Wet BOPZ toegepast bij vroege zwangerschap van verslaafde

Perspectief
Adger J.K. Hondius
Tineke E. Stikker
J.M.B. (Hanneke) Wennink
Adriaan Honig
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2012;156:A3818
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Een 30-jarige cocaïneafhankelijke vrouw was 16 weken zwanger. Vanwege mogelijk gevaar voor de ongeboren vrucht werd zij gedwongen opgenomen met een ibs. Bijzonder is dat toepassing van de Wet BOPZ mogelijk was bij ‘verslaving’ als hoofddiagnose en dat de ongeboren vrucht als een juridische ‘ander’ werd beschouwd. In ernstige gevallen van verslaving in combinatie met zwangerschap zou sneller moeten worden ingegrepen, waarbij ook al vóór de geboorte een voorlopige ondertoezichtstelling voor het kind overwogen kan worden. Voor de bescherming van de ongeborene pleiten wij voor een scherpere toepassing van het ‘Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind’. Voorlichting aan verslaafde vrouwen in de vorm van preconceptionele advisering kan een gedwongen opname voorkómen.

’Neem zwangere verslaafde vroeger op’ luidde een kop in NRC Handelsblad enkele jaren geleden.1 Het beschermen van een foetus tegen schadelijk gedrag van een verslaafde moeder is juridisch, ethisch en politiek gezien echter ingewikkeld. Wanneer moet die bescherming bijvoorbeeld ingaan? Het is bekend dat blootstelling aan drugs al bij de conceptie kans op schade aan de foetus geeft.2 Hoewel volgens het klassieke gezondheidsrecht de foetus pas ‘een ander’ is vanaf de geboorte,3 wordt een levensvatbare foetus juridisch gezien vanaf 24 weken in toenemende mate ‘een ander’.4 Als er sprake is van een stoornis van de geestvermogens die gevaar doet veroorzaken voor iemand zelf of een ander, kan in het uiterste geval de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ) uit 1994 worden toegepast (zie uitlegkader).

In de nu volgende casus is vóór 24 weken zwangerschap juridisch ingegrepen. De rechtbank Amsterdam heeft de inbewaringstelling (ibs) voortgezet bij een 16 weken zwangere vrouw met een cocaïneverslaving.5,6 Dit is om 2 redenen een bijzondere beschikking: de hoofddiagnose is ‘cocaïneafhankelijkheid’ én het gevaar betreft een foetus die nog geen 24 weken oud is.7,8 De gegevens zijn afkomstig uit de beschikking van de rechtbank en zijn zoveel mogelijk geanonimiseerd, voor zover niet relevant voor de aard van de zaak.

De casus

Patiënt A, een 30-jarige vrouw die 16 weken zwanger is, is enkele weken vrijwillig opgenomen vanwege een psychotisch toestandsbeeld. Zij is bekend met cocaïneafhankelijkheid en een borderline persoonlijkheidsstoornis. Als de vrouw de psychiatrische kliniek wil verlaten, vreest de psychiater gevaar voor de ongeboren vrucht en start een ibs-procedure. In de geneeskundige verklaring wordt gesteld dat het cocaïnegebruik gevaar voor de ongeboren baby veroorzaakt. Verder wordt melding gemaakt van een onderliggende persoonlijkheidsstoornis. Van psychotische symptomen is geen sprake meer.

Tijdens de rechtszitting betoogt de vrouw dat zij nu al 2 maanden geen cocaïne meer heeft gebruikt, ‘omdat zij dit kindje erg graag wil hebben’. Volgens de psychiater heeft zij tijdens haar 3 eerdere zwangerschappen – alle voortijdig beëindigd – wel cocaïne gebruikt. Er is zijns inziens een aanzienlijk risico op recidiefcocaïnegebruik als zij met ontslag gaat. Haar advocaat wijst op ambulante begeleiding als alternatief voor een opname. Patiënte erkent dat ‘het wel moeilijk zal zijn als zij mensen tegenkomt die zij kent uit de periode dat ze nog gebruikte’.

