Angina pectoris en normale coronaire arteriën: prevalentie en prognose bij mannen en vrouwen

Onderzoek
J.G.M. Oerlemans
A.L.M. Lagro-Janssen
C. Bakx
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2000;144:522-7
Abstract

Samenvatting

Doel

Onderzoeken of bij vrouwen met anamnestisch vermoedelijke angina pectoris vaker normale coronaire arteriën op het angiogram gezien worden dan bij mannen met vermoedelijke angina pectoris en vergelijken van de prognose van deze patiënten voor cardiovasculaire gebeurtenissen met die van de algemene bevolking.

Opzet

Literatuuronderzoek.

Methode

Artikelen werden gezocht in Medline over de periode 1966-mei 1998 aan de hand van zoektermen en in De geïnformeerde huisarts over 1992-november 1998. Daarna werden de artikelen op relevantie beoordeeld op basis van de titel en het abstract. Gegevens over de prognose van de gemiddelde bevolking werden betrokken uit een project van de Wereldgezondheidsorganisatie.

Resultaten

Er werden 3 artikelen geselecteerd over sekseverschillen in de aanwezigheid van angiografisch normale coronaire arteriën bij patiënten met vermoedelijke angina pectoris. In 2 ervan kwamen normale coronaire arteriën vaker voor bij vrouwen (40-41) dan bij mannen (8-12). In 1 artikel werd bij vrouwen minder ernstig en uitgebreid coronarialijden gevonden dan bij mannen. Er werden 8 artikelen geselecteerd over de prognose van patiënten met vermoedelijke angina pectoris en angiografisch normale coronairarteriën. Per 1000 patiëntjaren varieerden het aantal overleden patiënten tussen 0 en 6,59 (gewogen gemiddelde: 4,05), het aantal overleden patiënten ten gevolge van coronarialijden tussen 0 en 0,92 (0,47) en het aantal patiënten met niet-fatale myocardinfarcten tussen 0 en 1,83 (0,94). Deze cijfers kwamen overeen met die uit een gemiddelde bevolking.

Conclusie

Vrouwen met anamnestisch vermoedelijke angina pectoris hebben vaker normale coronaire arteriën dan mannen met vermoedelijke angina pectoris. De prognose van patiënten met vermoedelijke angina pectoris en normale coronaire arteriën in termen van sterfte en het aantal niet-fatale myocardinfarcten komt overeen met die van de gemiddelde bevolking.

Auteursinformatie

J.G.M.Oerlemans, huisarts te Beek en Donk.

Katholieke Universiteit, vakgroep Huisartsgeneeskunde, Sociale Geneeskunde en Verpleeghuisgeneeskunde, Nijmegen.

Mw.prof.dr.A.L.M.Lagro-Janssen, huisarts.

C.Bakx, huisarts te Doesburg.

Contact J.G.M.Oerlemans, Muntweg 88, 6532 TL Nijmegen

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

J.E.
Roeters van Lennep

Leiden, maart 2000,

Met interesse lazen wij het artikel van Oerlemans et al. (2000:522-7), waarin zij de prevalentie en de prognose van angiografisch aangetoonde normale coronaire arteriën onderzochten met behulp van een uitgebreid literatuuronderzoek. De voornaamste conclusies waren dat vrouwen met pijn op de borst vaker normale coronaire arteriën vertonen dan mannen en dat de prognose van normale coronaire arteriën gelijk is aan die van de gemiddelde bevolking. De auteurs verbaasden zich erover dat er geen onderscheid wordt gemaakt voor het verschil tussen mannen en vrouwen met angina pectoris.

Zoals de auteurs zelf reeds opmerkten, is de indicatie voor verwijzing naar coronairangiografie een belangrijke factor voor de uitkomst van dit onderzoek. Echter, geen van de 11 genoemde onderzoeken was afkomstig uit Nederland. Door de grote verschillen die bestaan tussen onder andere het verzekeringssysteem en de indeling van de gezondheidszorg in het buitenland, is het daarom nog steeds onduidelijk of deze bevindingen ook voor Nederland gelden.

Momenteel bestuderen wij verschillen tussen mannen en vrouwen met hart- en vaatziekten met behulp van een databank met coronairangiografische gegevens, die bestaat uit ruim 3000 Nederlandse patiënten die tussen 1981 en 1998 werden geregistreerd. In een onderzoek dat binnenkort in het European Heart Journal wordt gepubliceerd zijn wij nagegaan of de ernst van coronarialijden na een eerste coronairangiogram vergelijkbaar was bij mannen en vrouwen.1 In dit onderzoek waren alleen patiënten ingesloten die hemodynamisch belangrijk coronarialijden hadden (omschreven als een luminale vernauwing > 60%). Daarnaast waren er in de databank gegevens over patiënten met normale coronairarteriën; dit betrof 19% van de mannen en 43% van de vrouwen. Deze getallen zijn vergelijkbaar met de waarden die Oerlemans et al. noemen. Om de prognose van mannen en vrouwen met normale coronaire arteriën te bepalen ten opzichte van de algemene Nederlandse bevolking, hebben wij onze resultaten vergeleken met sterftecijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Zoals de auteurs vermeldden, is het vaststellen van een cardiale doodsoorzaak moeilijk en vooral in een cardiaal belaste populatie evident onbetrouwbaar.2 Daarom hebben wij gekozen voor de ondubbelzinnige maat van algehele sterfte. Bij mannen en vrouwen met normale coronairarteriën blijkt de overleving overeen te komen met die van de algemene Nederlandse bevolking (figuur). Deze resultaten maken duidelijk dat de conclusies van Oerlemans et al. ook voor de Nederlandse situatie gelden, zowel voor mannen als vrouwen.

J.E. Roeters van Lennep
A.H. Zwinderman
E.E. van der Wall
Literatuur
  1. Roeters van Lennep JE, Zwinderman AH, Roeters van Lennep HWO, Westerveld HT, Plokker HWM, Voors AA, et al. Gender differences in diagnosis and treatment of coronary artery disease from 1981 through 1997: no evidence for the Yentl syndrome. Eur Heart J [ter perse].

  2. Lauer MS, Blackstone EH, Young JB, Topol EJ. Cause of death in clinical research. J Am Coll Cardiol 1999;3:618-20.

Nijmegen, april 2000,

Verheugd namen wij kennis van de resultaten van het onderzoek van Roeters van Lennep et al. waarin zij de bevindingen uit ons literatuuronderzoek ook voor de Nederlandse bevolking bevestigen. Zij gaan uit van een populatie van ongeveer 3000 Nederlandse patiënten die tussen 1981 en 1998 coronairangiografie kregen. Hiervan had 19% van de mannen en 43% van de vrouwen normale coronaire arteriën. Ook bevestigen zij dat de prognose van mensen met angina pectoris en normale coronaire arteriën ook in Nederland vergelijkbaar is met die van de normale populatie. In een recent commentaar van Cannon en Balaban in The New England Journal of Medicine (23 maart 2000) onderstrepen ook zij het belang van de ontwikkeling van nieuwe technieken, waaronder de 31P-MRI-spectroscopie, om een mogelijke verklaring te vinden voor pijn op de borst bij vrouwen met een normaal coronairangiogram.

J.G.M. Oerlemans
A.L.M. Lagro-Janssen
C. Bakx