie tabel 2). Kanker kwam in dit onderzoek voor bij 17 (7) van de onderzochte personen. De meest voorkomende gezondheidsproblemen betroffen het gehoor, de cognitie of de mobiliteit. Met uitzondering van mobiliteitsstoornissen waren de sekseverschillen voor de verschillende gezondheidsfactoren niet statistisch significant (zie tabel 2). Er waren 10 ouderen (4) die geen van de in tabel 2 genoemde ziekten of gezondheidsproblemen hadden.

Dagelijks functioneren

Er was een grote variatie in dagelijks functioneren binnen de aangegeven groepen. Vrouwen hadden meer beperkingen in het dagelijks functioneren dan mannen (tabel 3). Van de 169 vrouwen hadden 101 (60) beperkingen in de zelfverzorgende activiteiten (ADL-score ? 1) en 119 (71) hadden beperkingen in de huishoudelijke activiteiten (IADL-score > 4). Van de 70 mannen hadden 27 (39) beperkingen in de zelfverzorgende activiteiten en 39 (56) hadden beperkingen in de huishoudelijke activiteiten. In totaal hadden 129 vrouwen (77) en 43 mannen (61) beperkingen in zelfverzorgende en (of) huishoudelijke activiteiten. Zelfstandig wonende mannen met een partner gaven meer beperkingen aan in het verrichten van huishoudelijke activiteiten dan zelfstandig wonende mannen zonder partner. Er was geen duidelijk verschil in het dagelijks functioneren tussen mannen die zelfstandig woonden en mannen die in een verzorgingshuis woonden. Dit in tegenstelling tot vrouwen, bij wie een groot verschil in dagelijks functioneren bestond tussen beide groepen (zie tabel 3).

Zowel vrouwen als mannen gaven de meeste beperkingen aan in de zelfverzorgende (ADL-)activiteiten wassen en aan- en uitkleden. Voor de huishoudelijke (IADL-)activiteiten was het verschil in de specifieke beperkingen groter. Vrouwen gaven vaker beperkingen aan in het zich verplaatsen verder dan loopafstand, het doen van boodschappen en het beheren van geld. Mannen gaven vaker beperkingen aan in het verzorgen van een warme maaltijd, het beheer van medicijnen en telefoneren. Beperkingen in zelfverzorgende activiteiten en beperkingen in huishoudelijke activiteiten waren sterk aan elkaar gecorreleerd (correlatiecoëfficiënt = 0,68; p

Invloed van de gezondheid

Er was een duidelijk verband tussen een aantal gezondheidsfactoren en beperkingen in dagelijks functioneren (figuur). De sterkste verbanden (hoogste RR's) werden gevonden voor de aanwezigheid van cognitieve stoornissen, visus- of mobiliteitsstoornissen. De verbanden tussen dagelijks functioneren en hoog prevalente ziekten zoals hart- en vaatziekten, reumaartrose en diabetes waren minder sterk (lagere RR's, net wel of net niet statistisch significant verhoogd). Er was geen statistisch significant verband tussen dagelijks functioneren en het hebben van een gehoorstoornis.

De gevonden verbanden waren voor mannen en vrouwen nagenoeg gelijk. Alleen het verband tussen beperkingen in het dagelijks functioneren en de aanwezigheid van cognitieve stoornissen was sterker voor mannen dan voor vrouwen. Het relatieve risico voor beperkingen in de zelfverzorgende activiteiten bij cognitieve stoornissen was voor mannen 9,0 (95-BI: 2,6-31,2) en voor vrouwen 2,0 (95-BI: 1,0-4,0). Het relatieve risico voor beperkingen in de huishoudelijke activiteiten bij cognitieve stoornissen was voor mannen 25,4 (95-BI: 4,7-137,1) en voor vrouwen 4,4 (95-BI: 1,9-10,2).

