Artikel
Inleiding
Levensbeëindigend handelen bij pasgeborenen is reeds geruime tijd onderwerp van discussie in Nederland. In de jaren negentig van de vorige eeuw verschenen hierover rapporten van de KNMG, de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde en van de multidisciplinaire Overleggroep Toetsing Zorgvuldig Medisch Handelen rond het Levenseinde bij Pasgeborenen.1-3 Deze rapporten…




(Geen onderwerp)
Muiden, september 2005,
In hun reactie op mijn ingezonden brieven (2005:1134-5 en 2005:1713) meldden collega’s Verhagen et al. (2005:1713) dat een diepe sedatie van pasgeborenen met zeer ernstig en uitzichtloos lijden tot het einde van het leven geen doel van de behandeling kan zijn. Het is duidelijk dat hierover een (kennelijk) fundamenteel verschil van mening bestaat. Het primaire doel van de behandeling hoort immers te zijn het lijden op te lossen en dat kan met de juiste palliatieve technieken. En daar waar pasgeborenen zelf geen toestemming kunnen geven en daarnaast het lijden opgelost kan worden, is actieve levensbeëindiging niet nodig. Het staken of niet instellen van een behandeling, in combinatie met het toedienen van middelen om het lijden op te lossen, behoort te prevaleren boven een actieve levensbeëindiging. En juist ook daarom is het instellen van een toetsingscommissie voor de beoordeling van de ‘noodzaak’ tot actieve levensbeëindiging bij pasgeborenen niet nodig. De rechtvaardigingsgrond hiervoor kan alleen gevonden worden als het lijden niet oplosbaar zou zijn, hetgeen niet het geval is. Indien thans zowel de KNMG, het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport als het Openbaar Ministerie gaan meewerken aan een commissie die de actieve levensbeëindiging bij pasgeborenen moet gaan toetsen, worden de voorliggende mogelijkheden ten onrechte als ontoereikend aangemerkt. De beschermwaardigheid van het leven verdient ‘beter’.