'Verkorte vermoeidheidsvragenlijst': een praktisch hulpmiddel bij het scoren van vermoeidheid

Onderzoek
M. Alberts
E.M.A. Smets
J.H.M.M. Vercoulen
B. Garssen
G. Bleijenberg
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:1526-30
Abstract
Download PDF

Samenvatting

De ‘Verkorte vermoeidheidsvragenlijst’ (VVV) is een kort, betrouwbaar en eenvoudig te gebruiken instrument ter bepaling van de intensiteit van de lichamelijke vermoeidheid van de patiënt. Hij bestaat uit 4 vragen waarbij de patiënt een kruisje moet zetten op een 7-puntsschaal (‘ik voel me moe’, ‘ik ben gauw moe’, ‘ik voel me fit’ en ‘lichamelijk voel ik me uitgeput’). Daarna kan de arts een totaalscore berekenen en die vergelijken met de score in normgroepen (genormeerd wat betreft belasting). Het invullen is eenvoudig en gaat snel. De VVV is een welkome aanvulling in de dagelijkse medische praktijk en in klinisch wetenschappelijk onderzoek bij de beoordeling van vermoeidheidsklachten.

Inleiding

Vermoeidheid is een universeel en alledaags verschijnsel. Epidemiologische onderzoeken geven een hoge prevalentie aan van vermoeidheid in de normale populatie en in de eerstelijnsgezondheidszorg.1 In de huisartspraktijk staan vermoeidheidsklachten op de derde plaats van de lijst met de meest gerapporteerde problemen.2 In ernstige vorm kan vermoeidheid vóórkomen als symptoom van somatische aandoeningen (kanker, multiple sclerose of hartziekte), van psychologisch disfunctioneren (depressie) en van stressreacties, of als hoofdklacht zonder duidelijke oorzaak (chronische-vermoeidheidsyndroom). Ook als bijwerking van medicatie of therapie kan vermoeidheid ontstaan. Artsen moeten dus regelmatig de ernst van deze subjectieve klacht inschatten. Het belang van een adequate beoordeling van vermoeidheidsklachten mag blijken uit de voorspellende waarde van vermoeidheid voor het ontstaan van andere klachten of ziekteconsequenties, zoals een toegenomen gebruik van medische voorzieningen,3 of werkverzuim.

Zelfs voor een ervaren arts is het moeilijk te beoordelen hoe vermoeid een patiënt is vergeleken met andere patiënten; immers, een in de dagelijkse medische praktijk hanteerbaar criterium is niet voorhanden. Voor wetenschappelijke doeleinden zijn twee Nederlandstalige vermoeidheidsvragenlijsten beschikbaar. De ‘Checklist individuele spankracht’ (CIS)4 en de ‘Multidimensionele vermoeidheidsindex’ (MVI)5 zijn nuttige instrumenten gebleken die hebben geleid tot meer inzicht in de aard van vermoeidheid en de processen die daaraan ten grondslag liggen. Voor de dagelijkse medische praktijk zijn beide vragenlijsten door hun lengte en ingewikkelde scoring van meerdere subschalen onbruikbaar. Er is derhalve behoefte aan een kort en eenvoudig instrument dat de intensiteit van de door de patiënt ervaren lichamelijke vermoeidheid adequaat weergeeft.

Daarom hebben wij, uitgaande van de genoemde twee vermoeidheidsvragenlijsten, de ‘Verkorte vermoeidheidsvragenlijst’ (VVV) ontwikkeld. Op basis van bestaande gegevens bij 1772 respondenten in 6 verschillende onderzoeksgroepen hebben wij met behulp van statistische technieken een set van 4 items geselecteerd die aan de volgende voorwaarden voldoet: (a) hij heeft een uitstekende betrouwbaarheid (Cronbach-?: 0,88); (b) hij kan onderscheid maken tussen patiëntengroepen en gezonde controlepersonen. Gekozen is voor een vormgeving die zowel in klinisch wetenschappelijk onderzoek als in de dagelijkse medische praktijk gemakkelijk gehanteerd kan worden.

