Contacten buiten de kantooruren: klachten gepresenteerd aan de huisarts en aan de Spoedeisende Hulp

Onderzoek
C.J. IJzermans
S. Mentink
L.M.M. Klaphake
J.J.M. van Grieken
P.J.E. Bindels
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2002;146:1413-7
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Vaststellen in hoeverre klachten die buiten de kantooruren worden gepresenteerd aan de afdeling Spoedeisende Hulp (SEH) van een ziekenhuis en aan huisartsen verschillend zijn en of het volgens de artsen terecht is dat een patiënt contact opneemt.

Opzet

Descriptief.

Methode

Alle klachten die de circa 33.000 patiënten van 22 huisartsenpraktijken presenteerden aan de SEH van een nabij ziekenhuis (zogenaamde zelfverwijzers) en aan dienstdoende huisartsen werden geteld gedurende 2 perioden van ieder 3 maanden. Daarbij werden in beide settings klachten en diagnosen geclassificeerd met behulp van de ‘International classification of primary care’ (ICPC).

Resultaten

De patiënten van deze praktijken namen contact op met een huisarts of bezochten de SEH in een verhouding van 's avonds 2:1 en 's nachts 3:1. Door de huisartsen werden de meeste klachten telefonisch afgehandeld. Op de SEH werden vooral traumata gezien en bij de huisartsen infecties en (complicaties van) chronische ziekten. Huisartsen waardeerden 1 op de 7 contacten als ‘onterecht’ tegen SEH-artsen 1 op de 5.

Conclusie

Er was weinig overlap in de aard van de klachten waarmee patiënten een beroep deden op huisartsen en SEH; er was eerder complementariteit tussen de beide instellingen. De resultaten werden beïnvloed doordat de SEH de mogelijkheid miste om contacten telefonisch af te handelen. Patiënten die geen (acute) medische zorg nodig hadden, deden zowel een beroep op de huisarts als op de SEH.

Inleiding

De zorg buiten de kantooruren is een bron van onvrede voor huisartsen en voor de staf van afdelingen Spoedeisende Hulp (SEH's) van ziekenhuizen.

Het aantal contacten per dienst is de afgelopen decennia in de huisartsenpraktijk gestegen en de indruk bestaat dat daarbij het aantal oneigenlijke hulpvragen is toegenomen. ‘Oneigenlijk’ betekent in dit verband zowel ‘niet-spoedeisend’ als ‘geen medische zorg vereisend’. Teneinde de werklast buiten kantooruren te verminderen, zijn in steeds meer steden huisartsenposten ingericht, waarvandaan de diensten centraal worden georganiseerd voor steeds grotere groepen patiënten.1

Bij de SEH's bestaat de indruk dat veel patiënten de afdelingen bezoeken met klachten die door de huisarts afgehandeld dienen te worden. De schattingen van het percentage oneigenlijke hulpvragen lopen uiteen van 6-80.2 Hierbij wordt echter nooit de categorie ‘behoeft geen (acute) medische zorg’ onderscheiden,3 4 zodat iedere niet-spoedeisende klacht wordt beoordeeld als ‘voor de huisarts’.

In Nederland is maar spaarzaam onderzoek gedaan naar de aard van de hulpvragen die in eenzelfde periode worden gesteld aan huisartsen en SEH's in eenzelfde regio.5 6 Omdat wij betrokken waren bij evaluatieonderzoek naar de mogelijke effecten van de opening van een huisartsenpost voor de nachten in Amsterdam-Zuidoost, werd besloten voor patiënten die uit zichzelf naar de SEH komen (‘zelfverwijzers’) tevens gegevens te verzamelen bij de SEH in die regio, waardoor de totale patiëntenstroom kon worden beschreven. De vragen daarbij waren: (a) in hoeverre zijn de klachten die 's avonds en 's nachts aan de huisartsen, respectievelijk de SEH, worden gepresenteerd van dezelfde aard? En (b) zijn er op (één van) beide locaties als oneigenlijk te bestempelen hulpvragen?

patiënten en methode

Patiënten

In 2 perioden werden prospectief alle contacten in de avond en nacht geteld en geregistreerd van circa 33.000 patiënten, ingeschreven bij 22 praktijken in Amsterdam-Zuidoost, bij zowel de dienstdoende huisartsen als, voor zelfverwijzers, bij de SEH van het Academisch Medisch Centrum (AMC).

