Beleid bij patiënten met conversiestoornis

Perspectief
Marinus Vermeulen
Jan Hoekstra
Mariëtte J. Kuipers-van Kooten
Els A.M. van der Linden
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2014;158:A6997
Abstract
Download PDF

Samenvatting

De symptomen van conversiestoornis berusten niet op simulatie. Aan de ‘echtheid’ van de symptomen bij conversiestoornis hoeft niet te worden getwijfeld, ook al laten scans geen afwijkingen zien. De begeleiding van patiënten met conversiestoornis begint met uitleg over de diagnose. De kern van deze uitleg is dat de patiënten eerst te horen krijgen wat de diagnose inhoudt, daarna pas wat zij níet hebben. Bij de uitleg over de diagnose is het goed om metaforen te gebruiken. De behandeling van patiënten met conversiestoornis wordt uitgevoerd in samenwerking met een fysiotherapeut. De samenwerking tussen hulpverleners die betrokken zijn bij de behandeling van een patiënt met conversiestoornis wordt bij voorkeur gecoördineerd door de huisarts.

Ongeveer een jaar geleden werd in dit tijdschrift aandacht besteed aan de diagnose ‘conversiestoornis’.1 Daarbij ging het onder meer over de termen die voor conversiestoornis gebruikt worden, zoals functionele neurologische symptomen, en over het verschil met simulatie. In het kort komt het erop neer dat patiënten met conversiestoornis neurologische symptomen hebben zonder een aantoonbare verklaring. In dit artikel bepreken wij de begeleiding van patiënten met conversiestoornis. Die begeleiding begint met uitleg over de diagnose in een aantal stappen.

Stappen in het gesprek

De diagnose meedelen

Bij de uitleg wordt begonnen met te zeggen wat de diagnose is, zoals we ook gewend zijn te doen bij andere patiënten.2 Dit lijkt voor de hand te liggen, maar in de praktijk wordt patiënten met conversiestoornis vooral verteld wat zij níet hebben.

Bij de uitleg van de diagnose moet de behandelaar de juiste kennis hebben over het ontstaan van de symptomen. Deze symptomen ontstaan bij daarvoor gevoelige mensen (predispositie) en zij worden uitgelokt door stressvolle omstandigheden direct voorafgaande aan de symptomen. Voorbeeld van uitlokkende omstandigheden zijn het verlies van een kind, onvoorzien ontslag, een grote operatie of een verkeersongeval.3 De symptomen zijn een reactie in het zenuwstelsel op die gebeurtenis. Wat er dan precies in de hersenen gebeurt weten wij niet. Het is aan te raden patiënten te wijzen op een goede website over conversiestoornis (www.neurosymptoms.org).

De klachten zijn echt

Na de diagnose wordt onmiddellijk gezegd dat er geen twijfel bestaat aan de ‘echtheid’ van de klachten, ook al zijn op de scans geen afwijkingen te zien. De klachten berusten niet op simulatie.

De behandelaar kan nog expliciet vragen naar wat de patiënt denkt over het ontstaan van conversiestoornis. Als de patiënt vraagt of denkt dat het psychisch is, dient de behandelaar eerst na te gaan wat de patiënt met ‘psychisch’ bedoelt en daar op ingaan. Meestal bedoelt de patiënt daarmee aanstellerij (‘het zit tussen de oren’), wat vervolgens ontkend kan worden.

In een Brits onderzoek waarin neurologen werden ondervraagd over conversiestoornis gebruikten zij termen als ‘onechte parese’. Een parese bij multiple sclerose bleek als ‘echt’ te worden beschouwd, die bij conversiestoornis niet. Als op het begrip ‘onecht’ werd doorgegaan, bleken zij de symptomen meer te duiden als simulatie dan als uitingen van functiestoornissen in het zenuwstelsel.4

Voor simulatie als verklaring voor conversiestoornis bestaan weinig aanwijzingen. Bij een parese zou men zich nog kunnen voorstellen dat het om simulatie gaat, maar opmerkelijk genoeg is het klinische beeld van de parese bij conversiestoornis al honderd jaar onveranderd. Bij parese van een been als uiting van conversiestoornis slepen patiënten het been met zich mee met de voet in inversie- of eversiestand. Dergelijke paresen zien wij ook op filmpjes die gemaakt zijn van militairen met conversiestoornis tijdens de Eerste Wereldoorlog. Bij bewegingsstoornissen is het veel moeilijker te denken aan simulatie, want tremoren bijvoorbeeld zijn niet lang vol te houden.

