Arnold Aletrino

Klinische praktijk
C.F. Joosse
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1986;130:1735-9
Download PDF

‘Ik wilde dat ik een groote emotie had, maar ik verslijm langsamerhand.’

Honderd jaar geleden, in de meimaand van het jaar 1886, slaagde Arnold Aletrino voor zijn artsexamen aan de universiteit van Amsterdam. Ogenschijnlijk een feestelijke gebeurtenis. Voor de kersverse arts vormt ze echter het begin van een zorgelijke periode. Hij heeft nog geen baan en is dus aangewezen op financiële hulp van zijn ouders. Van zijn vader wenst Arnold Aletrino echter geen geld aan te nemen, omdat de 27-jarige arts diens rol in de scheiding van zijn ouders scherp afkeurt; van zijn moeder evenmin: zij is nauwelijks in staat om haar twee katten naar behoren te voeden, laat staan dat ze haar zoon financieel kan ondersteunen. Door geld te lenen van vrienden, onder andere van zijn boezemvriend Frederik van Eeden, en door journalistiek werk, weet Aletrino het hoofd boven water te houden.

In september 1886 breken er voor de werkloze geneesheer betere tijden aan: hij wordt benoemd tot assistent van professor H.Hertz, een statige, imponerende persoonlijkheid die zijn studenten met de praktijk van de medische studie kennis laat maken in het Amsterdamse Binnengasthuis. De geldzorgen behoren vanaf dat moment tot het verleden, wat niet betekent dat een zorgelijke periode tot het verleden behoort. Door zijn werk wordt Arnold Aletrino herhaaldelijk met zijn neus op het lijden van de lagere bevolkingsklassen gedrukt, die voor hun medische verzorging zijn aangewezen op de gasthuizen aangezien ze niet over de middelen beschikken om zich thuis te laten verplegen en behandelen. Aletrino lijdt onder de misère die hij dag in dag uit moet aanschouwen. Daar komt nog bij dat hij herhaaldelijk moet constateren dat de medische wetenschap niet bij machte is iets voor haar patiënten te doen. Velen komen naar het Binnengasthuis om in de bruine manden afgevoerd te worden naar de snijkamer waar de rollen omgedraaid worden: niet langer de wetenschap in dienst van de patiënt, maar de ‘patiënt’ in dienst van de wetenschap.

Het Amsterdamse Binnengasthuis wordt voor twee jaar het. domicilie van Arnold Aletrino. ‘Permanente aanwezigheid’ van de assistenten suggereert misschien een reeds op relatief hoog peil staande gezondheidszorg. Het tegendeel is echter waar. De situatie in de gasthuizen moet aan het eind van de vorige eeuw veel te wensen overgelaten hebben. Dat blijkt onder andere uit het rapport dat een commissie van onderzoek in 1882 uitbracht over de situatie in het Binnen- en Buitengasthuis. De commissie was van oordeel dat het personeel niet berekend was op zijn taak, te lang moest werken en slecht gecontroleerd werd. Bovendien moest het zowel huishoudelijk als verplegend werk doen, wat door de commissie gekwalificeerd werd als een ontoelaatbare situatie.

De eerste berichten van Arnold Aletrino over zijn nieuwe baan in het Binnengasthuis klinken niet erg opgewekt. Uit zijn brieven aan Frederik van Eeden, geschreven in zijn kamer in het Binnengasthuis, komt een weinig bevlogen arts naar voren. Het lijkt alsof Arnold Aletrino nauwelijks geraakt wordt door de misère die – om zijn woorden te gebruiken – ‘leven’ heet. Dat laatste is echter schijn. Aletrino wordt wel degelijk emotioneel geraakt door het lij den dat hij in het Binnengasthuis moet aanschouwen. Dat blijkt onder andere uit het interview dat E.d'Oliveira met hem had voor het tijdschrift Den Gulden Winckel en uit zijn autobiografische verhalen. Met een misschien wat studentikoos laconisme schrijft Arnold Aletrino Frederik van Eeden over zijn eerste ervaringen. Typerend voor Aletrino's wat onderkoelde verslag van de eerste dagen is het feit dat hij in zijn brief van 28 september begint met een uiteenzetting over zijn financiën. Pas op 2 januari 1887 komt het Binnengasthuis weer ter sprake in de correspondentie tussen Arnold Aletrino en de in Bussum wonende Frederik van Eeden. Aletrino begint zijn brief echter weer met een uiteenzetting over zijn financiën.