De uitspraak van de rechtbank luidt als volgt: ‘De rechtbank acht het, gelet op de geneeskundige verklaring en de toelichting van de psychiater ter zitting, voldoende aannemelijk dat betrokkene gevaar veroorzaakt, waarbij het ernstige vermoeden bestaat dat een stoornis van de geestvermogens (afhankelijkheid van cocaïne en een borderline persoonlijkheidsstoornis) van betrokkene dit gevaar doet veroorzaken. Het gevaar bestaat eruit dat betrokkene met name haar ongeboren kind van het leven zal beroven of het ernstig letsel zal toebrengen.[…] Het gevaar is zo onmiddellijk dreigend dat opneming met een voorlopige rechterlijke machtiging (RM) niet kan worden afgewacht.’ De rechtbank zet de ibs voort voor de maximale duur van 3 weken.

Beschouwing

Toepassing Wet BOPZ bij verslaving

Voor toepassing van de Wet BOPZ dient er een psychiatrische stoornis volgens de DSM-IV-TR-classificatie te zijn, waarbij tevens sprake is van gevaar ten gevolge van die stoornis, de zogenoemde causaliteitsvoorwaarde.9 Dit geldt óók voor verslaving, die gezien kan worden als een stoornis van de geestesvermogens.10 In een recente, nog niet gepubliceerde uitspraak heeft de rechtbank Groningen geoordeeld dat ook in het geval van een allesoverheersende verslaving de Wet BOPZ kan worden toegepast, mits het aanwezige gevaar ten gevolge daarvan ernstig genoeg is.11 Waar in eerdere uitspraken – naast de alcohol- of drugsafhankelijkheid – ook een andere stoornis werd genoemd, is zowel in deze casus als in die van de rechtbank Groningen de belangrijkste stoornis het alcohol-, heroïne- of cocaïnegebruik en de vermeende afhankelijkheid daarvan. Een borderline persoonlijkheidsstoornis op zichzelf, zoals in de beschreven casus, is niet voldoende om te voldoen aan het criterium ‘stoornis van de geestesvermogens’ in de zin van de Wet BOPZ. De ‘Wet BOPZ-definitie’ voor een ernstige stoornis en causaal verband luidde in de huidige casus: ‘Deze verslaving belemmert het denken, willen en doelgericht handelen van betrokkene ernstig en beheerst haar gevaarvolle handelen overwegend’.

Gevaren van cocaïne tijdens de zwangerschap

De prevalentie van recent cocaïnegebruik onder mensen van 15-65 jaar is in Nederland circa 0,6%.6 Jaarlijks worden ongeveer 17.000 mensen met een cocaïneverslaving behandeld. In 2008 waren er 131 opnames in een algemeen ziekenhuis waarbij er sprake was van cocaïnemisbruik of -afhankelijkheid; bij 5% was de hoofddiagnose ‘psychose’.6

De placenta is goed en snel doorgankelijk voor cocaïne. Daarom is bij blootstelling aan cocaïne al vanaf de conceptie gevaar voor de ongeboren vrucht aanwezig. Ook voor de moeder levert cocaïnegebruik grote gezondheidsrisico’s op, zowel tijdens de zwangerschap als rond de bevalling. Bij zwangeren wordt een groter percentage cocaïne omgezet in de actieve metaboliet norcocaïne dan bij niet-zwangeren. Daardoor is de cocaïnehalfwaardetijd langer bij de moeder en bij de foetus.

Een verhoogde bloeddruk bij moeder en foetus kan het gevolg zijn van cocaïnegebruik; cocaïneverslaving van de moeder geeft een bijna 4 keer verhoogde kans op een cerebrale subependymale bloeding bij de foetus.12 Ook wordt een 3 keer grotere kans op groeiachterstand en vroeggeboorte gezien door vasoconstrictie van placentaire vaten.13 Daarnaast is er een verhoogde kans op abruptio placentae,14 het plotseling loslaten van de placenta, met kans op een stollingsstoornis voor de moeder en perinatale morbiditeit en mortaliteit voor het kind.