Bij hypesthesie lijkt simulatie onmogelijk. In een speelfilm over Freud zien we hem tijdens de grote visite een naald door de huid steken van een patiënte met linkszijdige hypesthesie; zij reageerde niet op deze pijnprikkel (The secret passion, 1962; regie: John Huston). Hiermee probeerde Freud zijn hoogleraar te overtuigen dat het niet om simulatie ging. Simulatie van neurologische symptomen lijkt zeldzaam te zijn.2

Wat is de diagnose níet?

Na het noemen van de diagnose ‘conversiestoornis’ en het erkennen van de klachten wordt besproken wat de patiënt níet heeft. Daarbij wordt gebruik gemaakt van informatie die de behandelaar eerder tijdens het afnemen van de anamnese heeft verkregen.

Alleen maar opnoemen wat de patiënt níet heeft met het idee hiermee de patiënt gerust te stellen, kan ongerustheid juist in de hand werken en vaak voelen patiënten zich hierdoor niet serieus genomen. Geruststelling dient gericht te zijn en uit te gaan van de denkbeelden die de patiënt heeft over zijn of haar ziekte. Soms kan aanvullend onderzoek nodig zijn, maar vóór dit aanvullend onderzoek wordt verricht hoort met patiënt overlegd te worden wat het beleid zal zijn als het onderzoek niets oplevert.5 Niet zelden ziet de patiënt dan van aanvullend onderzoek af.

Veel voorkomend, bekend probleem

Uitgelegd moet worden dat conversiestoornis veel voorkomt, maar dat het lijkt alsof zij iets uitzonderlijks hebben. De verklaring voor de vermeende zeldzaamheid is dat patiënten die een conversiestoornis hebben gehad er later vaak niet over durven te praten. Door reacties van neurologen – in de trant van ‘ik kan niets bijzonders bij u vinden’ – of bedrijfsartsen – ‘de scans zijn normaal heb ik gehoord, dus u kunt maandag weer beginnen’ – hebben veel patiënten zich vernederd en onbegrepen gevoeld. Over die periode spreekt men liever niet.

Hoe onredelijk reacties op conversiestoornis kunnen zijn bleek nadat bekend werd dat een paralympiër rolstoelgebonden was door conversiestoornis vóór zij tijdelijk verbeterde. Sommigen stelden voor dat zij haar medailles terug zou geven. Hieruit blijkt dat conversiestoornis gezien wordt als simulatie of aanstellerij; de verlamming bij conversiestoornis wordt niet gezien als echte verlamming.

De klachten kunnen reversibel zijn

Patiënten met conversiestoornis kunnen binnen een paar dagen herstellen, maar symptomen kunnen ook lang aanhouden. Permanente ernstige uitval is zeldzaam. De prognose is, zoals bij vele aandoeningen, afhankelijk van de duur van de klachten voorafgaande aan de diagnose.6 Daarom moet de diagnose ‘conversiestoornis’ zo snel mogelijk worden herkend en worden besproken.

Eigen inzet patiënt bespreken

Hoewel patiënten het niet kunnen helpen dat zij de symptomen kregen, kunnen zij wel actief meewerken bij het herstel, met name door de activiteiten geleidelijk uit te breiden en zich te houden aan gemaakte afspraken. Dit is niet anders dan bij patiënten na een herseninfarct.

