Traumatisch hersenletsel is geen incident

Chronische problemen door traumatisch hersenletsel

Klinische praktijk
Erik Grauwmeijer
Joukje van der Naalt
Majanka H. Heijenbrok-Kal
Gerard M. Ribbers
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2016;160:A8949
Abstract
Download PDF
Leerdoelen
  • Traumatisch hersenletsel is geen incident, maar moet als een chronische aandoening worden gezien.
  • De gezondheidszorg in Nederland is er niet op toegerust om traumatisch hersenletsel in een chronische-ziektemodel te plaatsen.
  • De zichtbaarheid, samenwerking en samenhang van organisaties die ondersteuning bieden aan patiënten met traumatisch hersenletsel in de chronische fase, moet verbeteren.
  • Het is van belang om nauwkeurig naar de gevolgen van traumatisch hersenletsel te kijken en indien gewenst opnieuw te verwijzen naar een neuroloog of revalidatiearts.

Dames en Heren,

Traumatisch hersenletsel is een belangrijke oorzaak van blijvende invaliditeit. Desondanks wordt traumatisch hersenletsel veelal beschouwd als een acuut incident, waarvoor de patiënt maar gedurende beperkte tijd specialistische begeleiding krijgt. Patiënten met traumatisch hersenletsel tonen wat dit betreft overeenkomsten met patiënten die een CVA hebben doorgemaakt. Beide groepen patiënten kunnen langdurig kampen met zogenoemde onzichtbare gevolgen, zoals intolerantie voor licht, geluid en drukte, geheugen- of aandachtsstoornissen en stemmingsproblematiek. Tevens geldt voor beide groepen patiënten dat deze problemen tot jaren na de gebeurtenis kunnen interfereren met dagelijkse bezigheden. Een patiënt die een CVA heeft doorgemaakt is echter vaak beter in beeld bij de huisarts dan de patiënt met traumatisch hersenletsel, bijvoorbeeld in verband met de aanpak van de cardiovasculaire risicofactoren. Bij patiënten met traumatisch hersenletsel is veelal minder sprake van comorbiditeit en is het risico op het niet of pas laat onderkennen van problemen groter. Aan de hand van 2 casussen wordt ingegaan op deze langetermijngevolgen en op de organisatie van de zorg voor deze doelgroep.

Patiënt A, een 45-jarige vrouw, wordt door de huisarts verwezen naar de neuroloog in verband met klachten van hoofdpijn en concentratiestoornissen. Zij was 6 maanden eerder als fietser aangereden door een auto. Hierbij had ze een schedelbasisfractuur opgelopen, waarbij de CT-scan geen intraparenchymateuze afwijkingen had laten zien. Bij opname was zij gedesoriënteerd met een Glasgow-comascore (GCS) van 14 (E4-M6-V4). De fase van posttraumatische amnesie duurde 12 uur. Patiënte had geen andere letsel opgelopen. De volgende dag werd patiënte ontslagen met het advies ‘het rustig aan te doen’.

Thuis had patiënte klachten van hoofdpijn en duizeligheid die na enkele weken afnamen. Ze pakte haar werk als leerkracht na 6 weken geleidelijk op, in overleg met de bedrijfsarts. Patiënte kreeg hierop aan het einde van de dag last van hoofdpijn en geheugen- en concentratiestoornissen, met name als zij veel lesuren had gegeven of les had gegeven aan grote klassen. Na 3 maanden had ze desondanks haar werk volledig hervat. Enige tijd later was zij genoodzaakt om haar werkzaamheden te verminderen omdat de klachten toenamen. Vanwege deze terugval werd ze doorverwezen naar de neuroloog.

Op de polikliniek Neurologie vertelt patiënte dat de cognitieve klachten vooral optreden aan het einde van de dag. Zij heeft dan geen energie meer waardoor ze vroeg naar bed gaat. Vanwege haar beperkte energie heeft zij haar sporten en andere hobby’s nog niet weten te hervatten. Bij neurologisch onderzoek vinden wij geen afwijkingen. Om haar klachten in kaart te brengen, laten wij een neuropsychologisch onderzoek en MRI verrichten. Het neuropsychologisch onderzoek toont een gemiddelde intelligentie met een verminderde verdeelde aandacht, met name onder tijdsdruk. De geheugentesten vallen binnen de norm voor de leeftijd. Er zijn aanwijzingen voor een licht verhoogde angst en een depressie, naast een passieve copingstijl. De MRI-scan laat op de T2-en FLAIR-sequenties geen duidelijke afwijkingen zien; ‘susceptibility weighted imaging’(SWI)-sequenties tonen enkele verspreide puntbloedingen, het meest uitgesproken in het frontale en temporale gebied links (figuur 1).

Wij stellen op grond van het aanvullend onderzoek dat de klachten van patiënte kunnen samenhangen met het doorgemaakte ongeval. We verwijzen haar hierop naar de psycholoog voor cognitieve gedragstherapie. Daarnaast geven wij haar adviezen over geleidelijke werkhervatting. 12 maanden na het ongeval heeft patiënte haar werkzaamheden voor 80% hervat. Ze heeft nog klachten van vermoeidheid bij drukte of lange werkdagen.

Patiënt B,een 36-jarige man, zien wij op de polikliniek Revalidatiegeneeskunde, nadat hij 5 jaar eerder een trauma had doorgemaakt. Hij was toen als voetganger aangereden door een auto, met als gevolg een ernstig traumatisch hersenletsel met forse contusiehaarden in de frontotemporale gebieden beiderzijds met subduraal bloed. Er is geen informatie beschikbaar over de duur van de posttraumatische amnesie of coma. 6 dagen na het ongeval was er sprake van klinische achteruitgang. De vitale functies van patiënt raakten bedreigd door te hoge intracerebrale druk veroorzaakt door hersenoedeem, waarop een bifrontale craniotomie werd verricht. Nadat hij enigszins was hersteld en ontslagen kon worden uit het ziekenhuis, was hij maatschappelijk ontspoord en arbeidsongeschikt geraakt.

Patiënt was 6 weken na het ongeval overgeplaatst naar een psychiatrisch ziekenhuis vanwege frontale ontremming en wegloopneiging. De psychiater concludeerde 4 weken later dat er sprake was van ‘voorbijgaande cognitieve stoornissen met een op het oog volledig herstel’, waarna de patiënt naar huis werd ontslagen zonder nabehandeling. Eenmaal thuis bleek hij afhankelijk van externe structuur voor zijn zelfverzorging en financiële administratie. Hij verloor zijn werk, bouwde schulden op, ontwikkelde problematisch alcoholgebruik en toonde depressieve kenmerken met suïcidale uitingen. Zijn familie saneerde zijn schulden, initieerde begeleiding voor de alcoholproblematiek en nam hem in huis. Uiteindelijk ging patiënt 4 jaar na het ongeluk in een beschermende woonvorm wonen. Patiënt werd naar ons verwezen met de vraag of zijn klachten verklaard kunnen worden uit het eerdere traumatische hersenletsel.

We zien een adipeuze man, met een lichte taalbarrière. Hij had een opleiding op hbo-niveau afgerond, en was tot het ongeval ‘een harde werker in de elektrotechniek, sportief en helemaal anders dan nu’. Er is sprake van initiatiefarmoede, ontremming ten aanzien van eten, onvermogen om structuur in de dag aan te brengen en verwaarlozing van zijn zelfverzorging. De alcoholproblematiek is onder controle met disulfiram en begeleiding. Hij krijgt gevraagde en ongevraagde begeleiding in de woonvorm. Zonder deze begeleiding brengt hij zijn dagen in bed door.

Bij lichamelijk onderzoek vallen geen bijzonderheden op, behalve een divergente oogstand van het linker oog met beperkte elevatie en adductie, en een litteken ten gevolge van de bifrontale craniotomie. Een MRI-scan toont ernstige atrofie van de frontale kwabben, het meest uitgesproken frontobasaal en temporaal (figuur 2). Bij het oriënterend cognitief onderzoek zien we fors gestoorde aandachtfuncties – snel toenemend bij vermoeidheid –, geheugenstoornissen en forse stoornissen bij eenvoudige visueel-constructieve taken zoals het tekenen van een huis of klok. Tijdens een praktijkopdracht onder begeleiding – waarbij patiënt met de tram naar het treinstation moet om daar een tijdschrift kopen, om hierna weer naar het revalidatiecentrum terug te gaan –, raakt hij gedesoriënteerd, vergeet hij de taak en heeft hij geen oplossingsstrategieën. Hij raakt in paniek en de taak moet worden afgebroken. We concluderen dat er sprake is van executieve stoornissen die het gevolg zijn van het hersenletsel. Deze stoornissen houden bij patiënt in dat er problemen zijn met het controleren en reguleren van gedrag.

Beschouwing

In Nederland worden er elk jaar ongeveer 21.000 patiënten met traumatisch hersenletsel in een ziekenhuis opgenomen. Het werkelijk aantal mensen dat traumatisch hersenletsel oploopt, ligt naar schatting rond de 85.000 per jaar. Het merendeel van deze mensen wordt niet geregistreerd omdat zij alleen de Spoedeisende Hulp of huisarts bezoeken. Een deel van de mensen zoekt zelfs geen hulp.1 Het wordt geschat dat in Nederland ongeveer 200.000 mensen jonger dan 65 jaar functioneren in hun thuisomgeving na het oplopen van traumatisch hersenletsel in de leeftijd van 12 tot 45 jaar. Exacte cijfers zijn onbekend, maar geschat wordt dat van deze groep ongeveer 80.000 tot 100.000 mensen onbeantwoorde hulpvragen heeft.2

Indeling hersenletsel

Traumatisch hersenletsel wordt ingedeeld op basis van de GCS in licht (GCS 13-15), middelzwaar (GCS 9-12) en ernstig (GCS 3-8). Andere maten voor de bepaling van de ernst van hersenletsel zijn de duur van de posttraumatische amnesie en het bewustzijnsverlies. Afhankelijk van de ernst van het traumatische hersenletsel komen blijvende fysieke en cognitieve stoornissen frequenter voor. De klinische manifestatie is heterogeen en hangt samen met de leeftijd, neurologische schade – die zowel focale als diffuse kenmerken heeft –, bijkomend letsel, medische voorgeschiedenis en psychosociale gegevens zoals opleiding, stemmingsstoornissen en verslavingsproblematiek.

Het ICF-model (ICF staat voor ‘International classification of functioning, disability and health) van de WHO kan worden gebruikt om de gevolgen inzichtelijk te maken (bron: www.rivm.nl/who-fic/in/BrochureICF.pdf). In het ICF-model wordt onderkend dat het menselijk functioneren op 3 verschillende niveaus kan worden beschreven:

  • Welke lichaamsfuncties zijn uitgevallen? Is er bijvoorbeeld sprake van spasticiteit, contracturen, afasie, dysartrie, geheugen- of aandachtstoornissen, incontinentie, decubitus, diabetes mellitus of verslavingsproblematiek?
  • Wat zijn de gevolgen daarvan voor het activiteitenpatroon? Hoe gaan de dagelijkse activiteiten zoals lopen, aankleden, toiletbezoek, huishoudelijke activiteiten, het structureren van de dag en het overbrengen en begrijpen van informatie?
  • Wat betekent dit voor de sociaal-maatschappelijke participatie? Is terugkeer in de oude gezinsrol, in recreatieve activiteiten of werk haalbaar? Er bestaat overigens geen lineair verband tussen bijvoorbeeld de ernst van de uitgevallen lichaamsfuncties en gevolgen daarvan voor sociaal-maatschappelijke participatie. Externe en persoonlijke factoren beïnvloeden dit verband, zoals de belastbaarheid van de partner die mantelzorgtaken heeft gekregen, de copingstijl van de patiënt en de ideeën die bij de werkgever leven.

Licht traumatisch hersenletsel

Patiënten met licht traumatisch hersenletsel hebben veelal geen fysieke beperkingen en bij neuropsychologisch onderzoek worden over het algemeen geen cognitieve stoornissen waargenomen. Een initiële CT-scan toont vaak geen afwijkingen. Bij persisterende klachten kan een MRI-scan alsnog afwijkingen tonen. Het grootste deel van patiënten met licht traumatisch hersenletsel herstelt spontaan, waarbij echter gedurende meerdere maanden na het ongeval cognitieve klachten aanwezig kunnen zijn. Toch kunnen in deze groep klachten persisteren, vooral op cognitief gebied. Geschat wordt dat 10-15% van deze patiënten gebruikmaakt van gespecialiseerde zorg.3 Patiënten met licht traumatisch hersenletsel ervaren vaak vermoeidheid en zijn daarbij beperkt belastbaar, waardoor problemen ontstaan tijdens werk of recreatie of bij de invulling van de partner- of gezinsrol. Ongeveer 75% van de patiënten heeft 6 maanden na het ongeval het werk op het oude niveau hervat.4 Bij patiënten met licht traumatisch hersenletsel is het van belang om het evenwicht tussen belasting en belastbaarheid te optimaliseren, wat kan worden bereikt met ‘graded activity’. Dit is een gestructureerde ergotherapeutische en fysiotherapeutische behandeling, gericht op stapsgewijze toename van het niveau van functioneren.