Onderzoeksperioden

De eerste periode (september-november 1997) besloeg 3 maanden vóór de opening van de Centrale Huisartsenpost Zuidoost, die, op initiatief van het Achterstandsondersteuningsfonds, plaatsvond op 2 januari 1998. Deze huisartsenpost bestrijkt, alleen in de nachten, alle bijna 90.000 patiënten van 45 huisartsen in heel Amsterdam-Zuidoost. Deze regio is onderdeel van het adherentiegebied van de SEH van het AMC.

De tweede periode (januari-maart 1998) besloeg de 3 maanden onmiddellijk na de opening van deze huisartsenpost.

Voor de deelnemende huisartsen werd, ter validering, nog een derde periode (september-november 1998) geteld, op de resultaten waarvan wij hier slechts zijdelings ingaan.

Bij de huisartsen werden gegevens voor de avonden (17:00-23:00 uur) verkregen van de dienstdoende artsen voor de 22 participerende praktijken. Voor de nachten (23:00-08:30 uur) werden de gegevens voor de eerste periode eveneens verkregen via de dienstdoende huisartsen van de 2 huisartsengroepen (HAGRO's), maar voor de tweede periode werden ze verzameld op de Centrale Huisartsenpost. Op de SEH werden in dezelfde tijdsperioden gegevens verzameld. Zowel op de huisartsenpost als op de SEH werden uitsluitend de patiënten van de 2 deelnemende huisartsengroepen geteld, waarbij het op de SEH uitsluitend om ‘zelfverwijzers’ ging. De diensten overdag van 8:30-17:00 uur in het weekend bleven voor deze studie om praktische redenen buiten beschouwing.

Codering van de contacten

Op de SEH werd gebruikgemaakt van het standaard(verrichtingen)formulier dat daar in gebruik is. Alleen SEH-artsen vullen dit formulier in. Bij de huisartsen werd een speciaal ontwikkeld formulier gebruikt, dat (naar lay-out en puntsgewijze opsomming) voor een groot deel overeenkwam met de gebruikelijke ‘faxbriefjes’. Deze briefjes werden door de dienstdoende huisarts ingevuld. Als extra item werd op beide documenten een vraag opgenomen aan de hand waarvan een arts kon aangeven of het contact als ‘terecht’, ‘onterecht, maar invoelbaar’ of ‘onterecht’ werd gezien. Daarbij werd ‘terecht’ gedefinieerd als een klacht waarvoor behandeling niet tot de volgende ochtend kon wachten en/of die niet langer dan 24 h bestond. Het alternatief ‘onterecht, maar invoelbaar’ bood de gelegenheid om de angst van de patiënt te honoreren. Per patiënt en per klacht werd het eerste contact geregistreerd.

Voor het registreren van zowel klacht als diagnose werd, ook voor de SEH, gebruikgemaakt van de ‘International classification of primary care’ (ICPC).7 Bij de presentatie van groepen klachten en diagnosen werd gebruikgemaakt van een alternatieve clusteringsmethode,8 die er in essentie op neerkomt dat de klachten niet worden gesommeerd naar orgaansysteem (long, hart, oog), maar in clusters en categorieën die naar de aard van de klacht verwijzen (acuut somatisch, traumatisch, chronisch).

