Voeding en gezondheid - potentiële gezondheidsvoordelen en risico's van vegetarisme en beperkte vleesconsumptie in Nederland

Klinische praktijk
P.C. Dagnelie
Citeer dit artikel als: Ned Tijdschr Geneeskd. 2003;147:1308-13
Abstract
Download PDF

Samenvatting

- Terwijl in 1998 ruim 1 van de Nederlandse bevolking (circa 150.000 personen) naar eigen zeggen vegetariër was, was er een veel grotere groep (6, overeenkomend met circa 1 miljoen personen) die ≤ 1 maal per week vlees at.

- Vegetarisme valt uiteen in lactovegetarisme (een voeding zonder vlees en vis) en veganisme (een voeding geheel zonder dierlijke producten, dus ook zonder melkproducten en eieren).

- Uit een recente meta-analyse blijkt dat vegetariërs ten opzichte van omnivore personen een lagere sterfte aan ischemische hartziekten hebben, maar een even hoge sterfte aan kanker en totale sterfte. De belangrijkste beschermende factor lijkt niet zozeer het vermijden van rood vlees (dat rijk is aan heemijzer en verzadigd vet), maar het gebruik van voeding die rijk is aan ongeraffineerde plantaardige producten (zoals granen, groenten, fruit, noten en peulvruchten) en vis.

- Een verstandige omnivore voeding met matige hoeveelheden dierlijke producten, het deels vervangen van rood vlees door wit vlees en vis, en het gebruik van rijkelijk ongeraffineerde plantaardige producten heeft derhalve een vergelijkbaar beschermend effect als een vegetarische voeding.

- Daarentegen leidt het weglaten van vlees en vis uit de voeding tot een verhoogd risico op voedingstekorten. Met name bij een veganistische voeding bestaat een groot risico op tekorten aan vitamine B12, vitamine B2 en verschillende mineralen, waaronder calcium, ijzer en zink.

- Echter, ook een lactovegetarische voeding geeft een verhoogd risico op tekort aan vitamine B12 en mogelijk sommige mineralen, zoals ijzer.

- Recente gegevens wijzen op een te lage vitamine-B12-inname bij 5-10 van alle Nederlanders.

- In de medische praktijk dient bij mensen die ≤ 1 maal per week vlees of vis eten rekening te worden gehouden met een verhoogd risico op vitamine-B12-tekort. In twijfelgevallen is onderzoek op zijn plaats met sensitieve en specifieke deficiëntiemarkers, zoals methylmalonzuur in plasma of urine.

- Alternatieven voor vlees zijn het regelmatig eten van vis (met name vette vis is een goede bron van vitamine-B12) of het gebruik van een vitamine-B12-supplement.

In dit artikel wordt een overzicht gegeven van een aantal gezondheidseffecten van vegetarisme. Het begrip ‘vegetarisme’ heeft betrekking op het bewust uitsluiten van bepaalde dierlijke producten uit de voeding. De bekendste vormen van vegetarisme zijn het lactovegetarisme en het veganisme. Lactovegetariërs (vaak kortweg ‘vegetariërs’ genoemd) gebruiken geen producten van gedode dieren, dus geen vlees of vis, maar wel melkproducten en veelal ook eieren (vandaar ook wel de term ‘lacto-ovovegetariërs’). Veganisten sluiten de consumptie van alle dierlijke producten uit, dus ook van melkproducten en eieren. Deze definities vormen een simplificatie van de werkelijkheid, want in de praktijk kan de voeding van verschillende vegetariërs onderling sterk uiteenlopen. Ook bestaat er begripsverwarring: soms wordt de term ‘vegetariërs’ gebruikt voor mensen die weliswaar geen vlees, maar wel vis eten; voor mensen die geen rood vlees, maar wel gevogelte eten; of voor mensen die enkele dagen per week een vleesloze maaltijd gebruiken (de zogenaamde weekendvegetariërs). In de medische anamnese is dus een uitspraak van de patiënt dat hij of zij ‘vegetariër’ is weinig informatief. Voor een feitelijk beeld van de voeding van een patiënt is het nodig om verder door te vragen. (‘Eet u vlees, zo ja, hoe vaak en hoeveel?’ Evenzo voor vis, melkproducten en eieren.)