Invloed van de woonsituatie

Er was voor vrouwen een sterk verband tussen beperkingen in het dagelijks functioneren en het wonen in een verzorgingshuis of een verpleeghuis (tabel 4). Dit gold in veel mindere mate voor mannen. Voor mannen speelde het alleen wonen zonder partner een grotere rol. Na correctie voor leeftijd, dagelijks functioneren en huishouden (alleen- of samenwonend) was er voor mannen nog een sterk verband tussen de aanwezigheid van cognitieve stoornissen en het wonen in een verzorgings- of verpleeghuis (RR: 5,7; 95-BI: 1,0-33,5). Dit verband was nagenoeg afwezig bij vrouwen (RR: 1,7; 95-BI: 0,7-4,0).

Zorggebruik

Van de zelfstandig wonende ouderen gaven 17 personen (12 vrouwen en 5 mannen; 15) aan geen enkele vorm van zorg te ontvangen en 67 personen (41 vrouwen en 26 mannen; 60) gaven aan geen formele zorg van gezinszorg of wijkverpleegkundige te ontvangen (tabel 5). Deze groep van 67 zelfstandig wonende personen die geen gebruikmaakten van formele zorg vormde 28 van alle 239 onderzochte personen van 85 jaar en ouder. Voor elke vorm van zorggebruik werd het dagelijks functioneren vergeleken tussen de groep ouderen met deze zorg en de groep ouderen zonder deze zorg. De ouderen die zorg ontvingen van de gezins- of bejaardenhulp of de wijkverpleegkundige hadden meer beperkingen in het dagelijks functioneren. Dit gold ook voor de ouderen met informele zorg van buren of familie voor de huishoudelijke activiteiten. Daarentegen werd geen verschil in het dagelijks functioneren gevonden tussen ouderen met en ouderen zonder particuliere hulp.

Beschouwing

Dit dwarsdoorsnedeonderzoek over het functioneren van de oudste ouderen laat in een aantal opzichten een positief beeld zien. Bijna de helft van de oudste ouderen woonde zelfstandig. Ruim een kwart functioneerde zelfstandig in het dagelijks leven zonder het gebruik van professionele hulp. Er bestonden opmerkelijke sekseverschillen. Beperkingen in het dagelijks functioneren waren meer aanwezig bij vrouwen dan bij mannen. Mogelijk speelde bij mannen de selectie van hen die langer dan gemiddeld overleven een grotere rol. Het dagelijks functioneren en het wonen in een verzorgings- of verpleeghuis hing bij mannen sterk samen met stoornissen in de cognitie en het verlies van een partner. Bij vrouwen waren stoornissen in cognitie, visus en mobiliteit de belangrijkste indicatoren van dagelijks functioneren en wonen in een verzorgings- of verpleeghuis.

In overeenstemming met eerder onderzoek was er een hoge prevalentie van ziekten.314 In het bijzonder hart- en vaatziekten en gewrichtsaandoeningen kwamen vaak voor. Ziekten zoals kanker kwamen minder frequent voor, mogelijk omdat het beloop op deze leeftijd snel fataal is. Opmerkelijk is dat hart- en vaatziekten, reuma, artrose en diabetes slechts in geringe mate samengingen met beperkingen in het dagelijks functioneren.15 Het kan echter niet worden uitgesloten dat bij de medische anamnese ziekten onopgemerkt bleven. Eerder onderzoek onder de oudste ouderen gaf hiervoor echter geen aanwijzingen.516 Ziekten verlopen op oudere leeftijd echter aspecifiek en asymptomatisch en worden aldus niet gediagnosticeerd.1718 Hoewel atherosclerose op oudere leeftijd ongediagnosticeerd kan blijven, is ze een belangrijke indicator voor een beperking in cognitie,1920 mobiliteit en visus die wel sterk met disfunctioneren gecorreleerd zijn. Op soortgelijke wijze hebben artrose en diabetes mellitus ernstige gevolgen voor mobiliteit en visus. Het is daarom belangrijk om deze ziekten in toekomstig onderzoek naar functioneren en zorggebruik te betrekken.21

Ouderen met stoornissen in cognitie, visus en mobiliteit hebben vele malen vaker beperkingen in het dagelijks functioneren.22-24 Opvallend is dat in ons onderzoek een beperking van het gehoor niet samenhing met het dagelijks functioneren. Slechthorendheid is volgens sommigen de belangrijkste functionele beperking onder ouderen,25 en een verband tussen gehoorverlies en dagelijks functioneren kon in een eerder onderzoek wel worden aangetoond.2627 In dit onderzoek concentreerde het dagelijks functioneren zich op zelfverzorgende en huishoudelijke activiteiten. Mogelijk geeft slechthorendheid in het bijzonder beperkingen in sociale activiteiten, een aspect van het functioneren dat in dit onderzoek niet uitputtend is gemeten. Voorts is het mogelijk dat de meting van gehoorstoornissen met de fluisterspraak onvoldoende discriminerend is.