Eén onderzoeker (S.M.) verzamelde, registreerde en classificeerde data. De ingevoerde gegevens werden eens in de (maximaal) 4 weken gecontroleerd door een tweede onderzoeker (C.J.IJ.), die de invoer en codering van één gehele week nog eens deed. Daarbij bedroeg het foutenpercentage steeds

Analysen van deze observationele studie vonden plaats met behulp van het computerprogramma ‘Statistical package for the social sciences’(SPSS)-Win 8.0 (SPSS Inc, Chicago, Ill., VS).

resultaten

Algemene contactkenmerken

Het totale aantal contacten met dienstdoende huisartsen en het totale aantal bezoeken aan de SEH samen, voor alle patiënten van de 22 praktijken, bleef nagenoeg gelijk voor de 2 perioden. Het aantal contacten in de avonduren (17:00-23:00 uur) daalde met 5 en dat in de nachten (23:00-08:30 uur) steeg met 18. Deze veranderingen waren zowel bij de SEH als bij de huisartsen zichtbaar. De verhouding tussen het aantal contacten met de huisarts en het aantal bezoeken aan de SEH was 's avonds nagenoeg 2:1 en 's nachts 3:1. De derde registratieperiode, die wij ter validering bij de huisartsen uitvoerden, liet geen grote verschuivingen zien. Er bleek geen duidelijke aanzuigende werking van de oprichting van de Centrale Huisartsenpost 's nachts in Amsterdam-Zuidoost.

In tabel 1 zijn de geslachts- en de leeftijdsverdeling af te lezen voor de twee perioden. Mannen bezochten relatief vaker de SEH dan vrouwen en de huisarts zag tijdens de dienst meer vrouwen dan mannen. De SEH werd vooral bezocht door kinderen en jongvolwassenen (5-44 jaar, samen 70), terwijl contact met de huisarts werd gezocht door patiënten van alle leeftijden. Jongere en oudere patiënten (respectievelijk 0-4 jaar en 65-plussers) namen vaker contact op met de huisarts dan met de SEH (voor kinderen 25 versus 14 en voor ouderen 16 versus 4).

Terwijl contact met de SEH alleen mogelijk is door feitelijk op bezoek te gaan, zijn er voor de patiënt 3 manieren om contact met een huisarts te hebben (zie tabel 1). In periode 2 waren 's nachts geen consulten bij de huisarts meer mogelijk, maar uitsluitend visites en telefonische contacten. De huisarts handelde steeds meer dan de helft van de contacten telefonisch af.

Reden van contact

In tabel 2 staan de frequentst gepresenteerde redenen voor komst. De beide perioden werden gecombineerd (de verschillen tussen de perioden waren gering). Buik- en maagpijn, hoofdpijn en oorpijn waren klachten die zowel de huisarts als de SEH-arts regelmatig zag. Koorts, bijwerkingen van geneesmiddelen, braken en benauwdheid werden meer aan de huisarts gepresenteerd, terwijl snijwonden en (ongevallen)letsels van hand, vinger en enkel bijna uitsluitend door de SEH-arts werden gezien.

Omdat de groep ‘overig’ bij deze weergave van de gegevens groot bleef (circa 60), werden in tabel 3 clusters van alle redenen voor komst gepresenteerd, waarbij de grootste cluster (‘acute somatische symptomen’) werd onderverdeeld in categorieën. De SEH werd op het niveau van de reden voor komst meer bezocht voor acute klachten van het bewegingsapparaat en voor traumata (samen 63 versus 12 bij de huisarts). De huisarts daarentegen werd vaker dan de SEH geconsulteerd voor acute somatische symptomen van maag, darm en ademhalingsstelsel (samen 44 versus 25). Ook ‘angst voor ziekte’ was bij de dienstdoende huisarts een frequent voorkomende reden van bezoek (9 versus 2).