Om onderscheid te maken tussen blootstelling aan cocaïne in utero en postnatale blootstelling aan omgevingsfactoren gerelateerd aan cocaïnegebruik (cocaïnegebruikende moeders hebben bijvoorbeeld vaker een lagere sociaaleconomische status), onderzochten Nulman et al. kinderen die direct post partum geadopteerd werden en terechtkwamen onder betere omstandigheden.2 Hieruit bleek dat zij direct aan cocaïne gerelateerde, neurotoxische problemen hebben, zoals een vertraagde taalontwikkeling, onafhankelijk van intra-uteriene groeiretardatie en andere potentiële confounders.

Gevaar voor ‘een ander’ volgens Wet BOPZ

De Wet BOPZ definieert ‘gevaar’ als gevaar voor iemand zelf (door suïcide, zelfverwaarlozing), voor anderen (door homicide, letsel) en/of gevaar voor de algemene veiligheid (voor personen of goederen). De ernst van het gevaar – de ingrijpendheid – en de ernst van de stoornis moeten vrijheidsbeneming in het kader van de Wet BOPZ rechtvaardigen.

In deze casus oordeelde de rechtbank dat er acuut gevaar was voor de foetus – dus voor een ander – en paste de Wet BOPZ toe. De rechtbank koos voor de snellere ‘ibs-opname’ om niet de langere procedure voor de ‘RM-opname’ af te hoeven wachten. In eerdere BOPZ-zaken werd een ongeborene vanaf 24 weken in toenemende mate als ‘een ander’ beschouwd. De juridische vraag gaat hier over de beschermwaardigheid van een foetus van 16 weken.

Het ‘Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind’ (IVRK) is door Nederland geratificeerd en hier dus van toepassing. In de preambule van het IVRK wordt gesteld dat het ongeboren kind, bij wijze van spreken vanaf het moment van de conceptie, door de lidstaten met geëigende wettelijke middelen beschermwaardig is.15 Het recht op bescherming van het ongeboren kind vanaf de conceptie ontstaat met dien verstande dat zijn of haar recht op leven, overleven en ontwikkeling moet wijken voor het recht van de zwangere op afbreking van de zwangerschap binnen de grenzen die het nationale recht daaraan stelt. De rechtbank Amsterdam heeft het IVRK niet expliciet betrokken bij haar beslissing, maar ze heeft het verdrag juist wel impliciet in samenhang met de Wet BOPZ gehanteerd ter bescherming van het ongeboren kind jonger dan 24 weken.

Mogelijkheden voor bescherming van ongeboren kind

Preconceptioneel advies Medisch gezien zou anticonceptie dringend moeten worden geadviseerd aan drugsverslaafde vrouwen van vruchtbare leeftijd die seksuele contacten aangaan. Voorlichting over risico’s van drugsgebruik voor de foetus past bij eventueel preconceptioneel advies en begeleiding. Feitelijk is voorlichting hierover aan een drugsverslaafde te laat als zij eenmaal zwanger is én een kinderwens heeft. Het overwegen van verplichte anticonceptie valt buiten dit artikel.

Gedwongen opname Als dwangtoepassing word overwogen om het gevaar af te wenden, heeft toetsing vooraf door een rechter de voorkeur, in de vorm van een RM-procedure. Het gaat immers over grondwettelijke rechten van zelfbeschikking en vrijheid. In die toetsing worden het risico en beschermende factoren afgewogen, en kan wilsbekwaamheid met betrekking tot zwangerschap en ouderschap aan de orde komen. Een rechterlijke beslissing kan helpen bij het creëren van voorwaarden voor verdere ambulante zwangerschapsbegeleiding en kan de behandelrelatie tussen arts en zwangere steunen.