Met betrekking tot de invloed van stoornissen in de mobiliteit op het dagelijks functioneren vond er met de gebruikte onderzoeksinstrumenten een systematische vertekening plaats. De vragenlijsten over beperkingen in de zelfverzorgende en huishoudelijke activiteiten bevatten immers zelf ook vragen over de mobiliteit. Om de rol van mobiliteit op het dagelijks functioneren meer in detail te onderzoeken is het noodzakelijk beenkracht, bewegingsbeperkingen, stabiliteit en coördinatie (stoornissen in de lichaamsfunctie) afzonderlijk te meten.2829

Beperkingen in het verrichten van de zelfverzorgende en huishoudelijke activiteiten impliceren een zorgbehoefte.3031 Het is de vraag in hoeverre de gevonden verbanden tussen het dagelijks functioneren en wonen in een verzorgings- of verpleeghuis deze veronderstelling bevestigen. In grote lijnen is het verband wel aanwezig, maar in verzorgings- en verpleeghuizen blijken ook ouderen te wonen met relatief geringe beperkingen in het dagelijks functioneren.32 Het was in dit onderzoek niet mogelijk te differentiëren naar de duur van opname in een verzorgingshuis. Ouderen die reeds op relatief jongere leeftijd in een verzorgingshuis gaan wonen, als een indicatie daarvoor niet strikt noodzakelijk is, zouden relatief beter kunnen functioneren. De belangrijkste indicator voor wonen in een verzorgings- of verpleeghuis voor mannen was het alleen wonen zonder partner; in 85 van deze gevallen was de man verweduwd. De voor de hand liggende verklaring hiervoor is dat in de thuissituatie de partner van samenwonende mannen de zorg op zich neemt wanneer beperkingen in het dagelijks functioneren aanwezig zijn.33

De beschreven verbanden tussen ziekten, lichamelijke stoornissen, dagelijks functioneren en zorggebruik betreffen resultaten uit een dwarsdoorsnedeonderzoek. Strikt redenerend laten de gevonden verbanden niet toe hierover oorzakelijke relaties te postuleren. Om achterliggende mechanismen en causale verbanden aan te tonen of uit te sluiten, is nader longitudinaal onderzoek nodig. Op die wijze kunnen veranderingen in gezondheidsfactoren, dagelijks functioneren en zorggebruik in kaart worden gebracht. Gezien de hier beschreven problemen bij de oudste ouderen zijn de uitkomsten van onlangs aangevangen longitudinaal onderzoek onder deze groep dan ook van grote maatschappelijke waarde. Naast andere aanpassingen, zouden behandeling van een gestoorde visus, hulpmiddelen voor de mobiliteit en preventie van cognitieve achteruitgang een belangrijke verbetering van het dagelijks functioneren teweeg kunnen brengen.

Tenslotte

In dit onderzoek werd het dagelijks functioneren gedefinieerd als het verrichten van activiteiten in de zelfverzorging en het huishouden. Sociale aspecten zijn daarbij minder aan bod gekomen. Het krijgen van beperkingen in het dagelijks functioneren die leiden tot zorggebruik is een ontwikkeling die in het algemeen als negatief wordt ervaren. ‘Succesvol oud’ is een begrip dat ontstaat in een maatschappij als de onze waarin ‘zelfstandigheid’ tot norm is verheven. Aan zorggebruik kunnen echter ook positieve effecten worden toegeschreven. Zo is men in Ghana ‘succesvol’ oud als men kan terugkijken op een geslaagd leven. Geslaagd houdt in dat men zijn kinderen een degelijke opvoeding en opleiding heeft gegeven, zodat zij nu een goede betrekking hebben. Maar wie dat verzuimd heeft, mag vrezen dat zijn kinderen zich weinig voor hem zullen inspannen op zijn oude dag. Ouderen die geslaagd zijn, beroemen zich op hun afhankelijkheid. Trots sommen zij op wat hun kinderen en kleinkinderen allemaal voor hen doen. Afhankelijkheid is voor hen juist het bewijs van succesvol oud te zijn.34

