Artikel
Verschillende onderzoeken laten raciale en etnische ongelijkheden zien in de beoordeling en behandeling van pijn in de geboortezorg. Zo krijgen zwangeren (zie informatiekader) geclassificeerd als zwart, inheems of niet-westers tijdens en na de baring minder vaak pijnverlichting.3,4 Daarnaast komt uterusruptuur in internationale en Nederlandse studies significant vaker voor bij…




Obstetrisch racisme: hypothese of conclusie?
De auteurs onderzoeken een belangrijk onderwerp. Onbewuste raciale en etnische vooroordelen kunnen pijnbeoordeling en klinische besluitvorming beïnvloeden. Toch wordt naar mijn mening te snel de stap gemaakt van gevonden verschillen en stereotypen naar obstetrisch racisme als verklaring, terwijl alternatieven onvoldoende worden besproken. Ik heb drie kanttekeningen.
Pijnstilling tijdens de bevalling
De inleidende tekst stelt dat niet-westerse zwangeren in Nederland minder vaak pijnverlichting krijgen. Dit blijkt echter niet uit deze studie: tussen de westerse en niet-westerse categorie werd geen significant verschil in pijnstilling gevonden. Wel kregen vrouwen met een taalbarrière minder vaak epidurale analgesie en vaker remifentanil.
Het gebruik van pijnstilling is bovendien een complexe uitkomstmaat. Pijnstilling is geen standaardinterventie voor iedere barende, maar onderdeel van gezamenlijke besluitvorming. Pariteit, baringsduur en -fase, eerdere ervaringen, voorkeuren, gezondheidsvaardigheden, culturele verwachtingen en communicatie kunnen de keuze beïnvloeden. Ook de manier waarop voorlichting wordt begrepen en de mate waarin patiënten of naasten om pijnstilling vragen, kunnen verschillen. Minder gebruik betekent daarom niet automatisch minder aanbod of slechtere toegankelijkheid.
Pijn en uterusruptuur
Ook pijn als vroeg symptoom van uterusruptuur vraagt om klinische nuance: pijn hoort bij een bevalling. Relevant is of aard, ernst of verandering van de pijn aanleiding geeft tot verdenking op een ruptuur. Andere signalen, vooral CTG-afwijkingen, zijn eveneens essentieel.
De uitkomst ‘tijd tussen eerste pijnklacht en sectio’ is daarom geen gevalideerde maat voor vertraagde herkenning. Normale baringspijn kan al lang bestaan voordat aanwijzingen voor een ruptuur optreden; de eerste geregistreerde pijnklacht valt niet noodzakelijk samen met het eerste verdachte symptoom. Het gevonden verschil berust bovendien op zeer kleine aantallen, met een breed betrouwbaarheidsinterval.
Correctie voor relevante confounders was niet mogelijk. Naast taal en sociaaleconomische factoren zijn bijvoorbeeld pariteit, baringsfase, eerdere sectio, bijstimulatie, epidurale analgesie en CTG-bevindingen relevant. Taalproblemen en verschillen in pijncommunicatie kunnen herkenning bemoeilijken zonder dat dit noodzakelijkerwijs door raciale bias wordt veroorzaakt.
Interpretatie van de interviews
Dat in 11 van de 13 interviews raciale of etnische stereotypen over pijn werden benoemd, is relevant. Toch lijkt de duiding zichzelf deels te bevestigen: erkenning van vooroordelen ondersteunt de hypothese, ontkenning van invloed op het eigen handelen wordt verklaard vanuit onbewuste bias of cognitieve dissonantie, en culturele verklaringen worden geduid als ‘culturalisering’.
De auteurs erkennen dat hun theoretische uitgangspunten de interpretatie beïnvloedden. Onduidelijk blijft echter hoe alternatieve interpretaties zijn gewogen. Welke interviewbevinding had de hypothese dat raciale of etnische bias het klinisch handelen beïnvloedt kunnen tegenspreken?
Tot slot
De studie signaleert stereotypen onder zorgprofessionals en een verschil in tijd van eerste pijnregistratie tot sectio bij een kleine groep vrouwen met uterusruptuur. Hoewel geen oorzakelijk verband wordt beweerd, suggereert de presentatie dat het eerste het tweede verklaart. Andere plausibele verklaringen krijgen onvoldoende ruimte als zelfstandige hypothesen. Daarmee wordt een kans gemist om dit belangrijke en gevoelige onderwerp wetenschappelijk evenwichtig te bespreken.