Voorlopige ondertoezichtstelling Om het kind direct ná de geboorte te beschermen kan sinds enkele jaren vanaf een zwangerschapsduur van 24 weken een procedure worden gestart via het Advies- en meldpunt kindermishandeling (AMK) of rechtstreeks bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvK). De mogelijkheid van ondertoezichtstelling (OTS) van het nog ongeboren kind is aan de orde bij twijfels over de veiligheid van de thuissituatie.16 Volgens de wet wordt een kind namelijk tijdens de zwangerschap reeds als ‘geboren’ aangemerkt, zo vaak als zijn belang dit vordert (art. 1:2 BW). Tijdens de zwangerschap wordt gestart met het aanvragen van een voorlopige OTS (VOTS) na geboorte al dan niet met directe uithuisplaatsing post partum.

Deze beschikking ligt dan, na onderzoek van de RvK en ondertekening door de kinderrechter, al vanaf de 36e zwangerschapsweek klaar. De termijnen zijn op deze manier gekozen, omdat kinderen geboren vóór een amenorroeduur van 35 weken niet naar huis kunnen, maar eerst op een afdeling Neonatologie opgenomen moeten worden in verband met prematuriteit.

Meer opties onder Wet Verplichte GGZ De Wet BOPZ heeft als nadeel dat alleen de keuze mogelijk is tussen opname of geen opname van een persoon die een gevaar vormt door een psychische stoornis. In het conceptvoorstel voor de Wet Verplichte Geestelijke Gezondheidszorg – als opvolger van de Wet BOPZ – zijn meer mogelijkheden voor het afwenden van schade opgenomen. Volgens dit voorstel kan de rechter andere verplichte interventies opleggen, variërend van lichte, ambulante behandeling waar mogelijk tot intramurale dwangopneming als het niet anders kan.

Conclusie

Cocaïnegebruik kan in lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk opzicht een gevaar voor de gebruiker opleveren, zeker wanneer deze zwanger is. Voor de ongeborene blijkt er al vanaf de conceptie een gevaar te bestaan. Indien er sprake is van gevaar voor de ongeboren vrucht, blijkt toepassing van de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen ook vóór 24 weken zwangerschap mogelijk. De expliciete discussie over de implicaties van het ‘Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind’ in het licht van de Wet BOPZ is nog niet gevoerd. Wij pleiten ervoor dat het IVRK eerder – dus vanaf de conceptie – en nog strikter dient te worden toegepast.

De risico’s voor de ongeborene en de zwangere zelf moeten per casus worden afgewogen tegen de inbreuken op de autonomie van de verslaafde patiënt. Als minder ingrijpende methoden falen, zal gezocht moeten worden naar meer dwingende manieren om verslaafde zwangeren ander gedrag op te leggen. Als de rechter na een zorgvuldige procedure tot het besluit komt om een verslaafde zwangere gedwongen op te nemen om de foetus te beschermen, zijn we het daar mee eens. Wij hopen dat de voorgestelde Wet Verplichte GGZ het mogelijk maakt om alternatieve, minder vergaande middelen in te zetten, bijvoorbeeld intensieve coaching of het aanwijzen van een voogd voor de duur van de zwangerschap.

Wet BOPZ – wettelijke criteria voor onvrijwillige opname:

  • De betrokken persoon heeft een geestesstoornis (of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens);

  • De geestesstoornis veroorzaakt gevaar voor de betrokkene zelf, voor anderen of voor de algemene veiligheid van personen of goederen;

  • Het gevaar kan niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis worden afgewend;

  • De betrokkene geeft geen blijk van de nodige bereidheid om zich te laten behandelen.

  • Als aan 1 van deze voorwaarden niet is voldaan, kan de onvrijwillige opname niet doorgaan.

    De procedures voor onvrijwillige opname worden onderverdeeld in een inbewaringstelling (ibs), rechterlijke machtiging (RM) en voorwaardelijke rechterlijke machtiging (VM).

Literatuur
  1. De Wert G, Berghmans R. Neem zwangere verslaafde vroeger op. NRC Handelsblad januari 29 2009.

  2. Nulman I, Rovet J, Greenbaum R, et al. Neurodevelopment of adopted children exposed in utero to cocaine: the Toronto Adoption Study. Clin Invest Med. 2001;24:129-137 Medline.