Gebruik metaforen bij uitleg

Als patiënten vragen hoe de symptomen precies ontstaan kan de uitleg het beste met hulp van metaforen gebeuren, bijvoorbeeld: de piano is ontstemd geraakt, maar de toetsen en snaren zijn intact. Als de patiënt blijft doorvragen, moet het antwoord zijn dat wij van veel ziekten niet precies weten hoe de symptomen ontstaan; wat we wel weten is dat de symptomen van conversiestoornis onbewust in het zenuwstelsel ontstaan.7

Behandeling

De behandeling van patiënten met conversiestoornis wordt uitgevoerd in samenwerking met een fysiotherapeut die ervaring heeft met deze en andere neurologische patiënten. De behandeling wordt niet aan de fysiotherapeut alleen overgelaten; ook de huisarts of neuroloog ziet de patiënt regelmatig terug om de voortgang te controleren en vragen of twijfel over de diagnose te bespreken. Dit gebeurt in overleg met de fysiotherapeut. Als er een bedrijfsarts ingeschakeld is, behoort het te voeren beleid altijd in overleg tussen huisarts, fysiotherapeut, bedrijfsarts en niet te vergeten de patiënt te worden bepaald. De behandelaars overleggen echter zelden.

De fysiotherapeut begint met het vastleggen van de fysieke toestand van de patiënt. Vervolgens worden de doelen op korte en op lange termijn geformuleerd in samenspraak met de patiënt.8 Daarna stelt de fysiotherapeut een programma op met geleidelijk uitbreidende activiteit. De stelregel voor deze activiteiten is om op goede dagen niet meer te doen en op slechte dagen niet minder dan afgesproken (‘graded exercise’).9

In het programma ligt vast wat de patiënt doet en de patiënt spreekt af zich bij dagelijkse activiteiten niet te laten leiden door de klachten (bij toename klachten niet minder doen dan in het programma staat). Bij angst voor bepaalde activiteiten wordt deze activiteit niet vermeden, maar wordt de patiënt in toenemende mate aan die activiteit blootgesteld (‘graded exposure’).10

Met herhaalde metingen kan de vooruitgang worden getoond. Regelmatige aanmoediging is nodig. Als het gaat om eenzijdige verschijnselen kan de fysiotherapeut overwegen spiegeltherapie toe te passen.11 Bij spiegeltherapie kijkt de patiënt via een spiegel die opgesteld is in het sagittale vlak naar bewegingen van de niet-aangedane zijde, bijvoorbeeld van de hand. Door het spiegelbeeld komt het op de patiënt over alsof de aangedane hand beweegt.

Voortgang in de gaten houden

Als de voortgang stagneert wordt nagegaan wat daarvan de oorzaak kan zijn. Ook hierbij is overleg tussen alle betrokkenen nodig. Stagnatie in het genezingsproces is niet zelden het gevolg van verschillende – soms tegenstrijdige – adviezen die patiënten van de diverse behandelaars ontvangen.

Als de vooruitgang stagneert door psychische comorbiditeit kan verwijzing naar een psycholoog of psychiater nuttig zijn. De psycholoog of psychiater moet wel ervaring hebben met deze patiënten en het moet voor hen duidelijk zijn dat zij niet werden verwezen vanwege conversiestoornissen, maar vanwege psychische comorbiditeit die het herstel in de weg staat. Het is ook belangrijk om dit op dezelfde manier aan de patiënt uit te leggen.

Conversiestoornis en SOLK

Moet de conversiestoornis tot de somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) worden gerekend? De nieuwe NHG-standaard ‘Somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten’ doet dat niet.12 In de standaard wordt de conversiestoornis ingedeeld bij de somatoforme stoornissen. De standaard doet geen uitspraken over de behandeling van de conversiestoornis. Het beleid bij conversiestoornis zoals in dit artikel besproken, heeft overeenkomsten met het beleid bij SOLK volgens de NHG-standaard, maar er zijn ook verschillen.