Veel aanhangers van uiteenlopende ‘alternatieve’ voedingssystemen gebruiken een (semi-)vegetarische voeding, bijvoorbeeld aanhangers van rauwkostvoeding, terwijl bij macrobiotische voeding wel vis wordt gegeten, maar vlees en vaak ook melkproducten goeddeels worden vermeden.

De motieven om te kiezen voor een vegetarische voeding kunnen variëren van gezondheidsoverwegingen tot principiële redenen. Onder deze laatste categorie vallen bijvoorbeeld godsdienstige en ethische motieven, zoals het niet willen doden van dieren of gemoedsbezwaren tegen de methoden die binnen de moderne veehouderij worden gebruikt.

frequentie van vegetarisme en vleesgebruik in nederland

Volgens cijfers van de nationale voedselconsumptiepeilingen, die sinds 1987/'88 elke 5 jaar hebben plaatsgevonden bij een representatieve steekproef van Nederlanders, ligt het percentage personen dat naar eigen zeggen vegetarisme als leefregel hanteerde in de periode 1988-1998 vrij stabiel op ruim 1 (in 1997/’98 betrof het 192.000 Nederlanders).1 Dit cijfer geeft een onvolledig beeld. De traditionele Nederlandse avondmaaltijd, bestaande uit aardappelen, groente en vlees, is namelijk sterk aan het veranderen: bij de voedselconsumptiepeiling in 1997/'98 at nog slechts 1 op de 3 ondervraagden (32) op 6-7 dagen per week vlees bij de warme maaltijd; bijna de helft (46) op 4-5 dagen per week, 16 op 2-3 dagen, en 6 ? 1 dag per week.2 Dit beeld wordt bevestigd door de tweedaagse voedingsdagboeken die in het kader van de voedselconsumptiepeiling werden ingevuld: het aantal respondenten dat op beide opschrijfdagen vlees of vis gebruikte is van 1988 tot 1998 gedaald van 61 naar 58. Hiertegenover steeg het aantal personen dat op geen van beide dagen van dit dagboek vlees gebruikte, van 7,0 in 1988 tot 8,2 in 1998: een stijging met bijna 200.000 personen in 10 jaar. Mensen die weinig of geen vlees eten, lijken sterker te zijn vertegenwoordigd onder vrouwen en jongere leeftijdsgroepen. De vroegere beperking tot personen met een relatief hoog opleidingsniveau lijkt tegenwoordig niet meer op te gaan.

Hoewel exacte cijfers over de laatste 5 jaar ontbreken, lijkt het erop dat de bovenstaande dalende tendens van de vleesconsumptie zich sinds 1998 verder heeft versterkt. Zo steeg de omzet van vleesvervangers van 2 35 miljoen in 1999 met bijna 50 naar 2 50 miljoen in het jaar daarop, om in het eerste kwartaal van 2001 opnieuw met 60 te stijgen.3 De auteurs suggereren dat opeenvolgende recente voedselschandalen (men denke aan varkenspest en vogelpest in Nederland; boviene spongiforme encefalopathie (BSE) in diverse landen; dioxinekippen in België) hierbij mogelijk een belangrijke rol hebben gespeeld.

Al met al kan op grond van bovenstaande cijfers worden geschat dat circa 3 miljoen Nederlanders ? 3 dagen per week vlees gebruiken, waarvan circa 1 miljoen ? 1 dag per week. Bij de hiernavolgende bespreking van de potentiële voor- en nadelen van een vegetarische voeding wordt daarom, behalve aan de gevolgen van een veganistische en lactovegetarische voeding, ook aandacht besteed aan potentiële consequenties van een beperkte vleesconsumptie bij deze aanzienlijke bevolkingsgroep.

heeft vegetarisme een gunstig effect op de gezondheid?