Amici,

hiernevens 't product van veel dooden en weinig herstelden. T‘ doet mij genoegen dat ik door eigen werk en de hulp van Magere Hein 't zoover heb kunnen brengen dat ik mijn achterstallige soldij kan betalen. Gisteren heb ik het genoegen gesmaakt mijn eerste salaris aan 't hart te kunnen drukken op 28 september ontving Aletrino zijn eerste salaris! en ofschoon 't mij aan datzelfde hart gaat 't weêr zoo gauw los te laten doe ik 't zoo gauw mogelijk en omdat 't er toch eens van moet komen en omdat ik begrijp hoe een jong huishouden met Nieuwjaar in een onplezierige stemming verkeert om de fooien. Intussen dank ik jelui wel, jelui hebt mij in den tijd er erg meê geholpen en als ik nu bedenk wat ik had moeten doen als jelui me dat geld niet hadden geleend rijzen mij de haren te berge. Ik had 't graag zelf gebracht als ik niet zooveel geherrie had gister en vandaag. Verteer jelui het nu niet te gauw maar zet 't op een post-spaar-bank-boekje dan levert 't nog wat als je zoowat 120 jaar bent. Jelui moet denken dat ik een losbol ben en jelui dat geld niet heb terug gegeven, dan profiteren jelui van de rente.Maar jelui hebben niet zoo'n verbeeldingskracht helaas en ik zie 't goede geld verdwijnen aan glazen port op Zondagmiddag glazen groc 's avonds en cieraden voor de Hazebas en Malmijntje. Aletrino doelt hier op de twee katten van de Van Eedens. . . . Ik word een beetje erg machine in diagnoses hier en leef als een plant voort, zie bijna niemand behalve Ham en Mendes Ham: bekende uit Aletrino's studententijd; Mendes: wellicht moeten we hier denken aan de latere dermatoloog Samuel Mendes da Costa. Aletrino verlooft zich in 1888 met diens zuster Rachel Mendes da Costa. Voor hij met haar in het huwelijk treedt (1892) woont Aletrino nog enige tijd samen met Samuell die bij me koffie drinken. S'avonds ga ik meestal niet uit en als ik ga loop ik een grachtje om, om te slapen want ik heb eenige weken doorgebracht dat ik niet in slaap kon komen 's nachts. De medicijnen vervelen me erg en ik kan met geen mogelijkheid 't interessante in een “mooi geval” zien. Meer en meer onderscheid ik de patiënten in 2 soorten: die sterven en die niet sterven, de eersten kan ik niet helpen en de tweede worden wel beter zonder die bijzondere wetenschap die je krijgt door bijwerken. Maar ik ben blij dat ik hier ben, want ik voel me tegenwoordig volstrekt niet gestemd tot struggles for life, en ik zou verhongeren. Hier glijd ik zoo kalm en vervelend door de dag heen als ik maar kan verlangen, de eenige variatie is dat ik de eene dag moet electriceren en de andere niet. Ik wilde dat ik een groote emotie had, maar ik verslijm langsamerhand. Zoodra moê weêr in Hilversum is 's Aletrino moeder heeft zich na haarscheiding in Hilversum gevestigd kom ik bij jelui aan, als ik tijd heb heb ik geen lust en als ik geen tijd heb mag ik geen lust hebben of heb dien meestal toch niet. Nogmaals wel bedankt.

tt

Sam

Het eind van deze brief toont één van Aletrino's meest markante karaktertrekken: de neiging om het leven van de sombere kant te zien. Deze melancholieke kant van zijn karakter komt zeer sterk naar voren in een kort briefje dat hij waarschijnlijk twee weken later schrijft. In dit epistel bedankt Aletrino Martha van Eeden voor de uitnodiging om naar Bussum te komen.

Waarde Martha,

wel bedankt voor je invitatie, waarvan ik echter geen gebruik kan maken, en omdat ik wacht heb en omdat ik geen lust heb om uit te gaan. Ik word benauwd als ik eraan denk. Als ik lust heb zal ik wel eens aankomen want 't verveelt mezelf dat ik me verveel, maar nu wil ik rust hebben. Bedenk wat Hecker zegt in zijn psychiatrie: “es ist ....eine Erscheinung dass man Melancholische Kranken Zerstreuungen verordnet, und die Unglücklichen, nach Ruhe lechzenden Opfer auf Reisen herumschleppt, und sie in Gesellschaften und Theaters herumhetzt.”