Diagnose

Op het niveau van de diagnose (tabel 4) werd de SEH (met name 's avonds; dat is niet apart in tabel 4 weergegeven) meer dan de huisarts bezocht voor traumata, terwijl voor de huisartsen (vooral 's nachts) de nadruk lag op infecties (van maag, darm en luchtwegen). Chronisch zieken vormden voor huisartsen een belangrijk segment van de contacten buiten de kantooruren (11 versus 4 bij de SEH). Bij de diagnosen werd ervoor gekozen om een reden voor komst zonder diagnostische pendant (bijvoorbeeld ‘snijwond’) als symptoomdiagnose te boeken (vergelijk tabel 3).

Terechtheid van de contacten

Tenslotte werd geteld hoeveel contacten door SEH-artsen en huisartsen werden gewaardeerd als ‘terecht’, ‘onterecht, maar invoelbaar’ en ‘onterecht’. Voor de huisartsen gold dit respectievelijk voor 40, 46 en 14 van de contacten en voor de SEH-artsen voor 50, 29 en 21. Bij de SEH kon een kwart van de contacten niet worden gewaardeerd, omdat de patiënt werd overgedragen aan een specialist.

beschouwing

In ons onderzoek werd van 22 huisartsenpraktijken in Amsterdam-Zuidoost de patiëntenstroom in de avond- en nachtdiensten naar de (dienstdoende) huisarts dan wel naar de afdeling SEH van het AMC weergegeven, zowel kort vóór als na het openen van een Centrale Huisartsenpost. Het merendeel van de patiënten benaderde tijdens deze diensturen eerst de huisarts. De SEH is in de regio Amsterdam-Zuidoost relatief dichtbij de huisartsenpraktijken gelegen. Het is niet onmogelijk dat de patiëntenstroom tijdens de diensten hierdoor wordt beïnvloed.

Met bepaalde specifieke klachten zochten de patiënten contact met de huisarts, met andere gingen zij naar de SEH. Zelfverwijzers van deze praktijken bezochten de afdeling SEH vooral voor traumata. In de avonduren draagt deze groep symptomen/aandoeningen bij aan meer dan de helft van het totale aantal bezoeken en in de nachtelijke uren aan meer dan eenderde. De dienstdoende huisarts werd hiervoor zelden geconsulteerd.

Een belangrijk verschil in de afhandeling van de klachten tussen SEH en huisarts is dat de huisarts meer dan de helft van de hulpvragen telefonisch kon beantwoorden. Daarbij ging het in grote meerderheid om acute somatische klachten (betreffende maag, darm en ademhaling) en, op diagnostisch niveau, om infecties (betreffende maag, darm, oor en ademhaling).

De verschillen die wij vonden tussen de contactkenmerken bij de SEH en bij de huisarts zouden veroorzaakt kunnen zijn door verschillen in perceptie van de gepresenteerde klacht door de respectievelijke artsen of door eventueel verschillende manieren waarop patiënten een klacht presenteren aan een SEH-arts of aan een huisarts. Wij trachtten dit probleem te ondervangen door in beide settings de ICPC te gebruiken en in beide gevallen de genoteerde klachten en diagnosen te laten classificeren door één persoon.

In deze studie ging het vooral om het beschrijven van andere ‘redenen voor komst’ dan traumata of klachten van het bewegingsapparaat. Wanneer voor onderzoek de ICPC wordt gebruikt, grijpt men, als er behoefte bestaat aan geclusterde categorieën, met name terug op de hoofdstukken van dit classificatiesysteem, die grotendeels aan een orgaan gebonden zijn (‘luchtwegen’, ‘huid’, ‘hart en vaten’). Wij maakten gebruik van een alternatieve clustering. Bovendien gebruikten wij ook voor de afdeling SEH de ICPC. Door deze keuzen werd duidelijk dat er slechts een beperkte overlap bestond in de gepresenteerde morbiditeit: de afdelingen SEH en de huisartsen bleken voor de patiënt grotendeels complementair te zijn. Patiënten van de 22 praktijken die zichzelf naar een SEH verwezen en niet de dienstdoende huisarts raadpleegden, deden dat vooral met een trauma en met overige aandoeningen van het bewegingsapparaat. Op het niveau van de cluster ‘acute somatische redenen voor komst’ zou er potentieel een overlap tussen beide settings kunnen zijn. Als wij de categorieën binnen deze cluster in ogenschouw nemen, kan dit alleen gelden voor de categorie ‘maag, darm’ en in mindere mate voor ‘neurologische klacht’ en ‘ademhaling’ (zie tabel 3). Voor de categorie ‘hart en vaten’ moet worden opgemerkt dat het hier bij de SEH om een onderschatting ging, omdat de Eerste Harthulp van het AMC niet in de studie werd meegenomen en patiënten daarnaar óf door huisarts/specialist óf door een ambulance worden gebracht. Onze resultaten sluiten aan bij die van anderen, die concludeerden dat de meeste patiënten redelijk goed in staat waren om zelf te beslissen naar welke medische dienstverlening zij gaan.9