  3. Gevers JKM. Noot bij uitspraak van de Rb Amsterdam, 21-02-2006, rolnummer 64126, BJ 2007/6.

  4. Leenen HJJ. Leven in wording, prenatale diagnostiek en behandeling van de foetus. In: Leenen HJJ, Gevers JKM, redacteuren. Handboek gezondheidsrecht. Deel 1: Rechten van mensen in de gezondheidszorg. 4e dr. Hfst 7. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum; 2000. p. 152-4.

  5. Rechtbank Amsterdam, 14 februari 2011. Zaaknummer 482593/11.1200 F; nog niet gepubliceerd.

  6. Van Laar MW, Cruts AAN, van Ooyen-Houben MMJ, Meijer RF, Brunt T. Nationale Drug monitor. Jaarbericht 2009. Utrecht: Trimbos-instituut; 2009.Link

  7. Hoge Raad, 23 september 2005. Nederlandse Jurisprudentie. 2007;230 (m.nt. J. Legemaate).

  8. Hoge Raad, 23 september 2005. BOPZ-Jurisprudentie 2005;35 (m.nt. W. Dijkers).

  9. Zuijderhoudt RH. Stoornis en de Bopz. Praktijkreeks Bopz deel 8. Den Haag: Sdu; 2004.

  10. Conclusie van de Advocaat-Generaal bij Hoge Raad, 8 februari 2008, Landelijke Jurisprudentie Nummer BC3845. BOPZ-Jurisprudentie 2008;19.Link

  11. Rechtbank Groningen, 17 februari 2011 en 30 maart 2011. Zaaknummer 1032196/124162 FA RK 11-194; nog niet gepubliceerd.

  12. Frank DA, McCarten KM, Robson CD, Mirochnick M, Cabral H, Park H, et al. Level of in utero cocaine exposure and neonatal ultrasound findings. Pediatrics. 1999;104:1101-5.Medline

  13. Gouin K, Murphy K, Shah PS. Effects of cocaine use during pregnancy on low birthweight and preterm birth: systematic review and metaanalyses. Am J Obstet Gynaecol. 2001;204:340.e1-12.

  14. Addis A, Moretti ME, Ahmed SF, Einarson TR, Koren G. Fetal effects of cocaine: an updated meta-analysis. Reprod Toxicol. 2001;15:341-369 Medline. doi:10.1016/S0890-6238(01)00136-8

  15. Willems JCM. It takes a SMECC to raise a child; Meeting basic developmental needs of newborn persons – principles and promises in CRC and CRPD. In: Waddington LB, Quinn G, editors. European Yearbook of Disability Law. Vol. 3. Antwerp-Oxford: Intersentia; 2011 (ter perse).

  16. Bijlsma MW, Wennink JMB, Enkelaar AC, Heres MHB, Honig A. De mogelijkheid van ondertoezichtstelling van het nog ongeboren kind bij twijfels over de veiligheid van de thuissituatie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152:895-8 Medline.NTvG

Auteursinformatie

GGz Centraal, afd. Meerzicht, ambulatorium Volwassenen, Lelystad.

Dr. A.J.K. Hondius, psychiater (tevens: GGz Centraal, locatie Veldwijk, Ermelo).

GGZ Nederland, afd. Kwaliteit en Verantwoording, Amersfoort.

Mr. T.E. Stikker, jurist.

Sint Lucas Andreas Ziekenhuis, Amsterdam.

Afd. Kindergeneeskunde: dr. J.M.B. Wennink, kinderarts.

Contact dr. A.J.K. Hondius (a.hondius@ggzcentraal.nl)

Verantwoording

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning voor dit artikel: geen gemeld.
Aanvaard op 29 september 2011

Gerelateerde artikelen

Reacties

Gunilla
Kleiverda

IBS bij 16 weken zwangerschapsduur: zorgelijke grensverschuiving

 

Een IBS bij 16 weken bij een cocaïneverslaafde zwangere omdat zij niet goed voor zichzelf zal zorgen en zo haar foetus schaden, is alarmerend.