Na groet

tt

Sam

Arnold Aletrino komt in zijn brieven dus naar voren als een weinig geïnspireerd arts. Zijn vrienden ziet hij niet meer zo vaak als tijdens zijn studententijd en de gezellige bijeenkomsten van het gezelschap Flanor behoren tot het verleden. Hij heeft behoefte aan ‘een groote emotie’. De vraag rijst natuurlijk wat Aletrino daaronder verstaat: een schokkende gebeurtenis in het Binnengasthuis? Gezien de volgende zin: ‘Zoodra moê weêr in Hilversum is kom ik bij jelui aan . . .’ moet het antwoord op deze vraag niet in de sfeer van het gasthuis gezocht worden. Het wat klagerige vervolg van deze regel doet misschien vermoeden dat Aletrino nauwelijks waarde hecht aan een ontmoeting met de Van Eedens, de waarheid staat hier diametraal tegenover. Arnold Aletrino ziet in Frederik van Eeden zijn steun en toeverlaat. Hij is de vriend die hem tijdens zijn studententijd uit de put haalde en die hem in 1889 Parijs zal laten zien, een waarlijk ‘groote emotie’ voor Aletrino. Het merkwaardige is echter dat Arnold Aletrino af en toe de behoefte heeft om degene die hij liefheeft, te dwarsbomen. In vlagen van droefgeestigheid verwijdert hij zijn beste vrienden en vriendinnen van zich, met als gevolg een versterking van zijn droefgeestigheid en een lijden onder het leven, dat zich bij tijd en wijle voordoet als een boosaardige kwelling. Vandaar het misschien wat vreemd klinkende vervolg op Aletrino's aankondiging om weer eens aan te komen bij de Van Eedens.

Dat Aletrino's verzuchting inderdaad op de behoefte slaat om weer eens goede vrienden te ontmoeten, vloeit ook voort uit het feit dat hij in het Binnengasthuis dag in dag uit ‘groote emoties’ heeft. Dat blijkt uit het al eerder genoemde interview dat D'Oliveira met Aletrino had in 1908. Aletrino kijkt in dat vraaggesprek terug op zijn gasthuistijd. ‘De gasthuistijd is van groote invloed geweest op mijn literatuur. Ik heb nooit van mijn leven iets vroolijks kunnen schrijven. En dat komt, geloof ik, van 't gasthuis. . . . Stel je nu voor, dat ouwe gasthuis, met die ellendig-sombere hooizolders die daar waren. De droefheid viel je voor je voete als je binnen kwam. . . . Toen ik eenmaal assistent was zat ik midden in de misère. Zoo'n gasthuis is een concentratie van ellende. En Toch: als dokter heb ik daar mijn beste tijd doorgemaakt. Nooit zou ik in de practijk zijn gegaan als ik niet moest . . . Ja! een concentratie van ellende. Ik heb daar wat afgehuild! . . . . .De vrouwenafdeeling was nog het prettigst voor me. Ik behandel veel liever vrouwen dan mannen. . . . . .Maar dàt heeft mij zoo somber gemaakt. Ik zie altijd de donkere kant van de dingen. Ik geloof niet, dat er één minuut in mijn leven is van ongestoord geluk.‘

Nu zou men kunnen stellen dat Aletrino, die in dit interview terugkijkt op het assistentschap bij professor Hertz van 1886 tot 1888 – dat twintig jaar achter hem ligt – het verleden dramatiseert of een verklaring zoekt voor zijn pessimistische geaardheid. Tijdens zijn verblijf in het Binnengasthuis legt Arnold Aletrino echter al emotioneel geladen indrukken vast in de vorm van schetsen over het leven in dit Amsterdamse gasthuis. Ze verschijnen sedert augustus 1887 in De Nieuwe Gids en worden in 1889 onder de verzameltitel Gasthuisschetsen opgenomen in de bundel Uit den dood.1 Degene die deze schetsen, inmiddels herdrukt, leest, zal zich niet aan de indruk kunnen onttrekken dat Aletrino met een bewogen hart het reilen en zeilen in het Binnengasthuis heeft geobserveerd. Ter illustratie een enkel voorbeeld.