Gezien de vastgestelde complementariteit is het de vraag waarop de mening is gebaseerd dat er op de SEH's zoveel huisartsgeneeskundige klachten worden gezien. Naar onze mening gaat het daarbij vooral om het segment klachten dat gekarakteriseerd kan worden als ‘geen (acute) medische hulp noodzakelijk’, dus ook niet van de huisarts, die immers ook dergelijke klachten krijgt aangeboden. Een belangrijk verschil is dat de huisarts daarbij echter de mogelijkheid heeft om dit soort klachten telefonisch af te handelen, terwijl de SEH-arts direct met de zelfverwijzer wordt geconfronteerd en hem of haar zal moeten onderzoeken. Toch werd door SEH-artsen in dit onderzoek ruim driekwart van de contacten (79) als ‘terecht’ of ‘invoelbaar’ gewaardeerd.

Uit ons onderzoek bleek geen duidelijke aanzuigende werking van de oprichting van de Centrale Huisartsenpost 's nachts in Amsterdam-Zuidoost; een beeld dat op diverse andere plaatsen in het land wordt bevestigd.6

Dit onderzoek was niet mogelijk geweest zonder de medewerking van de deelnemende huisartsen en spoedeisende-hulpartsen en zonder het initiatief van mw.C.J.Weegink, arts-onderzoeker. De studie werd voor een deel gesubsidieerd door het Achterstandsondersteuningsfonds Amsterdam.

Literatuur
  1. IJzermans CJJM, Mentink S. Zorg voor acute klachten in dediensturen: een oriëntatie. Bijblijven 1999;15:14-9.

  2. Murphy AW. ‘Inappropriate’ attenders ataccident and emergency departments. I. Definition, incidence and reasons forattendance. Fam Pract 1998;15:23-32.

  3. Jaarsma-van Leeuwen I, Hammacher ER, Hirsch R, Janssens M.Patiënten zonder verwijzing op de afdeling Spoedeisende Hulp:patiëntkarakteristieken en motieven.Ned Tijdschr Geneeskd 2000;144:428-31.

  4. IJzermans CJJM. Patiënten zonder verwijzing op deafdeling Spoedeisende Hulp: patiëntkarakteristieken en motieveningezonden. Ned Tijdschr Geneeskd2000;144:1139.

  5. Duijn NP van, Weert HCPM van, Scholte D, Bindels PJE. Outof hours: primary care clinic or hospital emergency department? Eur J GenPract 1998;4:68-73.

  6. Ebbens EH, Bruijne MC de. Geneeskundige zorg buitenkantooruren in Almere. Huisarts Wet 2000;43:511-3.

  7. Lamberts H, Wood M. International classification ofprimary care (ICPC). Oxford: Oxford University Press; 1987.

  8. Groenewegen PP, Bakker DH de, Velden J van der. Eennationale studie naar ziekte en verrichtingen in de huisartspraktijk.Utrecht: NIVEL; 1992.