 

Het pleidooi om in tegenstelling tot Europese jurisprudentie het internationale kinderrechtenverdrag (IVRK) vanaf de conceptie toe te passen bedreigt legale abortushulpverlening in Nederland. Als de foetus van een cocaïne gebruikende vrouw beschermwaardig is voor 24 weken zwangerschapsduur, is de foetus van een ongewenst zwangere vrouw dat ook. Beschermwaardigheid is absoluut, soms of een beetje beschermwaardig bestaat niet.

 

Een gynaecologische auteur ontbreekt, informatie over de voorgeschiedenis is onduidelijk. Zijn de drie voortijdige afbrekingen eerdere abortus provocatus? Is zwangerschapsafbreking in de huidige zwangerschap overwogen en serieus besproken? Wist patiënte dat de kans op een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing van het kind vrijwel 100% zou zijn vanwege ook vermoedelijk ook onvoldoende eigen zorgcapaciteiten postpartum? Is met haar besproken dat de kans dat zij haar kind zou kunnen verzorgen vrijwel nihil is, en dat de keus voor een abortus mogelijk minder pijnlijk is dan het afstaan van een pasgeboren kind?

 

Met dit beleid belanden besluitvormingscriteria om de autonomie van de (verslaafde) zwangere niet te respecteren op een zeer zorgelijke glijdende schaal. Wie bepaalt op welke gronden acceptabilteit van risico’s?  De kans om bij een voldragen zwangerschap te sterven is vele malen groter dan door een zwangerschapsafbreking. Toch zal niemand barende vrouwen onverantwoord noemen, terwijl zij met ongeveer 20 jaarlijkse maternale sterftes een aanzienlijk risico lopen. Ook neonatale schade is, alhoewel onwenselijk,  maatschappelijk acceptabel. Denk aan (oudere) vrouwen die na vruchtbaarheidsbehandelingen premature meerlingen baren. Toch tast niemand de autonomie van deze zwangeren aan, al is de kans op neonatale schade mogelijk in de zelfde orde als bij cocaïnegebruik.

 

Als cocaïnegebruik een voldoende valide reden is om een IBS uit te spreken, wat is de volgende stap: een IBS voor de rokende of drinkende zwangere die niet wil of kan stoppen met roken of drinken? Of van de zwangere met overgewicht met een verhoogde kans op vroeggeboorte? Of van de zwangere die haar vierlingzwangerschap uitdraagt met zeer grote kans op multipele extreem premature kinderen met ernstige neonatale morbiditeit?  

 

Terecht signaleerden de hulpverleners een bedreigende situatie waar hulpverlening wenselijk is.

Echter, een IBS voor 24 weken zwangerschapsduur wegens foetale bescherming voert te ver, laakt heldere criteria, en bedreigt legale abortushulpverlening. Overigens zijn ook heldere criteria noodzakelijk voor een dergelijk besluiten na 24 weken.

 

Dr. Gunilla Kleiverda, gynaecoloog Flevoziekenhuis en voorzitter bestuur Women on Waves

Drs. Rebecca Gomperts, directeur Women on Waves

Mr. Els Swaab, adviseur Women on Waves

 

Adger
Hondius

 Wij hebben uiteraard begrip voor uw standpunt en argumenten. In uw commentaar vraagt u zich af “wat de volgende stap is, als cocaïnegebruik een voldoende valide reden is om een IBS uit te spreken: een IBS voor de rokende of drinkende zwangere die niet wil of kan stoppen met roken of drinken?” Natuurlijk hebben we die vraag ons zelf ook gesteld en concludeerden dat in het uiterste geval een rechter een besluit zal moeten nemen over de tegenstrijdige belangen. Bij dergelijke complexe vragen zal een rechter zeker rechtsbeginselen als proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid afwegen tegen de belangen van de zwangere. Ofwel zijn alle andere opties goed aangeboden en geprobeerd en leidt de dwang ook tot het doel waarvoor de dwang wordt toegepast? Het is daarmee maatwerk en niet van algemene toepassing.

In de betreffende casus waren de abortussen spontaan. Er is vanzelfsprekend een gynaecologisch consult geweest.

