Veroudering bij mensen met een verstandelijke handicap.

Media
M.A. Maaskant
M.J. Haveman
H.M.J. van Schrojenstein Lantman-de Valk
H.F.J. Urlings
M. van den Akker
A.G.H. Kessels
H.M. Evenhuis
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1995;139:1513
Download PDF

M.A.Maaskant, M.J.Haveman, H.M.J.van Schrojenstein Lantman-de Valk, H.F.J.Urlings, M.van den Akker en A.G.H.Kessels, Veroudering bij mensen met een verstandelijke handicap. Verslag van een longitudinaal onderzoek. 192 bl., fig., tabellen. Vakgroep Epidemiologie, Rijksuniversiteit Limburg, MaastrichtStichting Pepijnklinieken, Echt 1995. ISBN 90-74130-15-1. Prijs: ingen. ƒ 39,50. (Te bestellen bij de Rijksuniversiteit Limburg, Vakgroep Epidemiologie, t.a.v. dr.M.J.Haveman, Postbus 616, 6200 MD Maastricht.)

Dit, ook voor methodologisch ongeschoolden, goed leesbare boek bevat de resultaten van een 3-jarig onderzoek, uitgevoerd door medewerkers van de Stichting Pepijnklinieken te Echt en de vakgroep Epidemiologie van de Rijksuniversiteit Limburg in opdracht van het toenmalige ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Vrijwel alle inrichtingen en gezinsvervangende tehuizen voor verstandelijk gehandicapten in Noord-Brabant en Limburg verleenden hun medewerking. Omdat de primaire opdracht was zorgzwaarte en zorgaanbod in relatie tot veroudering in kaart te brengen, hebben de resulterende medisch-epidemiologische gegevens, niet onderbouwd met gestandaardiseerde definities en diagnostische criteria, slechts globale betekenis. Duidelijk blijkt dat de zorgbehoefte bij mensen met een verstandelijke handicap door andere oorzaken dan het syndroom van Down toeneemt vanaf de leeftijd van 70 jaar. Ook de diepte-interviews die de pyscholoog Urlings et al. afnamen bij verstandelijk gehandicapte personen tonen dat men zich pas na het 70e jaar ‘oud gaat voelen’. Er lijkt dan ook weinig reden te zijn om vast te houden aan het binnen de zorg voor verstandelijk gehandicapten algemeen gehanteerde concept van vroegtijdige veroudering, hoewel de auteurs dit wel blijven doen. Ook het patroon van chronische ouderdomsaandoeningen en overlijdensdiagnosen komt globaal overeen met dat in de algemene populatie. Mensen met het syndroom van Down zijn een uitzonderingsgroep: zij gaan reeds vanaf de leeftijd van 40 à 50 jaar functioneel achteruit. Zoals reeds eerder bekend was, komen in deze groep veel extra aandoeningen voor, toenemend met de leeftijd, zoals dementie, zintuigstoornissen en schildklierfunctiestoornissen. De in alle leeftijdsgroepen gevonden hoge frequenties van visus- en gehoorstoornissen komen overeen met de literatuurgegevens over verstandelijke handicaps. In tegenspraak met deze bevindingen zijn de geringe percentages verstandelijk gehandicapten die worden verwezen naar oogarts, KNO-arts en audioloog. Terecht wordt dan ook het belang van actieve diagnostiek en behandeling van zintuigstoornissen benadrukt. De door de Nederlandse Vereniging van Artsen in de Zwakzinnigenzorg (NVAZ) ontwikkelde richtlijnen voor vroege opsporing en behandeling van zintuigstoornissen sluiten aan op deze tendens. Ook dit onderzoek toont weer de hoge frequentie van psychiatrische stoornissen en gedragsstoornissen in alle leeftijdsgroepen.

De uitkomsten van het onderzoek zijn, zoals ook de opzet was, in de eerste plaats van belang als onderbouwing voor het zorgmanagement: bejegening, inrichting van de woonomgeving, geschikte dagopvang, personeelsplanning. Het boek geeft geen wezenlijk nieuwe medisch-epidemiologische gezichtspunten, maar het biedt een kwantitatief overzicht van de gezondheidstoestand van mensen met een verstandelijke handicap.

Gerelateerde artikelen

Reacties