  9. Avery AJ, Groom L, Boot D, Earwicker S, Carlisle R. Whatproblems do patients present with outside normal general practice surgeryhours? A prospective study of the use of general practice and accident andemergency services. J Public Health Med 1999;21:88-94.

Auteursinformatie

Academisch Medisch Centrum/Universiteit van Amsterdam, Meibergdreef 9, 1105 AZ Amsterdam.

Divisie Public Health, afd. Huisartsgeneeskunde: dr.C.J.IJzermans, medisch socioloog; mw.S.Mentink, arts; prof.dr.P.J.E.Bindels, huisarts.

Afd. Spoedeisende Hulp: J.J.M.van Grieken, arts.

Gezondheidscentrum Gein, Amsterdam.

L.M.M.Klaphake, huisarts.

Contact dr.C.J.IJzermans (c.j.yzermans@amc.uva.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties

J.W.
Noordzij

Weesp, juli 2002,

De studie van IJzermans et al. (2002:1413-7) illustreert fraai de indruk die iedereen heeft die professioneel met een afdeling Eerste Hulp van een ziekenhuis te maken heeft: er komen veel mensen op de EHBO met klachten die niet spoedeisend zijn. Het is dan ook jammer dat de schrijvers het artikel afsluiten met de conclusie dat 79% van de klachten door spoedeisende-hulp(SEH)-artsen als ‘terecht’ of ‘invoelbaar’ wordt gewaardeerd. Nog daargelaten dat ‘invoelbaarheid’ een weinig wetenschappelijke term is, zou de conclusie eigenlijk moeten luiden dat 50% van de spoedeisende contacten met het ziekenhuis en zelfs 60% van die met de huisarts onterecht zijn. Voorwaar alarmerende cijfers, die, gezien de kosten die met een dergelijke 24-uursservice aan patiënten gemoeid zijn, in de huidige tijd van nog altijd toegepaste bezuinigingen en personeelstekorten onacceptabel zijn.

Wellicht dat de naam ‘Spoedeisende Hulp’, die sinds enige jaren onder invloed van het veranderde management gemeengoed is, weer moet worden gewijzigd in ‘EHBO’. Kennelijk geven patiënten een andere invulling aan het begrip ‘spoedeisende hulp’ dan geneeskundigen, hoe goed de term officieel de lading ook dekt (terwijl in de wandelgangen nog altijd de term ‘EHBO’ wordt gebruikt). Daarnaast kunnen uiteraard financiële sancties bij onterechte zelfverwijzing helpen het aantal bezoekers op een EHBO te beperken, zodat meer personeel vrijkomt voor de ‘echte zieken’ in het ziekenhuis.

J.W. Noordzij
C.J.
IJzermans

Amsterdam, september 2002,

Artsen op SEH-afdelingen van ziekenhuizen én hun collega's in centrale huisartsenposten of in individuele huisartspraktijken worden geconfronteerd met klachten die niet spoedeisend zijn. Vooral buiten de kantooruren roept dit in beide settings irritatie op. In ons recente artikel concluderen wij vooral dat er complementariteit is tussen beide settings voor de aard van de klachten die worden gepresenteerd. Vervolgens stellen wij dat mensen die geen (acute) medische zorg nodig hebben, zowel een beroep doen op de huisarts als op de SEH. De formulering van deze laatste zin is met zorg gekozen, omdat zowel in wetenschappelijke publicaties als in krantenartikelen bij voortduring door artsen die op een SEH werken wordt gemeld dat er veel klachten worden gepresenteerd die eigenlijk voor de huisarts bestemd zouden zijn. Dat suggereert dat een huisarts alleen ‘terechte’, spoedeisende klachten krijgt en dat is niet waar.

Collega Noordzij vindt het jammer dat wij ons artikel afsluiten met de conclusie dat ruim driekwart van de klachten door SEH-artsen als ‘terecht’ (lees ‘spoedeisend’) of ‘invoelbaar’ wordt gewaardeerd. Hij stelt voor om de volgens hem toch al niet wetenschappelijke categorie ‘invoelbaar’ op te tellen bij de categorie ‘onterecht’ en komt zo rekenend op 50% ‘onterecht’.