In de schets Avondwandeling voert Arnold Aletrino een arts ten tonele die zijn nachtvisite achter de rug heeft en de tuin van het gasthuis inwandelt om wat op verhaal te komen. De regen is net opgehouden en hier en daar vallen nog wat druppels uit de bomen. Aletrino's schetsen spelen vaak tegen de achtergrond van een grijs, regenachtig decor dat als het ware symbolisch is voor de spaarzame trieste gebeurtenissen in zijn schetsen. Deze avond werd de arts opnieuw geconfronteerd met de dood:

Zoo even had hij het lijk geschouwd van een patient die een uur geleden was gestorven en had hij de doodsbriefjes afgeteekend. 't Was niet de eerste keer dat hij dat had gedaan bij de nachtvisite; hij was er nu over heen, over 't angstige van het laken op te slaan en bij het kaarslicht, waarmeê de verpleegster hem bijlichtte, de halfgesloten oogleden van 't lijk op te lichten en in de doffe oogen te kijken. De eerste keer had hij er voor terug-geschuwd en hij herinnerde zich hoe hij een lichte weekte voelde in zijn knieën toen hij bij 't bed stond en 't laken aanpakte waaronder de omtrekloze vorm lag. Daarna had hij 't zoo dikwijls gedaan; hij was er aan gewoon geraakt en meestal ging hij naar bed, denkend aan andere dingen, onverschillig voor 't lichaam dat hij achter liet in 't duister van 't schut dat om 't bed stond, afgezonderd van de andere. Nu, van avond, kon hij zich niet losmaken van 't lijk dat hij had gezien. 't Was een jonge man geweest dien hij een paar maanden onder behandeling had gehad met een vergevorderde tering. . . . Nu, door den dood van dien patient aan wien hij zich had gehecht, kwam weêr de moedelooze twijfel aan zijn vak in hem op, een twijfel die een tijdlang niet tot zijn bewustzijn was gekomen en dien hij gekregen had de eerste weken toen hij op zijn zaal was. O, dat vak, dat hij vrijwillig op zich had genomen!

In deze sfeer mijmert de dokter verder. Hij denkt aan het ‘vrouwtje’ dat hij behandelde voor een hartkwaal en dat overleed, aan de kadaverkelder waar de lijken naartoe worden gebracht, en komt tot de conclusie ‘dat 't onnut was te leven’, omdat iedereen eens dood moet gaan. Inmiddels is het weer gaan regenen en storen de steeds sneller neervallende regendruppels de dokter in zijn overpeinzingen. Hij beëindigt zijn avondwandeling en daarmee komt tevens een eind aan de schets Avondwandeling.

Ook de schets Een einde handelt over een emotionele gebeurtenis. In dit geval gaat het om het sterven van de twintigjarige Alida, een patiënte die Aletrino zeer dierbaar was. Het kindermeisje Alida werd door haar ‘mijnheer’ naar het gasthuis gebracht omdat ze zo erg hoestte en bloed opgaf. Het gasthuis kan echter weinig voor haar doen. Langzaam maar zeker verzwakt Alida om tenslotte tijdens een gure dag met sneeuw- en regenvlagen te overlijden. Twee mannen brengen haar lichaam in een grote bruine mand weg.

Een einde confronteert de lezer niet alleen met een voor Arnold Aletrino typerende schets, maar via dit verhaaltje krijgen we ook een beeld van de dagelijkse gang van zaken in het gasthuis, ad hoc het Binnengasthuis. Helaas blijkt deze slopende dagindeling nog weinig te verschillen van de ongemakkelijke gang van zaken heden ten dage.

Arnold Aletrino beschrijft zijn ervaringen in het Binnengasthuis niet alleen in de Gasthuisschetsen maar ook in een werk van wat langere adem: Zuster Bertha.2 In deze in 1891 te Amsterdam verschenen roman verhaalt Aletrino hoe Bertha zich los probeert te maken van haar ouderlijk huis door verpleegster te worden in een gasthuis. Uit de beschrijvingen van de diverse lokaties blijkt al snel dat het hier gaat om het Amsterdamse Binnengasthuis. Evenals voor de arts in de schets Avondwandeling is het Binnengasthuis voor Bertha een desillusie. Ze wordt weliswaar onafhankelijk van haar moeder – haar vader is al overleden – omdat ze een kamertje in het Binnengasthuis krijgt, maar haar werk brengt vele teleurstellingen met zich mee. Verplegen blijkt niet hetzelfde te zijn als de liefdevolle, reddende engel spelen.