Er bestaat een groeiende wetenschappelijke interesse in de gezondheidseffecten van vegetarische voeding, waarbij het thema is verschoven van gezondheidsrisico's in de jaren tachtig van de vorige eeuw naar preventieve en therapeutische effecten.4 Een recent overzicht is te vinden in de proceedings van het derde internationale congres over vegetarische voeding.5 Deze wetenschappelijke interesse is vooral gestimuleerd door onderzoeksresultaten die wezen op een lagere sterfte aan onder meer hart- en vaatziekten en colonkanker bij vegetariërs ten opzichte van niet-vegetariërs (veelal personen uit de gemiddelde bevolking, dus met een relatief ongezonde ‘westerse’ leefstijl). Uit een recente meta-analyse op basis van 5 grote cohortstudies in de Verenigde Staten, Engeland en Duitsland (totale populatie: 76.172 volwassenen; gemiddelde follow-upduur: 10,6 jaar) bleek dat na correctie voor leeftijd, geslacht, roken (en voor sommige studies alcoholgebruik, opleidingsniveau, lichamelijke activiteit en obesitas) de sterfte aan ischemische hartziekten bij vegetariërs significant lager was dan bij niet-vegetariërs.6 Echter, deze lagere sterfte werd ook gevonden bij viseters en mensen die af en toe (6 Opmerkelijk was verder dat de genoemde verschillen alleen aanwezig waren bij personen die al meer dan 5 jaar een vegetarische voeding gebruikten, terwijl bij personen die dat minder dan 5 jaar deden de totale sterfte juist significant hoger was (deze tendens bestond niet alleen voor de totale sterfte, maar ook voor 6 van de 8 onderzochte afzonderlijke doodsoorzaken).

Aangezien de gemiddelde voeding van vegetariërs in vele opzichten verschilt van de gemiddelde (ongezonde) westerse voeding, rijst de vraag aan welke voedingsfactoren de hierboven beschreven verschillen kunnen worden toegeschreven: gaat het om het vermijden van vlees of juist om een verhoogde consumptie van beschermende voedingsstoffen? Rood vlees, dat rijk is aan verzadigd vet en heemijzer, zou een mogelijke risicofactor voor hart- en vaatziekten en kanker kunnen zijn, echter, kip (wit vlees) en vis (met name vette vis) lijken juist een beschermend effect uit te oefenen.7 Belangrijker dan het mogelijke schadelijke effect van vlees lijkt dan ook het beschermende effect van ongeraffineerde plantaardige producten, zoals granen, groenten, fruit, noten en peulvruchten, die door veel vegetariërs in grotere mate worden gegeten.7 Bekende kandidaatstoffen voor dit effect zijn onder meer vezel, foliumzuur, carotenoïden, vitamine C en andere bio-actieve plantaardige stoffen, zoals (iso)flavonoïden, saponinen en terpenen.

Volgens de huidige stand van kennis lijkt het weglaten van vlees dus niet de belangrijkste factor die een betere gezondheid van vegetariërs ten opzichte van mensen met een gemiddelde westerse voeding kan verklaren. Naar alle waarschijnlijkheid kan een verstandige omnivore voeding met matige consumptie van vlees en geraffineerde producten, gedeeltelijke vervanging van rood vlees door wit vlees en (met name vette) vis, en een verhoogde consumptie van granen, groenten, fruit, noten en peulvruchten tot een vergelijkbare bescherming leiden, wellicht zelfs tot een hogere. In tegenstelling tot populaire opvattingen, lijken ook sportprestaties van vegetariërs niet beter of slechter dan die van omnivore sporters, indien gecontroleerd wordt voor koolhydraatinname.8