Met dank aan mw.K.J.S.van den Brande, arts, voor haar bijdrage aan het onderzoek. Dit onderzoek werd mogelijk gemaakt door een subsidie van het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (nu Volksgezondheid, Welzijn en Sport).

Literatuur
  1. Centraal Bureau voor de Statistiek. Statistisch Jaarboek1996. Den Haag: SDU, 1996.

  2. Lagaay AM. The Leiden 85-plus study. A population-basedcomprehensive investigation of the oldest old proefschrift.Leiden: Rijksuniversiteit Leiden, 1991.

  3. Lagaay AM, Asperen IA van, Hijmans W. Prevalence ofmorbidity in the oldest old, aged 85 years and over: a populationbased surveyin Leiden, the Netherlands. Arch Gerontol Geriatr 1992;15:115-31.

  4. World Health Organization (WHO). ICD-9-CM. Theinternational classification of diseases. 9th revision clinical modification1980. Genève: WHO, 1980.

  5. Lagaay AM, Meij JC van der, Hijmans W. Validation ofmedical history taking as part of a population based survey in subjects aged85 and over. BMJ 1992;304:1091-2.

  6. Folstein MF, Folstein SE, McHugh PR. ‘Mini-mentalstate’. A practical method for grading the cognitive state of patientsfor the clinician. J Psychiatr Res 1975;12:189-98.

  7. Tombaugh TN, McIntyre NJ. The mini-mental stateexamination: a comprehensive review. J Am Geriatr Soc1992;40:922-35.

  8. Heeren TJ, Lagaay AM, Beek WCA von, Rooymans HGM, HijmansW. Reference values for the mini-mental state examination (MMSE) in octo- andnonagenarians. J Am Geriatr Soc 1990;38:1093-6.

  9. Lachs MS, Feinstein AR, Cooney jr LM, Drickamer MA,Marotolli RA, Pannill FC, et al. A simple procedure for general screening forfunctional disability in elderly patients. Ann Intern Med 1990;112:699-706.

  10. Stichting Informatieverwerking Gezondheidszorg.Vragenlijst 1991. Utrecht: Landelijke Klinische Geriatrie Registratie,1991.

  11. Katz S, Downs TD, Cash HR, Grotz RC. Progress indevelopment of the index of ADL. Gerontologist 1970;10:20-30.

  12. Fillenbaum GG. Screening the elderly. A briefinstrumental activities of daily living measure. J Am Geriatr Soc1985;33:698-706.

  13. Magaziner J, Bassett SS, Hebel JR, Gruber-Baldini A. Useof proxies to measure health and functional status in epidemiologic studiesof community-dwelling women aged 65 years and older. Am J Epidemiol1996;143:283-92.

  14. Hofman A, Boerlage PA, Bots ML, Breeijen JH den, BruijnAM de, Grobbee DE, et al. De prevalentie van chronische ziekten bij ouderen;het ERGO-onderzoek. Ned TijdschrGeneeskd 1995;139:1975-8.

  15. Deeg DJH, Kriegsman DMW, Zonneveld RJ van. Prevalentievan vier chronische ziekten en hun samenhang met gezondheidsbeperkingen bijouderen in Nederland. TSG 1994;72:434-41.

  16. Schellevis FG, Lisdonk E van de, Velden J van der, EijkJT van, Weel C van. Validity of diagnoses of chronic diseases in generalpractice. The application of diagnostic criteria. J Clin Epidemiol1993;46:461-8.

  17. Sigurdsson E, Thorgeirsson G, Sigvaldason H, Sigfusson N.Prevalence of coronary heart disease in Icelandic men 1968-1986. TheReykjavik study. Eur Heart J 1993;14:584-91.