Na de eerste tegenslagen ontdekt Bertha dat de verpleging ook leuke, plezierige kanten heeft. Ze geniet bijvoorbeeld van haar overplaatsing naar het ‘kinderverband’ en besluit zelfs om voor het verpleegstersdiploma van het Witte Kruis te gaan werken. Na verloop van tijd wordt Bertha hoofdverpleegster, wat bepaalde verwachtingen in haar oproept. Haar verwachtingen blijken voor de zoveelste maal echter te hoog gespannen te zijn. Er verandert weinig in haar leven en Bertha ‘slijmt’ weer voort in een ‘dofmakend nietsdoen’ (uiteraard moet het laatste woord niet letterlijk opgevat worden). Een van de artsen van het Binnengasthuis, in de roman ‘de dokter’ genoemd, brengt hier verandering in. Wanneer Bertha met hem een patiënt verbindt, doorstroomt haar een weldadig gevoel. Onwillekeurig zal de lezer van dit artikel nu denken aan de bekende ‘doktersromannetjes’, Zuster Bertha lijkt echter in het geheel niet op dergelijke lectuur: Arnold Aletrino beschrijft op indringende wijze de gemoedsgesteldheid van zowel Bertha als de dokter en maakt daarvoor gebruik van een zeer gewrochte stijl. Ieder woord, iedere zinswending geeft de zieleroerselen van de twee hoofdpersonen nauwkeurig weer. Nergens speelt valse romantiek een rol; nergens krijgt de lezer het idee dat ‘de dokter’ bezig is aan een glorieuze veroveringstocht.

De relatie Bertha-‘de dokter’ is verre van clichématig. Hoewel Bertha behoefte heeft aan warmte, aan medeleven, aan een geliefde, laat ze zich toch niet door deze gevoelens meeslepen. Dat blijkt uit het feit dat ze op een gegeven moment de relatie met ‘de dokter’ verbreekt. Hij blijkt, evenals Aletrino, een pessimist te zijn die bang is voor de liefde en het huwelijk. Links en rechts heeft hij huwelijken te gronde zien gaan en eigenlijk gelooft hij niet meer in de op liefde gebaseerde verbintenis tussen man en vrouw. Hoewel Bertha aanvankelijk wel wat kleur en warmte in zijn eenzame bestaan brengt en hij opgebeurd wordt door haar aanwezigheid, blijft zijn twijfel over het huwelijk bestaan. Intuïtief voelt ‘de dokter’ aan dat ook hij niet in staat zal zijn om van het huwelijk iets moois te maken, daarvoor wordt zijn contact met Bertha te veel gevoed door de angst voor verveling en eenzaamheid. De gedachte aan een huwelijk met Bertha roept bij ‘de dokter’ geen ‘jachtende juiching’ in zijn gemoed op. Integendeel, langzaam maar zeker treedt een zekere verkilling in hem op. Bertha probeert aanvankelijk deze verkoeling nog tegen te gaan door hem liefdevol tegemoet te treden, maar al snel voelt ze aan dat ze niet bij deze man past. Aangezien Bertha niet van plan is de contacten met ‘de dokter’ op deze basis te continueren, besluit ze om de relatie ‘af te maken’. Eind oktober, een dag met grijze luchten, verlaat Bertha het gasthuis en keert ze terug naar haar moeder. Bertha heeft zich niet los kunnen maken van haar ouderlijk huis; de dokter heeft zich niet kunnen bevrijden van zijn pessimisme. Beiden lijken ze de gevangene te zijn van hun omstandigheden en hun karakter. Lust tot zelfkwelling, ook al geen onbekend element in Aletrino's karakter, doet Bertha besluiten om het aanvankelijke plan van haar moeder: trouwen met Karel Albrechts, te realiseren.

Zuster Bertha is in eerste instantie een roman over de zieleroerselen van Bertha en ‘de dokter’ en pas in derde instantie een roman over het Binnengasthuis. In zijn essay Hoe een roman wordt geschreven wijst Aletrino erop dat de twee hoofdfiguren afsplitsingen zijn van één persoon, namelijk de auteur zelf. Toch werd de roman in verpleegsterskringen gezien als een weergave van het leven in het gasthuis casu quo het Amsterdamse Binnengasthuis.