In dit artikel beschrijven wij de VVV en gaan wij in op de items, de instructie, de afname en de scoring. Tevens worden normgegevens gepresenteerd van zowel patiëntengroepen als gezonde controlepersonen en worden de toepassingsmogelijkheden en de beperkingen van de VVV besproken.

Verkorte vermoeidheidsvragenlijst

Items en instructie

De VVV bestaat uit 4 vragen waarmee de enkelvoudige dimensie ‘lichamelijke vermoeidheid’ wordt gemeten; de lijst helpt om de intensiteit van deze vermoeidheid vast te stellen (figuur). De klachten zijn geen bijverschijnselen of gevolgen van vermoeidheid, maar ze vormen zelf de kern van de door de patiënt ervaren vermoeidheid. Het duidelijkst wordt deze dimensie vertegenwoordigd door de items ‘ik voel me moe’ en ‘lichamelijk voel ik me uitgeput’. Het positief geformuleerde item ‘ik voel me fit’, dat hetzelfde aspect vanuit het gezichtspunt van gezondheid benadert, sluit nauw hierbij aan. Inhoudelijk gezien voegt het item ‘ik ben gauw moe’ iets extra's toe doordat het ingaat op de hoeveelheid belasting die iemand denkt aan te kunnen in verband met zijn of haar vermoeidheid.

In de instructie wordt gevraagd naar de vermoeidheid over de afgelopen twee weken. Informatie over een tweeweekse periode is betekenisvoller dan die over een kortere of langere periode. Vragen naar vermoeidheid over een langere periode zou de betrouwbaarheid van de antwoorden en daarmee van de vragenlijst kunnen aantasten, omdat de gebeurtenissen in een langere periode voor patiënten moeilijker zijn te reproduceren. Vragen naar vermoeidheid over een kortere periode (bijvoorbeeld de laatste dagen of uren) is alleen zinvol als men een momentane toestand wil beoordelen, hetgeen in de dagelijkse medische praktijk meestal niet, maar in klinisch wetenschappelijk onderzoek soms wel nuttig is.

Afname en scoring

Bij de ontwikkeling van dit instrument werd speciale aandacht besteed aan de hanteerbaarheid voor zowel de arts als de patiënt. De VVV bestaat uit twee vellen. Op het voorste vel (zie figuur a), de eigenlijke vragenlijst, beantwoordt de patiënt de 4 items over vermoeidheid gedurende de laatste twee weken. De antwoorden drukken door op het onderliggende scoringsformulier (zie figuur b), waar de arts de score per item – variërend van 1 tot en met 7 – kan aflezen. Om een hogere score te laten corresponderen met sterkere vermoeidheid zijn de items 1, 2 en 4 gespiegeld: ‘nee, dat klopt niet’ heeft de score 1 en ‘ja, dat klopt’ de score 7. Door de score van de 4 items op te tellen berekent men de VVV-totaalscore. Deze kan variëren van minimaal 4 tot maximaal 28. Naast de totaalscore kunnen andere gegevens worden ingevuld, zoals de hoofdklacht en de diagnose die gesteld is bij de patiënt. De gehele afname neemt hooguit enkele minuten in beslag.

Normgegevens

De normgegevens zijn op het scoringsformulier vermeld (zie figuur b). Bij de samenstelling van de normen zijn gegevens van zowel gezonde controlepersonen als patiëntengroepen gehanteerd. Ook is binnen bepaalde groepen onderscheid gemaakt naar de mate van belasting (normaal versus zwaar) waaraan de normpersonen onderhevig waren: gezonde volwassenen (n = 51); studenten onder normale omstandigheden of direct na de zomervakantie (n = 614) en studenten na een wekenlang intensief onderwijsprogramma (n = 157); militairen in de kazerne (n = 163) en militairen halverwege de tweede week van een zware veldoefening (n = 163); kankerpatiënten onder behandeling bij de afdeling Radiotherapie (n = 209); patiënten met functionele buikklachten (n = 83); patiënten met multiple sclerose (n = 48); en patiënten die voldeden aan de criteria voor chronische-vermoeidheidsyndroom (n = 445). Een uitgebreidere beschrijving van deze steekproeven en de wijze van gegevensverzameling is eerder gepubliceerd.4-8

Per normgroep zijn in de figuur de gemiddelde leeftijd en de normscores weergegeven. