Vóór de ebola-uitbraak

Anneke de Kok-Quoi

Anneke de Kok-Quoi woont en werkt sinds december 2003 in Liberia. In 2005 trouwde ze met Mambu Quoi, een waterputgraver. In 2008 startten ze samen de organisatie Manneka, die zich voornamelijk richt op het aanleggen en onderhouden van waterputten en latrines. Ook zijn zij actief op het gebied van ouderenzorg en kinder- en jeugdwerk. Tijdens de ebola-uitbraak delen Anneke en haar man plastic emmers met een kraantje uit, zodat Liberianen zonder stromend water hun handen kunnen wassen. En dat is essentieel in de strijd tegen ebola (anneke.mambu@gmail.com).

artikel

Wat waren we blij met ons stuk land zo’n 40 km buiten Monrovia, de hoofdstad van Liberia. Dankzij giften konden we een ‘acre’ grond kopen om onze droom te verwezenlijken: een touwpompfabriek. Regelmatig liepen we over onze ‘woestenij’ en wezen elkaar waar de gieterij kon komen. In gedachten waren we al honderden betonringen aan het maken. Een bouwtekening werd gemaakt voor een klein kantoortje en een werkplaats voor de productie van touwpompen. De tuin bij ons huurhuis in Monrovia was toch echt te klein voor al deze activiteiten.

Maar het liep anders. Begin 2014 hoorden Mambu en ik een stem in onze harten, zonder dat we dit van elkaar wisten: ‘Je weet toch dat honderden mensen in Bomi County geen water hebben? Zij moeten uren lopen om aan water te komen. Ga je nu een massaproductie opzetten van betonringen en touwpompen, en vergeet je die mensen diep in de bush? Juist nu in de droge tijd?’

Gelukkig kwamen er genoeg giften binnen van Water and Sanitation (WatSan) om 5 nieuwe waterputten te graven voordat de regentijd aanbrak. Door juist in de meest afgelegen dorpen te werken, leerden we honderden nieuwe families kennen die we op allerlei manieren probeerden te helpen. Dankzij een rolstoel van Christian Aid Ministries kon een jongen in Ngardorhum zich voor het eerst in zijn leven verplaatsen. Honderden dozen met speelgoed van ‘Actie schoenendoos’ werden vervoerd in onze trailer en bereikten kinderen die nog nooit een stukje speelgoed in hun handen hadden gehad. En dorpsoudsten kwamen vragen of we met onze kinderclubs ook hun dorpen konden bezoeken.

Een paar weken voor we het eerste kinderclubprogramma gingen draaien, hoorden we over ebola. In overleg met de medewerkers van de Beah Town Clinic besloten we om het programma toch door te laten gaan, met de nodige voorzorgsmaatregelen. Ebola heerste aanvankelijk alleen nog in het noorden van Liberia en in Guinee. De kinderclubs brachten hele dorpen op de been; iedereen deed mee aan het programma.

Maar opeens was ebola midden in Monrovia, op een paar kilometer afstand van ons huis. Chaotische dagen braken aan. Wat moesten we doen? Kunnen onze Nederlandse vrienden nog komen logeren? We lagen piekerend in bed en konden soms niet slapen: een zere keel, hoofdpijn, spierpijn. Zouden dat de eerste symptomen zijn? Welke kliniek is nog open?

Dankzij een gift kochten we een vat chlorine om waterputten te chloreren, maar ook hoorden we geruchten dat waterputten vergiftigd werden. We sloegen eten in en Mambu kocht een emmer met een kraantje om bij onze tuinpoort te zetten. ‘Anneke, de beste preventie is je handen wassen met chloorwater, we moeten een emmerproject beginnen!’ riep hij. ‘We moeten emmers kopen en deze plaatsen bij de huizen om ons heen.’

En zo begon ons emmerproject met 1 emmer die we bij onze buren plaatsten, een gezin met 6 personen.

Wat kun je tegen ebola beginnen?
Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties