Bij iedere huisarts evenveel pillen?

Inter-praktijkvariatie in polyfarmacie*
Onderzoek
Judith Sinnige
Jozé C. Braspenning
François G. Schellevis
Karin Hek
Irina Stirbu
Gert P. Westert
Joke C. Korevaar
Citeer dit artikel als: Ned Tijdschr Geneeskd. 2017;161:D864
Abstract

Samenvatting

Doel

Onderzoeken wat de variatie is in het percentage oudere patiënten met polyfarmacie tussen huisartsenpraktijken, in de groep mensen die minstens één geneesmiddel gebruikt, en in hoeverre patiënt- en praktijkkenmerken met deze variatie samenhangen.

Opzet

Cohortonderzoek.

Methode

We gebruikten gegevens van huisartsenpraktijken – gekoppeld met gegevens van apotheken – die deelnamen aan NIVEL Zorgregistraties eerste lijn en de Stichting Farmaceutische Kengetallen. We includeerden patiënten van 55 jaar en ouder die ten minste 1 geneesmiddel gebruikten in 2012. Van de 45.731 geïncludeerde patiënten uit 126 huisartsenpraktijken bepaalden we het percentage patiënten met polyfarmacie. Vervolgens onderzochten we met multilevel logistische regressieanalyses wat de inter-praktijkvariatie was. Verschillende patiënt- en praktijkkenmerken werden toegevoegd aan de modellen, als mogelijke verklarende variabelen voor de variatie.

Resultaten

De spreiding in het percentage oudere patiënten met polyfarmacie tussen praktijken liep van 12,4 tot 30,1%, nadat gecorrigeerd was voor verschillen in patiënt- en praktijkkenmerken. Gemiddeld had 19,8% van de patiënten polyfarmacie. Hoe ouder patiënten waren, des te groter de kans op polyfarmacie. Ook het aantal en het type chronische aandoeningen hing sterk positief samen met het hebben van polyfarmacie. In mindere mate gold dit voor sociaal-economische status. Praktijkkenmerken waren nauwelijks van invloed op de verschillen tussen praktijken.

Conclusie

Er is aanzienlijke inter-praktijkvariatie in het percentage oudere patiënten met polyfarmacie. Omdat dit niet komt door verschillen in de patiëntpopulatie of door praktijkkenmerken, lijken zorgverleners een grote rol te spelen bij de verschillen in het voorschrijven. Vervolgonderzoek naar de verklaring en mogelijke ongewenste effecten van deze verschillen is belangrijk.

Auteursinformatie

*Dit onderzoek werd eerder gepubliceerd in Pharmacoepidemiology and Drug Safety (2016;25:1033-41) met als titel ‘Inter-practice variation in polypharmacy prevalence amongst older patients in primary care’. Afgedrukt met toestemming.

Contact Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg

Belangenverstrengeling

Aanvaard op 10 augustus 2016

Verantwoording

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.

Auteur Belangenverstrengeling
Judith Sinnige ICMJE-formulier
Jozé C. Braspenning ICMJE-formulier
François G. Schellevis ICMJE-formulier
Karin Hek ICMJE-formulier
Irina Stirbu ICMJE-formulier
Gert P. Westert ICMJE-formulier
Joke C. Korevaar Niet beschikbaar

Reacties

Wessel
Versteeg

3 februari 2017 - 18:48

Jullie hoofdconclusie dat er een aanzienlijke interpraktijkvariatie is wordt niet goed onderbouwd. Weliswaar geven jullie de uiterste percentages aan van deze variatie, namelijk 12,4 en 30,1 % polyfarmacie, maar niet duidelijk is hoeveel van de 126 huisartspraktijken zich rond het gemiddelde van 19,8% bevonden en hoeveel dichtbij de uiterste percentages. Als er 1 praktijk is met 12,4 en 1 met 30,1 en alle anderepraktijken hebben 19,8% dan valt het wel mee met die variatie.

Onze publicatie in het NTvG is een ingekorte versie van ons artikel in Pharmacoepidemiol Drug Saf. Juist om deze variatie en de omvang daarvan inzichtelijk te maken staat in de uitgebreide versie een figuur die dit exact in beeld brengt, er is dus inderdaar niet slechts 1 praktijk met 12% en 1 met 30%.

referentie: Sinnige J, Braspenning JC, Schellevis FG, Hek K, Stirbu I, Westert GP, Korevaar JC. Inter-practice variation in polypharmacy prevalence amongst older patients in primary care. Pharmacoepidemiol Drug Saf. 2016 Sep;25(9):1033-41.