Wij kunnen hier niet in meegaan. Nemen wij het voorbeeld van een moeder die de huisarts belt over haar (oudste) kind dat hoest en wat koorts heeft, vlak na een tv-uitzending over kinkhoest, of een jongen die de SEH bezoekt met een snijwond met een voor hem onbekende diepte en omvang, of een hyperventilerend meisje van 21 jaar met pijn op de borst dat contact opneemt met de huisarts in de week dat haar oma aan een hartinfarct is overleden: drie voorbeelden van contacten die, na objectivering door een arts, wellicht als ‘onterecht’ kunnen worden gewaardeerd. De meerderheid van de aan ons onderzoek deelnemende artsen codeerde dit soort gevallen als ‘onterecht, maar invoelbaar’. Door uitsluitend een dichotomie medisch ‘terecht-niet terecht’ te gebruiken wordt de gezondheidszorg wellicht goedkoper of efficiënter, maar ook veel killer. Noch SEH-artsen, noch huisartsen mogen van patiënten verwachten dat zij in alle gevallen de ernst van een klacht juist inschatten; dat is nu juist de taak van een arts. Het door Noordzij gebruikte woord ‘onacceptabel’ vinden wij in dit verband dan ook zwaar aangezet. Wij zien het vooral als een uiting van de frustraties die de diensten de laatste jaren oproepen.

Er is ons tenslotte uit de literatuur geen (evaluatie)onderzoek bekend dat positieve resultaten presenteerde over welke maatregel ook om het aantal zelfverwijzers naar de SEH te beheersen, zoals voorlichting of financiële prikkels. Wij vrezen dat alleen het veranderen van de naam ‘Spoedeisende Hulp’ in ‘EHBO’ hier weinig aan zal bijdragen.

C.J. IJzermans
S. Mentink
P.J.E. Bindels
C.J.T.
van Uden

Maastricht, november 2002,

In hun reactie op Noordzij (2002:1961) stellen IJzermans et al. (2002:1961) dat er volgens hen nog geen onderzoek bekend is dat positieve resultaten laat zien van welke maatregel ook om het aantal zelfverwijzers naar de Spoedeisende Hulp (SEH) te beheersen. Naar aanleiding hiervan willen wij het volgende melden.

In Maastricht hebben wij recentelijk een onderzoek afgerond naar de medische zorgverlening buiten kantooruren, waarbij met name is gekeken naar de invloed van de reorganisatie van de avond-, nacht- en weekenddiensten van huisartsen op het aantal patiënten dat gebruikmaakt van zorg op de SEH. De resultaten van dit onderzoek lieten zien dat na een dergelijke reorganisatie het aantal patiënten dat een beroep doet op medische hulpverlening op de SEH buiten kantooruren met 40% is gedaald. Net als in de rest van Nederland zijn de diensten van Maastrichtse huisartsen gecentraliseerd in een zogenaamde Centrale Huisartsenpost. Het bijzondere van die post in Maastricht is echter dat deze gelokaliseerd is binnen de SEH van het Academisch Ziekenhuis Maastricht en dat patiënten zonder verwijzing altijd eerst door de huisarts of doktersassistent worden gezien. Het fenomeen ‘zelfverwijzer naar de SEH’ behoort daarmee tot het verleden. De huisarts behandelt de huisartsgeneeskundige klachten en verwijst alleen die patiënten die specialistische hulp behoeven. De huisarts heeft door deze organisatievorm een hoge mate van controle over patiëntenstromen buiten kantooruren, waardoor de functie als poortwachter voor de tweede lijn optimaal lijkt hersteld.

C.J.T. van Uden
R.A.G. Winkens
G. Wesseling
C.P. van Schayck
H.F.J.M. Crebolder