risico's van vegetarische voeding en van de dalende vleesconsumptie in nederland

Tegenover de hierboven beschreven potentiële gezondheidsvoordelen van een hogere consumptie van plantaardige producten, staat een verhoogd risico op voedingsdeficiënties bij mensen met een vegetarische voedingswijze. Risicogroepen zijn vooral personen met een verhoogde behoefte, zoals jonge kinderen, adolescenten, vrouwen op vruchtbare leeftijd en ouderen, evenals personen met darm- en stofwisselingsziekten. Algemeen bekend is dat een veganistische voeding leidt tot een lage inname van eiwit en de vitaminen B2 en B12; door lagere gehalten en minder goede absorptie van mineralen en spoorelementen uit plantaardige producten bestaat tevens een verhoogd risico op tekorten aan onder meer calcium, ijzer, zink en selenium. Talrijke berichten over voedingsdeficiënties bij veganisten zijn gepubliceerd. In het tot dusverre enige populatieonderzoek bij jonge kinderen met een veganistische voeding (tevens zonder vitamine-D-suppletie) werden een sterk vertraagde groei en psychomotorische ontwikkeling aangetroffen als gevolg van tekorten aan energie en eiwit, evenals deficiënties van vitamine D, calcium, ijzer, vitamine B2 en vitamine B12.9-12 De risico's van een lactovegetarische voeding zijn kleiner, maar niet verwaarloosbaar; de belangrijkste risiconutriënten zijn hier vitamine B12 en mogelijk ijzer.13 Neurologische gevolgen van een tekort aan vitamine B12 bij lactovegetarische adolescenten, die in hun vroege jeugd veganistisch waren gevoed, zijn recent beschreven.14 15

Wat zijn nu de gevolgen van de daling van het vleesgebruik zoals wij deze in Nederland recent waarnemen? Een algemene, geleidelijke daling van de vleesconsumptie zou uit oogpunt van de volksgezondheid gunstig zijn, aangezien vlees (samen met melkproducten) de voornaamste bron van verzadigd vet vormt. Echter, uit de hierboven gepresenteerde cijfers blijkt dat nu vooral een subgroep binnen de totale bevolking bewust kiest voor een sterke beperking van de vleesconsumptie, terwijl het grootste deel van de bevolking het huidige, hoge consumptieniveau van vlees lijkt te handhaven. Hieronder ga ik in op de gevolgen van de scherp dalende vleesconsumptie bij bepaalde bevolkingsgroepen voor de vitamine-B12-voorziening.

vitamine b12: metabolisme en gevolgen van deficiëntie

Hoewel al sinds 1926 bekend is dat consumptie van lever effectief is ter behandeling van pernicieuze anemie, is vitamine B12 of cobalamine pas in 1948 geïsoleerd, als laatste vitamine. Cobalamine en de stoffen die hierop qua structuur lijken, worden aangeduid met de verzamelnaam ‘corrinoïden’; ze worden uitsluitend geproduceerd door bacteriën en komen vanhieruit in de voedselketen terecht. Alleen cobalamine zelf bezit voor de mens vitamine-B12-activiteit; de niet-actieve corrinoïden worden ook ‘analogen’ genoemd. In tegenstelling tot oudere berichten waarin gebruik werd gemaakt van microbiële bepalingsmethoden (meestal met behulp van Lactobacillus leichmannii), die deels ook analogen meten, is in nieuwere analysen geen werkzame vitamine B12 in plantaardige voedingsmiddelen aangetroffen (zie verderop).

Een voldoende toevoer van cobalamine is essentieel voor de bloedvorming en voor een normale neurologische functie.16 Cobalamine dient als cofactor voor 2 enzymen: methioninesynthase en methylmalonylcoënzym-A-dismutase (figuur). Deficiëntie leidt tot verhoogde bloedwaarden van homocysteïne en methylmalonzuur. Alleen een verhoogde methylmalonzuurspiegel in bloed en urine is een sensitieve en specifieke maat voor vitamine-B12-tekort, terwijl hyperhomocysteïnemie ook het gevolg kan zijn van foliumzuurtekort (zie de figuur).

Cobalamine en andere corrinoïden zijn in het bloed gebonden aan de transporteiwitten transcobalamine II (TCII) en haptocorrine. TCII is de enige vorm die een hoge bindingsspecificiteit heeft voor cobalamine en die cobalamine aan de weefsels afgeeft. Echter, slechts circa 10-20 van het cobalamine in bloed is aan TCII gebonden. Haptocorrine bindt, naast de overige 80-90 van cobalamine, ook andere corrinoïden en draagt via de enterohepatische kringloop bij aan uitscheiding van (potentieel schadelijke) analogen via de feces. De totale lichaamsvoorraad van vitamine B12 wordt geschat op 2-3 mg; verlies vindt voornamelijk plaats via de feces en bedraagt circa 0,1 van de lichaamsvoorraad, maar kan bij suboptimale resorptie (bijvoorbeeld bij pernicieuze anemie) oplopen tot 0,2. Vitamine-B12-tekort kan sluipend, over jaren, ontstaan. Een verlaagde concentratie van holo-TCII (dit is het gedeelte van TCII in het bloed waaraan cobalamine gebonden is) wordt beschouwd als het eerste teken van vitamine-B12-tekort;16 deze bepaling is echter nog niet routinematig beschikbaar.

vitamine-b12-tekort als gevolg van beperking van het vleesgebruik

Het is nauwelijks bekend dat behalve een veganistische ook een lactovegetarische voeding kan leiden tot vitamine-B12-tekort. Dat de vitamine-B12-waarden in bloed van lactovegetariërs lager zijn dan bij omnivore personen was al langer bekend, en ook wezen oudere studies op een relatieve verhoging van de ‘mean corpuscular volume’(MCV)-waarde bij lactovegetariërs ten opzichte van omnivore controlepersonen.17 Recent zijn ook verhoogde methylmalonzuur- en homocysteïneconcentraties in het bloed van lactovegetariërs aangetroffen, die wijzen op een functioneel vitamine-B12-tekort.18-21

In de tabel staat een overzicht van de geschatte vitamine-B12-inname door volwassenen bij verschillende niveaus van consumptie van vlees en overige dierlijke producten, uitgaande van cijfers uit de nationale voedselconsumptiepeiling.1 Hieruit blijkt dat de aanbevolen hoeveelheid vitamine B12 van 2,8 ?g/dag alleen wordt bereikt indien men 2-3 maal per week vlees eet, tenzij zeer rijkelijk melkproducten (> 3 glazen per dag) en kaas (> 2 plakken per dag) worden gebruikt. Het merendeel van de 6 van de Nederlandse bevolking (circa 1 miljoen personen) die ? 1 keer per week vlees eet, zal dus niet de aanbevolen vitamine-B12-hoeveelheid innemen. Een modelberekening op basis van percentielwaarden van de feitelijke consumptie van vlees en overige dierlijke producten uit de voedselconsumptiepeiling 1997/'981 versterkt dit beeld: naar schatting 10 van de Nederlandse vrouwen en 5 van de mannen haalt de aanbevolen hoeveelheid vitamine B12 voor de betreffende leeftijdsgroep niet. De dalende vleesconsumptie in Nederland leidt dus inderdaad tot een verhoogd risico op vitamine-B12-tekort.

hoe betrouwbaar zijn de beschikbare vitamine-b12-analysen?

Bij de bovenstaande zorgwekkende cijfers komt nog een extra probleem: de vitamine-B12-cijfers uit voedingsmiddelentabellen moeten met de nodige reserve worden beschouwd, niet alleen omdat veel cijfers nog gebaseerd zijn op (verouderde) microbiële analysemethoden, maar vooral omdat ook het moderne radio-immunoassay niet geheel specifiek is voor werkzame vitamine B12 maar ook analogen meet. Indien algen waarin met behulp van het radio-immunoassay vitamine B12 was gevonden, door vitamine-B12-deficiënte kinderen werden gegeten, leidde dit weliswaar tot stijging van (met hetzelfde radio-immunoassay gemeten) spiegels van ‘schijnbare vitamine B12’ in het bloed, maar niet tot correctie van abnormaal verhoogde MCV-waarden als functionele marker van vitamine-B12-deficiëntie.23 Verder werd bij de moeders van deze (volledig gezoogde) vitamine-B12-deficiënte kinderen ook in moedermelk een hoge waarde aan ‘schijnbare vitamine B12’ aangetroffen; gezien de bestaande deficiëntie bij de kinderen kan het hierbij niet om echt werkzame vitamine B12 gaan, maar alleen om analogen, hetgeen goed mogelijk is gezien de hoge consumptie van algen en andere plantaardige bronnen van analogen door deze moeders. Als dit voor moedermelk het geval is, kan hetzelfde fenomeen in versterkte mate optreden bij koemelk, gezien de enorme bacterieflora in de pens van herkauwers. Dit zou mede kunnen verklaren waarom vitamine-B12-tekort soms ook wordt aangetroffen bij lactovegetariërs die volgens de huidige berekeningen voldoende vitamine B12 uit melkproducten zouden moeten consumeren.