Bij patiënten met SOLK die matige tot ernstige klachten hebben wordt de huisarts geadviseerd samen te werken met een psychosomatisch fysiotherapeut, een praktijkondersteuner ggz, een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige of een eerstelijnspsycholoog.12 Bij patiënten met conversiestoornis zijn we terughoudender geworden met dergelijke samenwerking en wordt allereerst gekozen voor begeleiding door fysiotherapeuten die ervaring hebben met deze en andere neurologische patiënten. Ook wordt bij conversiestoornis het onverklaarde karakter van de klachten meer gerelativeerd dan bij SOLK, en wordt de diagnose ‘conversiestoornis’ met meer zekerheid gesteld. Volgens de DSM-5 moeten er bij het neurologisch onderzoek zelfs aanwijzingen zijn die de diagnose ‘conversiestoornis’ steunen, waarmee conversiestoornis een neurologische diagnose is geworden.13

Het zou interessant zijn de verschillende aanpak van SOLK en conversiestoornis in een onderzoek te vergelijken. Daarbij zouden ook de uitvoerbaarheid en de kosten van de behandeling onderzocht moeten worden.

Coördinerend arts

De behandeling van patiënten met conversiestoornis kan alleen succesvol zijn als de hulpverleners die bij de behandeling betrokken zijn allen dezelfde uitleg geven, hetzelfde over het ontstaan van de symptomen denken en achter het te voeren beleid staan. Die samenwerking moet worden gecoördineerd, bij voorkeur door de huisarts. Thans ontbreekt het vrijwel altijd aan die samenwerking. Bovendien zijn er nogal wat praktische belemmeringen voor het hier geschetste beleid. De vraag of artsen wel voldoende tijd hebben voor deze patiënten, wie de onderlinge communicatie tussen de hulpverleners op zich kan nemen en wie de kosten van het hier geschetste beleid moet betalen, is nog niet beantwoord.

Leerpunten

  • De behandeling van patiënten met conversiestoornis begint met uit te leggen wat de diagnose is.

  • Het is belangrijk duidelijk te maken dat u de patiënt gelooft, en dat u niet denkt dat de symptomen ingebeeld of gesimuleerd zijn.

  • Probeer uit te zoeken wat de patiënt denkt dat hij heeft.

  • Leg uit wat de patiënt níet heeft, en waarom niet, maar nooit vóór de uitleg over de diagnose; gebruik metaforen bij de uitleg.

  • Benadruk dat conversiestoornis veel voorkomt en dat de symptomen reversibel zijn.

  • Leg uit dat de patiënt er niets aan kan doen deze symptomen te hebben, maar wel kan meewerken bij het herstel door de instructies op te volgen.

Literatuur
  1. 1 Vermeulen M, van der Linden EA. Conversiestoornis. Ned Tijdschr Geneeskd. 2012;156:A5406.

  2. 2 Stone J. The bare essentials: Functional symptoms in neurology. Pract Neurol. 2009;9:179-89 Medline. doi:10.1136/jnnp.2009.177204

  3. 3 Kolk AM, Hanewald GJFP, Schagen S, Gijsbers van Wijk CMT. A symptom perception approach to common physical symptoms. Soc Sci Med. 2003;57:2343-54. doi:10.1016/S0277-9536(02)00451-3

  4. 4 Kanaan R, Armstrong D, Barnes P, Wessely S. In the psychiatrist’s chair: how neurologists understand conversion disorder. Brain. 2009;132:2889-96 Medline. doi:10.1093/brain/awp060

  5. 5 Petrie KJ, Müller JT, Schirmbeck F, et al. Effect of providing information about normal test results on patients’ reassurance: randomised controlled trial. BMJ. 2007;334:352 Medline. doi:10.1136/bmj.39093.464190.55

  6. 6 Ford CV, Folks DG. Conversion disorders: an overview. Psychosomatics. 1985;26:371-74, 380-3 Medline. doi:10.1016/S0033-3182(85)72845-9

  7. 7 Edwards MJ, Adams RA, Brown H, Parées I, Friston KJ. A Bayesian account of ‘hysteria’. Brain. 2012;135:3495-512 Medline. doi:10.1093/brain/aws129

  8. 8 Nielsen G, Stone J, Edwards MJ. Physiotherapy for functional (psychogenic) motor symptoms: a systematic review. J Psychosom Res. 2013;75:93-102 Medline. doi:10.1016/j.jpsychores.2013.05.006

  9. 9 White PD, Goldsmith KA, Johnson AL, et al. PACE trial management group. Comparison of adaptive pacing therapy, cognitive behaviour therapy, graded exercise therapy, and specialist medical care for chronic fatigue syndrome (PACE): a randomised trial. Lancet. 2011;377:823-36 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(11)60096-2

  10. 10 Philips HC. Avoidence behavior and its role in sustaining chronic pain. Behav Res Ther. 1987;25:273-9 Medline. doi:10.1016/0005-7967(87)90005-2

  11. 11 Altschuler EL, Wisdom SB, Stone L, et al. Rehabilitation of hemiparesis after stroke with mirror. Lancet. 1999;353:2035-6 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(99)00920-4

  12. 12 Olde Hartman TC, Blankenstein AH, Molenaar AO, et al. NHG-Standaard Somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK). Huisarts Wet. 2013;56:222-30.

  13. 13 American Psychiatric Association. Diagnostic and statistical manual of mental disorders, fifth edition (DSM-5). Washington: American Psychiatric Publishing; 2013.

Auteursinformatie

Academisch Medisch Centrum, afd. Neurologie, Amsterdam.

Prof.dr. M. Vermeulen, neuroloog; drs. J. Hoekstra, huisarts; M.J. Kuipers-van Kooten, fysiotherapeut; drs. E.A.M. van der Linden, psycholoog.

Contact prof.dr. M. Vermeulen (m.vermeulen@amc.uva.nl)

Verantwoording

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.
Aanvaard op 5 december 2013

Auteur Belangenverstrengeling
Marinus Vermeulen ICMJE-formulier
Jan Hoekstra ICMJE-formulier
Mariëtte J. Kuipers-van Kooten ICMJE-formulier
Els A.M. van der Linden ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties

Jan Adriaan
Coebergh

Dit is een zeer goed stuk waarin het beleid goed wordt geschetst. Ik hoop nog een aantal suggesties te doen die ik behulpzaam vindt in de behandeling.

 

Ik gebruik de metafoor van de gebroken roltrap, waarin hetzelfde fysiologische proces optreedt in meeste mensen zonder een conversiestoornis. We zien dat hij niet werkt maar toch ervaren we kort de beweging. Met andere woorden ons idee over de verwachte reactie van het lichaam is sterker dan de visueele feedback, maar mensen zonder conversiestoornis corrigeren dit gauw. Het is wat Edwards et al. (2013) beliefs, prediction and prediction error correction noemen. Er zijn natuurlijk ook andere metaforen in omloop van hardware is ok, software doet het niet goed.

Patienten vinden The Shaking Woman or History of My Nerves van Siri Hustvedt of When the body says no: Exploring the Stress-Disease connection vaak erg behulpzaam.

 

De auteurs in mijn ogen leggen een te grote link met uitlokkende factoren. Die zijn vaak maar zeker niet altijd aanwezig en hard op zoek gaan kan soms de relatie met de artsen moeilijk maken. Het probleem blijft grotendeels hetzelfde.

Alhoewel ik de diagnose ook positief stel is er een groep met een langdurige bestaande eerdere diagnose (15 jaar MS, 10 jaar Parkinson, herseninfarcten, etc) die incorrect was. Het verwijderen van een eerdere, meer begrijpbare diagnose moet soms eerst gedaan worden. Ik denk niet dat u dit heeft, en wel hierom... Een artikel hierover (‘Undiagnosing’ neurological disease: how to do it, and when not to) ligt momenteel bij Practial Neurology.