Middelzwaar en ernstig traumatisch hersenletsel

Patiënten met middelzwaar of ernstig traumatisch hersenletsel hebben veelal afwijkingen bij beeldvormend onderzoek en neurologische uitval. Epilepsie en heterotope ossificaties, vooral bij langdurige IC-opname, zijn bekende problemen, net als gedragsregulatiestoornissen en cognitieve stoornissen. Het heterogene beeld hangt samen met de ernst van focale en diffuse neurologische schade. Een deel van deze patiënten komt te overlijden en een ander deel is niet meer in staat terug te keren naar huis en blijft afhankelijk van zorg. Een jaar na het ongeval heeft ongeveer 50% van deze patiënten een betaalde baan. De belangrijkste voorspellers voor werkloosheid na traumatisch hersenletsel zijn beperkingen in het cognitief functioneren, en psychiatrische symptomen zoals angst en depressie.5 Van alle patiënten met middelzwaar tot ernstig traumatisch hersenletsel die uit het ziekenhuis worden ontslagen, kan 94% weer thuis wonen, waarbij 1 op de 4 patiënten ernstig beperkt is in zijn of haar functioneren.6

Prognostische modellen

Er is een verband tussen de ernst van het initiële letsel en die van de gevolgen. Bij ongunstige externe en persoonlijke factoren kunnen echter ook geringe fysieke of cognitieve stoornissen leiden tot forse gevolgen voor het participeren in de maatschappij, zoals binnen het gezin, of bij studie of werkzaamheden. Betrouwbare prognostische modellen gericht op de lange termijn zijn er niet. De CRASH- en IMPACT-modellen voorspellen overlijden na 14 dagen en overlijden of ernstige beperkingen na 6 maanden op basis van leeftijd, GCS, afwezige pupilreacties en extracranieel letsel.7,8 Deze modellen zijn vooral gericht op het ondersteunen van de behandeling in de acute fase en gerelateerd aan het voorspellen van overlijden. Ook beeldvormend onderzoek in de vroege fase voorspelt slechts in beperkte mate het uiteindelijke functioneren van de patiënt. Bij diffuse axonale schade zijn de afwijkingen subtiel maar kan de uitkomst slecht zijn, terwijl bij grote contusiehaarden het herstel goed kan zijn. De locatie van het letsel en de uitkomsten van neuropsychologisch onderzoek in de subacute fase zijn van invloed op het uiteindelijke beeld, maar dragen evenmin bij aan een betrouwbaar prognostisch model. Zo is er een relatie tussen frontale afwijkingen op CT-scans en gedragsveranderingen.9 Daarnaast zijn executieve stoornissen geassocieerd met verminderde re-integratie in het werk.10 Er is weinig bekend over welke patiënten een verhoogd risico hebben op late complicaties als dementie of parkinsonisme, of wie een verhoogd risico heeft op sociaal maatschappelijke ontsporing. Omdat betrouwbare prognostische modellen voor het functioneren op lange termijn ontbreken, is het van essentieel belang dat er op individueel niveau naar patiënten wordt gekeken.

Organisatie van de zorg

Traumatisch hersenletsel is geen incident maar een chronische aandoening. Patiënten kunnen de rest van hun leven met de gevolgen kampen en zelfs jaren na het ongeval kunnen er nieuwe klachten ontstaan. Het is een grote uitdaging om patiënten toegang tot de juiste hulp op het juiste moment te garanderen. In de zorgstandaard ‘Traumatisch Hersenletsel’, uitgebracht onder auspiciën van de Hersenstichting, is getracht de ketenzorg voor traumatisch hersenletsel zo goed mogelijk te omschrijven. Huisartsen spelen hierbij een centrale rol, in het herkennen van klachten die passen bij traumatisch hersenletsel. Zij kunnen een patiënt met traumatisch hersenletsel in de voorgeschiedenis verwijzen naar een revalidatiearts voor advies, behandeling of doorverwijzing. Ook de rol van de patiëntenvereniging mag niet onvermeld blijven. Verschillende patiëntenverenigingen zijn gefuseerd tot Hersenletsel.nl, waardoor voorlichting, belangenbehartiging en advisering verder geprofessionaliseerd kunnen worden.

Wat had er anders gekund?