conclusie

Vegetarische voedingswijzen lijken bij te kunnen dragen aan de preventie van hart- en vaatziekten, maar niet van kanker. Beschermend lijkt vooral een verhoogde inname van beschermende plantaardige stoffen, zodat met een verstandige omnivore voeding (gedeeltelijke vervanging van vlees door vis, verhoogde consumptie van granen, groenten, fruit et cetera) waarschijnlijk hetzelfde effect bereikt kan worden. Daarentegen brengt een voeding met weinig of geen vlees risico's met zich mee voor een tekort aan essentiële voedingsstoffen, met name vitamine B12. Het toenemende aantal Nederlanders dat vlees geheel of grotendeels van het menu schrapt, vormt in dit opzicht een reden tot zorg. Meer onderzoek naar de gevolgen van de dalende vleesconsumptie bij risicogroepen, met name jonge kinderen en zwangeren, is dringend gewenst. Voor de medische praktijk dient men bij mensen met een vleesconsumptie van ? 1 maal per week in versterkte mate met het risico van vitamine-B12-tekort rekening te houden. In twijfelgevallen is onderzoek op zijn plaats, indien mogelijk met bepaling van methylmalonzuur in bloed of urine als sensitieve en specifieke marker voor functionele vitamine-B12-deficiëntie. Alternatieven voor vlees zijn het regelmatig eten van vis (met name vette vis is een goede bron van vitamine-B12) of het gebruik van een vitamine-B12-supplement.

Mw.N.Wijckmans, diëtist, en dr.ir.M.C.J.M.van Dongen, voedingskundige-epidemioloog, boden assistentie bij de berekeningen van vitamine-B12-inname uit de nationale voedselconsumptiepeilingen.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur

  1. Voedingscentrum. Zo eet Nederland. Resultaten van deVoedselconsumptiepeiling 1997-1998. Den Haag: Voedingscentrum;1998.

  2. Dooren-Flipsen MMH van, Donkersgoed G van, Klaveren JDvan. ANI-voedselfrequentievragenlijst 97/98: 1. Blootstelling aan dioxinenvia de voeding, 2. Rapportage consumptiegegevens. Rapportnr 99.004.Wageningen: Dienst Landbouwkundig Onderzoek, Rijks-kwaliteitsinstituut voorland- en tuinbouwproducten (RIKILT-DLO); 1999.

  3. Padding M. Vraag naar vleesvervangers neemt explosief toe.Betrouwbaar en gezond. Grootkeuken 2001;21:31-2.

  4. Sabate J, Duk A, Lee CL. Publication trends of vegetariannutrition articles in biomedical literature, 1966-1995. Am J Clin Nutr 1999;70(3 Suppl):601S-7S.

  5. Johnston PK, Sabete J, editors. Proceedings of the thirdinternational congress on vegetarian nutrition. Am J Clin Nutr 1999;70 (3Suppl):429S-634S.

  6. Key TJ, Fraser GE, Thorogood M, Appleby PN, Beral V,Reeves G, et al. Mortality in vegetarians and non-vegetarians: acollaborative analysis of 8300 deaths among 76,000 men and women in fiveprospective studies. Public Health Nutr 1998;1:33-41.