  18. Hiltunen L, Luukinen H, Koski K, Kivelä SL.Prevalence of diabetes mellitus in an elderly Finnish population. Diabet Med1994;11:241-9.

  19. Breteler MM, Claus JJ, Grobbee DE, Hofman A.Cardiovascular disease and distribution of cognitive function in elderlypeople: the Rotterdam study. BMJ 1994;308:1604-8.

  20. Hofman A, Ott A, Breteler MM, Bots ML, Slooter AJ,Harskamp F van, et al. Atherosclerosis, apolipoprotein E, and prevalence ofdementia and Alzheimer's disease in the Rotterdam study. Lancet1997;349:151-4.

  21. Blaum CS, Liang J, Liu X. The relationship of chronicdiseases and health status to the health services utilization of olderAmericans. J Am Geriatr Soc 1994;42:1087-93.

  22. Jolles J, Houx PJ, Boxtel MPJ van, Ponds RWHM, editors.The Maastricht aging study. Determinants of cognitive aging. Maastricht:Neuropsych Publishers, 1995.

  23. Deeg DJH, Westendorp-de Seriere M, editors. Autonomy andwell-being in the aging population. Report from the longitudinal aging studyAmsterdam 1992-1993. Amsterdam: VU Uitgeverij, 1994.

  24. Kempen GIJM, Ormel J, redacteuren. Dagelijks functionerenvan ouderen. Assen: Van Gorcum, 1996.

  25. Chorus AMJ, Kremer A, Oortwijn WJ, Schaapveld K.Slechthorendheid in Nederland. Achtergrondinformatie bij eenknelpuntennotitie. Rapportnr 95.076. Leiden: TNO Preventie en Gezondheid,1995.

  26. Swart S de, Lagro-Janssen T. Visus- en gehoorstoornissenbij ouderen. Sekseverschillen en de gevolgen voor het functioneren. HuisartsWet 1995;38:391-7.

  27. Carabellese C, Appollonio I, Rozzini R, Bianchetti A,Frisoni GB, Frattola L, et al. Sensory impairment and quality of life in acommunity elderly population. J Am Geriatr Soc 1993;41:401-7.

  28. Odding E, Valkenburg HA, Grobbee DE, Hofman A, Pols HAP.Locomotore beperkingen bij ouderen; het ERGO-onderzoek.Ned Tijdschr Geneeskd1995;139:2096-100.

  29. Lemmink KAPM. De Groninger fitheidstest voor ouderen.Ontwikkeling van een meetinstrument proefschrift. Groningen:Rijksuniversiteit Groningen, 1996.

  30. Verbrugge LM, Patrick DL. Seven chronic conditions: theirimpact on US adults‘ activity levels and use of medical services. Am JPublic Health 1995;85:173-82.

  31. Kempen GIJM. Thuiszorg voor ouderen. Een onderzoek naarindividuele determinanten van het gebruik van wijkverpleging enofgezinsverzorging op verzorgend en huishoudelijk gebiedproefschrift. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen,1990.

  32. Borchelt MF, Steinhagen-Thiessen E. Physical performanceand sensory functions as determinants of independence in activities of dailyliving in the old and the very old. Ann N Y Acad Sci 1992;673:350-61.

  33. Joung IM, Meer JB van der, Mackenbach JP. Marital statusand health care utilization. Int J Epidemiol 1995;24:569-75.

  34. Geest JM van der. Oud in een Ghanees dorp. Beeld enervaring. Medische Antropologie 1997;9:74-89.

Auteursinformatie

Leids Universitair Medisch Centrum, afd. Algemene Interne Geneeskunde, sectie Gerontologie en Geriatrie, Postbus 9600, 2300 RC Leiden.

Mw.A.Bootsma-van der Wiel, arts; dr.R.G.J.Westendorp, internist-epidemioloog (tevens: afd. Klinische Epidemiologie); prof.dr.D.L.Knook, gerontoloog.

Contact mw.A.Bootsma-van der Wiel

Gerelateerde artikelen

Reacties