Wij zijn het met u eens dat in een vroeg – liefst preconceptioneel stadium- uw vragen met de (aanstaande) zwangere besproken zouden moeten worden en een aanbod tot counseling. Daarbij hoort ook de mogelijkheid van zwangerschapsafbreking en het bespreken van de grote kans op ondertoezichtstelling van de baby na de bevalling en het pijnlijke daarvan voor de moeder.

Internationale verdragen gaan weliswaar boven eigen wetgeving, tenzij daarin wordt aangegeven dat een land eigen specifieke wetgeving heeft die het anders regelt. Het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) gaat uit van bescherming vanaf conceptie. Dat laat echter onverlet het nationale recht om bij wet afbreking van de zwangerschap te regelen. M.a.w. bij een gewenste zwangerschap geldt bescherming vanaf conceptie; bij ongewenste zwangerschap geldt abortuswetgeving (en daarvoor is de 24 weken termijn richtlijn). Het IVRK verbiedt Nederland of andere verdragsstaten niet om abortus bij wet te regelen, en dat hebben we in Nederland goed gedaan.

In het geval waar we over hebben geschreven wilde de aanstaande moeder het kind graag behouden. Dan is er dus bescherming mogelijk: van vroege begeleiding tot een Bopz-maatregel, in het belang van de ongeboren baby.

Mede namens Adriaan Honig, Tineke Stikker en Hanneke Wennink.

Adger Hondius.

monique
raats

 

Graag  willen wij  collega Adger et al danken voor het heldere artikel  ‘Wet BOPZ toegepast bij vroege zwangerschap van verslaafde’.

Het onder de aandacht brengen van de actuele en ruimere juridische mogelijkheden die bestaan wanneer de aanstaande moeder de ongeborene in gevaar dreigt te brengen is van groot belang.

Dit laatste kan het geval zijn bij verslaving maar ook bij een ernstige psychiatrische stoornis die door zorgmijding van de patiënte niet adequaat behandeld kan worden.

In het Erasmus MC te Rotterdam hebben wij lange tijd ervaring met deze patiëntengroepen (ref.) waarbij de beschreven rechtsgang gevolgd wordt.

Onze ervaring is dat het vroeg vragen om een risicotaxatie door het AMK en de Raad van de  Kinderbescherming  ook kan leiden tot een  voorlopige onder toezichtstelling (VOTS) met aanstellen van een gezinsvoogd al voor de geboorte. De gezinsvoogd kan zich op dat moment naast de zwangere opstellen en wordt minder als tegenstander gezien dan bij aanstelling na de geboorte.

 

 Monique Raats, Tom Schneider

Afd Psychiatrie en Verloskunde

ErasmusMC Rotterdam

 

Referentie

Zwangere, verslaafde prostituees: soms gedwongen opname in het belang van het kind

Schneider AJ, Raats ME, Blondeau MJCE, Steegers EAP.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:1949-52

 

Adger
Hondius

Geachte collega’s Monique Raats en Tom Schneider,

 

Wij zijn verheugd met deze aanvulling. Ook in Amsterdam is de ervaring dat het al in een vroeg stadium van de zwangerschap mogelijk is om een inschatting te maken over het risico voor een bedreigde rol als aanstaande moeder (zie ook de publicatie van Bijlsma ea in het NTvG 2008,152 895-8). Aan hulpverleners betrokken bij deze kwetsbare groep zwangere vrouwen met een ernstige psychiatrische stoornis wordt daarom geadviseerd om het liefst preconceptioneel een inschatting van risico’s te maken. In een vroeg stadium van de zwangerschap kan hulp worden ingezet om de zwangere te ondersteunen in haar komende rol als moeder. Het (vroegtijdig ) inzetten van een gezinsvoogd kan daarbij inderdaad ook als steun worden ervaren. Hiermee kan veel leed voor alle betrokkenen worden bespaard.

 

Mede namens Adriaan Honig, Tineke Stikker en Hanneke Wennink

Adger Hondius, psychiater GGz Centraal.