De reacties van de verpleegsters lopen sterk uiteen. Enerzijds is er een groep die zich in Bertha herkent en die enthousiast is over de wijze waarop Aletrino het harde leven van de verpleegster verwoordt. Anderzijds is er een groep die de roman een blamage vindt voor hen die zich opofferen voor de lijdende mens. De criticus Frans Coenen spreekt in zijn recensie over Zuster Bertha over de ‘rumoerige bekendheid’ die de roman kreeg en doelt daarmee op deze uiteenlopende reacties van de verpleegters. Ook de adjunct-directrice van het Amsterdamse Buitengasthuis, Anna Reynvaan, maakt zich boos over Zuster Bertha. Volgens haar dreigt Aletrino met zijn roman een einde te maken aan de toeloop van beschaafde vrouwen naar de verpleging, terwijl het juist deze vrouwen zijn die de verpleging hard nodig heeft om de zorg in de gasthuizen te verbeteren. Anna Reynvaans verwijt bevreemdt wanneer we bedenken dat Aletrino zich sedert 1900, binnen de vakvereniging voor verpleegsters en verplegers Nosokómos, ingezet heeft voor de verbetering van de verpleging in de gasthuizen: Het aantrekken van beschaafde vrouwen was daarbij volgens Aletrino van cruciaal belang omdat zij een natuurlijk gevoel voor orde, netheid en hygiëne hebben dat bij de meeste ‘meiden’ en ‘knechts’ ontbreekt.

Anna Reynvaan voelt zich geroepen een soort tegenhanger van Zuster Bertha te schrijven: Zuster Clara, een novelle die in 1892 te Amsterdam verschijnt. Zuster Clara maakt de lezer duidelijk dat de omgang tussen verpleegsters en artsen, het hete hangijzer voor Anna Reynvaan en vele verpleegsters, gebaseerd kan en moet zijn op wederzijdse waardering. Bewust of onbewust gaat Anna Reynvaan van een andere kunstopvatting uit dan Aletrino. Ze veronderstelt dat kunst invloed uitoefent op het gedrag van mensen en komt derhalve tot de conclusie dat Zuster Bertha de gezondheidszorg een slechte dienst bewijst.

Aletrino ziet in de kunst een zeer persoonlijke weergave van eveneens persoonlijke gevoelens, gedachten en emoties. Hij legt dan ook zijn eigen gevoelsleven vast in zijn schetsen, novellen en romans. Het zou onjuist zijn om aan dit ‘uitzeggen’ van de angst voor de dood en de gevoelens van eenzaamheid, zwaarmoedigheid en onvermogen waarmee de arts Arnold Aletrino in het Amsterdamse Binnengasthuis worstelde, een andere waarde toe te kennen dan een literaire. Kunst wordt in de visie van Aletrino gemaakt omwille van de emoties die ze oproept en omwille van de kunst zelf, maar niet om de maatschappij te beïnvloeden. Die geëngageerde kunst is altijd een, doorn in het oog van Aletrino geweest. In zijn brieven moppert Aletrino, de man die de ideeën van de Beweging van Tachtig zijn leven lang trouw gebleven is, op de ‘gemeenschapskunst’, de kunst van bijvoorbeeld Henriëtte Roland Holst en Adama van Scheltema.

Aletrino's romans, novellen en schetsen geven geen visie op de maatschappij, ze laten (slechts) zien hoe mensen, met name vrouwen, denken en voelen, hoe ze het slachtoffer worden van hun karaktereigenschappen, hun omstandigheden en hun illusies. In zijn literaire werk toont Aletrino zich een scherp waarnemer van de zwaarmoedigen van geest, waaronder hij zichzelf ook rekende. Vandaar dat Frans Coenen in 1916, naar aanleiding van Aletrino's overlijden, in De Nieuwe Amsterdammer schreef: ‘zolang er “moreel en lichamelijk zwakken aan het leven lijden”, zo lang zullen zij troost vinden in de romans van Aletrino’. Ik zou daaraan willen toevoegen dat ook zij die geïnteresseerd zijn in de zwarte en grijze kanten van het leven, geboeid zullen worden door het literaire werk van Arnold Aletrino.

De onderstaande romans en verhalen zijn herdrukt.

Voor meer gedetailleerde informatie, waarin ook andere aspecten van de figuur Aletrino ter sprake komen, leze men: (a) Bzzlletin 11 (1982) nr. 99 (dit nummer is gewijd aan A. Aletrino); (b) Joosse CF. Arnold Aletrino, pessimist met perspectief. Thomas Rap, Amsterdam, 1986. Ter perse.

Literatuur
  1. Aletrino A. Uit den dood. Nijgh & Van Ditmar,'s-Gravenhage, 1984.

  2. Aletrino A. Zuster Bertha. Nijgh & Van Ditmar,'s-Gravenhage, 1982. Aletrino A. Martha. Nijgh & Van Ditmar,'s-Gravenhage, 1982. Aletrino A. Uit 't leven. Spectrum, Utrecht,1982.

Auteursinformatie

C.F.Joosse, neerlandicus, Beekenstein 60, 3328 ZC Dordrecht.

Gerelateerde artikelen

Reacties