Uitleg dat verder aanvullend onderzoek om andere diagnoses uit te sluiten tot incidenteele bevindingen kan leiden voordat het gedaan is is van groot belang (regelmatig onvermijdelijk) sinds deze groep patienten lijkt te leiden aan een 'jumping to conclusions' cognitieve bias (Parees,  2012).

De physiotherapeutische behandeling is moeilijk bij bijvoorbeeld sensibele klachten, tremor en non-epileptische aanvallen, dissociatie (duizeligheid). Bij deze groepen moet worden gekeken naar functionele beperkingen. Er zijn ook mensen waar klachten zo gering zijn dat alleen uitleg volstaat (maar de deur openblijft om terug te komen voor verdere uitleg).

Niet alle patienten worden beter, maar verminderen van iatrogene schade is ook een positieve uitkomst. De link naar hun andere, eerdere (en toekomstige) 'somatisch onverklaarde klachten' als pijn, IBS, atypische pijn op de borst, etc. is van groot belang. Het vergroot begrip. De rol van de huisarts is hierin essentieel.  De specialist durft dit vaak niet maar kan dit zeker benoemen in mijn ervaring.

Het beleid bij kinderen, verstandelijke beperkingen en grote taal- en culturele barrieres, co-morbide pijn en pre-existente neurologische stoornis (MS/Parkinson/epilepsie bv) moet vaak ook aangepast worden.

De auteurs geven een goede routekaart, maar het blijft een stoornis die een grote mate van individuele benadering vereist.

 

Jan Adriaan Coebergh, consultant neurologist, St George's Hospitals, Tooting, UK

 

 

 

Irene
Monster

Vanuit het conversie behandelteam Heliomare willen wij graag enkele kritische kanttekeningen plaatsen bij bovenstaand artikel.

Het lijkt de auteurs te ontgaan dat er een verschil bestaat in de symptomatologie van conversie patiënten ten opzichte van die bij CVS en chronische pijn patiënten. Bij de beide laatste diagnose groepen is vanuit de klacht weliswaar de neiging van veel patiënten om beweging en activiteiten uit de weg te gaan, maar de mogelijkheid tot het uitvoeren is er in essentie wel.

De diverse uitingsvormen van symptomen bij de conversie patiënt hebben juist gemeenschappelijk dat de functionele beperking niet onder de eigen, bewuste controle staat. Dit maakt het voor hen onmogelijk om bewust een beweging of activiteit uit te voeren, laat staan die op afspraak uit te breiden. Je ‘moeten houden’ aan afspraken over het geleidelijk uitbreiden van activiteiten wanneer je een ledemaat hebt dat je niet intentioneel kunt gebruiken, zal in veel gevallen leiden tot ofwel cómpensatie, dan wel frústratie.

Het meest verbazingwekkende in het artikel is dat de auteurs niet of nauwelijks op de hoogte lijken te zijn van effectieve behandelingen bij conversie die rechtstreeks op het opheffen van de symptomen worden gericht. Evenmin lijken zij er van op de hoogte te zijn dat juist een twee sporen beleid, waarbij fysiotherapeut en psycholoog intensief samenwerken, effectief[i] blijkt te zijn.

De behandeltechnieken om conversieve symptomen op te heffen, te weten hypnose en katalepsie, worden in het artikel  niet eens genoemd. Deze lacune in het artikel is schrikbarend te noemen, gegeven de evidentie voor deze behandelinterventies en de ruime hoeveelheid publicaties hieromtrent. In de multidisciplinaire richtlijn Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK) en Somatoforme Stoornissen[ii] is de conclusie dat hypnotherapie conversieve klachten van het motorische type kan verminderen[iii]. De directe symptoomgerichte behandeling van de conversiestoornis middels katalepsie is veelbelovend[iv].