  7. Willett WC. Convergence of philosophy and science: thethird international congress on vegetarian nutrition. Am J Clin Nutr1999;70(3 Suppl):434S-8S.

  8. Nieman DC. Physical fitness and vegetarian diets: is therea relation? Am J Clin Nutr 1999;70(3 Suppl):570S-5S.

  9. Dagnelie PC, Staveren WA van, Vergote FJ, Dingjan PG, BergH van den, Hautvast JG. Increased risk of vitamin B-12 and iron deficiency ininfants on macrobiotic diets. Am J Clin Nutr 1989; 50:818-24.

  10. Dagnelie PC, Staveren WA van, Vergote FJ, Hautvast JG.Voedingsinterventie en follow-up bij macrobiotisch gevoede kinderen van 1-2jaar. Ned Tijdschr Geneeskd1990;134:341-5.

  11. Dagnelie PC, Vergote FJ, Staveren WA van, Berg H van den,Dingjan PG, Hautvast JG. High prevalence of rickets in infants on macrobioticdiets. Am J Clin Nutr 1990;51:202-8.

  12. Dagnelie PC, Staveren WA van. Macrobiotic nutrition andchild health: results of a population-based, mixed-longitudinal cohort studyin the Netherlands. Am J Clin Nutr 1994;59(5 Suppl):1187S-96S.

  13. Ball MJ, Bartlett MA. Dietary intake and iron status ofAustralian vegetarian women. Am J Clin Nutr 1999;70:353-8.

  14. Louwman MW, Dusseldorp M van, Vijver FJ van de, ThomasCM, Schneede J, Ueland PM, et al. Signs of impaired cognitive function inadolescents with marginal cobalamin status. Am J Clin Nutr2000;72:762-9.

  15. Dusseldorp M van, Schneede J, Refsum H, Ueland PM, ThomasCM, Boer E de, et al. Risk of persistent cobalamin deficiency in adolescentsfed a macrobiotic diet in early life. Am J Clin Nutr1999;69:664-71.

  16. Herbert VD, Colman N. Folic acid and vitamin B12. In:Shils ME, Young VR, editors. Modern nutrition in health and disease. 7th ed.Philadelphia: Lea & Febiger; 1988. p. 388-416.

  17. Armstrong BK, Davis RE, Nicol DJ, Merwyk AJ van, LarwoodCJ. Hematological, vitamin B 12, and folate studies on Seventh-day Adventistvegetarians. Am J Clin Nutr 1974;27:712-8.

  18. Hokin BD, Butler T. Cyanocobalamin (vitamin B-12) statusin Seventh-day Adventist ministers in Australia. Am J Clin Nutr 1999; 70(3Suppl):576S-8S.

  19. Mezzano D, Munoz X, Martinez C, Cuevas A, Panes O, ArandaE, et al. Vegetarians and cardiovascular risk factors: hemostasis,inflammatory markers and plasma homocysteine. Thromb Haemost1999;81:913-7.

  20. Refsum H, Yajnik CS, Gadkari M, Schneede J, Vollset SE,Orning L, et al. Hyperhomocysteinemia and elevated methylmalonic acidindicate a high prevalence of cobalamin deficiency in Asian Indians. Am JClin Nutr 2001;74:233-41.

  21. Hermann W, Schorr H, Purschwitz K, Rassoul F, Richter V.Total homocysteine, vitamin B12, and total antioxidant status in vegetarians.Clin Chem 2001;47:1094-101.

  22. Gezondheidsraad. Voedingsnormen: vitamine B6, foliumzuuren vitamine B12 (rapportnr 2003/04). Den Haag: Gezondheidsraad;2003.

  23. Dagnelie PC, Staveren WA van, Berg H van den. VitaminB-12 from algae appears not to be bioavailable. Am J Clin Nutr1991;53:695-7.

Auteursinformatie

Universiteit Maastricht, capaciteitsgroep Epidemiologie, Postbus 616, 6200 MD Maastricht.

Contact Dr.ir.P.C.Dagnelie

Reacties