Bij beide patiënten had vroegtijdige afstemming tussen de behandelende specialisten en de huisarts, met aandacht voor het perspectief op de lange termijn, het vastlopen van de patiënt kunnen voorkomen. Patiënte A was vastgelopen in haar werkhervatting voordat ze werd doorverwezen. Door vroege begeleiding, bijvoorbeeld in een multidisciplinair revalidatieteam, was dit wellicht te voorkomen geweest. De ziektegeschiedenis van patiënt B illustreert de gevolgen van een doorverwijzing naar een niet-gespecialiseerde kliniek, waar de ernstige cognitieve stoornissen niet werden herkend en patiënt zonder enige nazorg naar huis werd ontslagen.

Dames en Heren, de gevolgen van traumatisch hersenletsel worden regelmatig niet herkend en onderschat. Traumatisch hersenletsel moet gezien worden als een chronische aandoening en niet als een incident. Ons zorgstelsel is daar niet goed op ingericht, waardoor veel mensen met niet-herkende problemen thuis disfunctioneren. Vooral cognitieve stoornissen en veranderingen in gedrag worden niet herkend en kunnen grote gevolgen hebben op het niveau van deelname van de patiënt aan de maatschappij, in werk, gezin of anderszins. De huisarts heeft een belangrijke signalerende rol en kan doorverwijzen naar bijvoorbeeld de revalidatiearts of neuroloog voor diagnostiek, uitleg en advies over een behandeltraject. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om de patiënt te wijzen op de informatievoorziening via de patiëntenvereniging Hersenletsel.nl.

Literatuur
  1. Hersenstichting. Informatie over traumatisch hersenletsel. www.hersenstichting.nl/alles-over-hersenen/hersenaandoeningen/traumatisch-hersenletsel, geraadpleegd op 7 december 2015.

  2. Ribbers GM. Traumatic brain injury rehabilitation in the Netherlands: dilemmas and challenges. J Head Trauma Rehabil. 2007;22:234-8. doi: 10.1097/01.HTR.0000281839.07968.32Medline

  3. Anderson-Barnes VC, Weeks SR, Tsao JW. Mild traumatic brain injury update. Continuum. 2010;16:17-26. doi:10.1212/01.CON.0000391450.48225.73 Medline

  4. Benedictus MR, Spikman JM, van der Naalt J. Cognitive and behavioral impairment in traumatic brain injury related to outcome and return to work. Arch Phys Med Rehabil. 2010;91:1436-41. doi:10.1016/j.apmr.2010.06.019 Medline

  5. Grauwmeijer E, Heijenbrok-Kal MH, Haitsma IK, Ribbers GM. A prospective study on employment outcome 3 years after moderate to severe traumatic brain injury. Arch Phys Med Rehabil. 2012;93:993-9. doi:10.1016/j.apmr.2012.01.018 Medline

  6. de Koning ME, Spikman JM, Coers A, Schönherr MC, van der Naalt J. Pathways of care the first year after moderate and severe traumatic brain injury-discharge destinations and outpatient follow-up. Brain Inj. 2015;29:423-9. doi:10.3109/02699052.2014.982188 Medline

  7. Maas AI, Marmarou A, Murray GD, Teasdale SG, Steyerberg EW. Prognosis and clinical trial design in traumatic brain injury: the IMPACT study. J Neurotrauma. 2007;24:232-8. doi:10.1089/neu.2006.0024 Medline

  8. Perel P, Arango M, Clayton T, et al. Predicting outcome after traumatic brain injury: practical prognostic models based on large cohort of international patients. BMJ. 2008;336:425-9. doi:10.1136/bmj.39461.643438.25 Medline

  9. Lehtonen S, Stringer AY, Millis S, et al. Neuropsychological outcome and community re-integration following traumatic brain injury: the impact of frontal and non-frontal lesions. Brain Inj. 2005;19:239-56. doi:10.1080/0269905040004310 Medline

  10. Wallesch CW, Curio N, Kutz S, Jost S, Bartels C, Synowitz H. Outcome after mild-to-moderate blunt head injury: effects of focal lesions and diffuse axonal injury. Brain Inj. 2001;15:401-12. doi:10.1080/02699050010005959 Medline

Auteursinformatie

Rijndam Revalidatiecentrum, afd. Neurorevalidatie, Rotterdam (tevens: Erasmus MC, afd. Revalidatiegeneeskunde, Rotterdam).

Drs. E. Grauwmeijer en prof.dr. G.M. Ribbers, revalidatieartsen; dr. M.H. Heijenbrok-Kal, klinisch epidemioloog.

UMC Groningen, afd. Neurologie, Groningen.

Dr. Joukje van der Naalt, neuroloog.

Contact drs. E. Grauwmeijer (egrauwmeijer@rijndam.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.

Gerelateerde artikelen

Reacties