Drs. V. de Vries, GZ psycholoog Revalidatiecentrum Heliomare, Wijk aan Zee

Drs. R. Zondervan, revalidatie arts Revalidatiecentrum Heliomare, Wijk aan Zee

I.M. Monster, fysiotherapeut Revalidatiecentrum Heliomare, Wijk aan Zee

Drs. M.M.T.T. Dijkman, klinisch psycholoog Revalidatiecentrum Heliomare, Wijk aan Zee

[i] Moene F. en Rumke M. (2004). Behandeling van de conversiestoornis. Praktijkreeks gedragstherapie, deel 20 Houten: Bohn, Stafleu van Loghum

[ii] Trimbos Instituut. (2011). GGZ-Richtlijnen. MDR Solk en somatoforme stoornissen def, versie 1.0

[iii] Moene FC, Spinhoven P, Hoogduin KA, van Dyck R. A randomized controlled clinical trial of a hypnosis-based treatment for patients with conversion disorder, motor type. Int J clin Exp Hypb. 2003 jan:51 (1);29-50

[iv] Tibben M., Hoogduin K. Behandelopties voor patiënten met pseudomyoclonieën Vele wegen leiden naar Rome. Directieve therapie jaargang 33 Nummer 3 2013, 222-236

Rien
vermeulen

Wij zijn blij met de reactie uit Heliomare, omdat wij  een aantal punten  kunnen toelichten. Ons zou zijn ontgaan dat er een verschil bestaat in de symptomatologie tussen patiënten met conversie en SOLK, maar wij bespraken de verschillen en overeenkomsten. Meestal hebben patiënten met conversiestoornis nog enige functie. Het is van belang kleine bewegingen te benadrukken. Dit kan al beginnen tijdens de diagnostiek als het Hoover sign aanwezig is. Het zien verminderen van de zwakte van het aangedane been als de antagonist van het goed functionerende been wordt aangespannen is voor patiënten hoopgevend en laat zien dat de uitval functioneel en niet structureel is. Het zien van de beweging leidt vaak tot het weer uitvoeren van die beweging. Het geleidelijk opvoeren van de activiteiten zou volgens de Vries et al in veel gevallen leiden tot  frustratie. Dat zien onze fysiotherapeuten niet in veel gevallen, eerder gaat het de patiënten te langzaam.
Wij weten dat bij patiënten met SOLK een zogenaamd twee sporen beleid wordt geadviseerd. Wij relativeren de psychogenese van de conversiestoornis. Wij benadrukken daarentegen herkenning van het klinisch beeld. De kans op een foute diagnose is tegenwoordig zeer klein bij conversiestoornis. De diagnose kan daarom met grote zekerheid worden gesteld, waarna de behandeling onmiddellijk kan beginnen. Bij ongeveer de helft van de patiënten met conversiestoornis is  geen duidelijke psychische factor te vinden die de symptomen uitlokt of doet ontstaan. De voordelen van samenwerking tussen psycholoog en fysiotherapeut zien wij vooral in het ondersteunen van de fysiotherapeuten. Psycholoog of psychiater worden wel op indicatie ingeschakeld, niet omdat het om een conversiestoornis gaat.
 De Vries et al begrijpen niet dat wij behandeling met hypnose niet noemden. Hieruit blijkt dat zij andere patiënten zien dan wij. Zij zien patiënten die na een wachttijd en psychologische beoordelingen die wel 2 maanden in beslag kunnen nemen. Hypnose wordt al meer dan een eeuw toegepast, maar zelden gekozen. Behandeling middels katalepsie is interessant, maar deze techniek wordt nauwelijks overgedragen.
Wat wij nodig hebben is onderzoek van praktisch uitvoerbare behandelingen in voldoende grote patiëntengroepen. De trial waarin hypnose werd onderzocht vergeleek slechts 24 patiënten die met hypnose werden behandeld met 25 patiënten op de wachtlijst. De conclusie was dat hypnose het beter deed, maar had de conclusie niet moeten zijn dat de wachtlijst  nadelig was?

 


M. Vermeulen, J. Hoekstra, M.J. Kuipers -van Kooten, E.A.M. van der Linden.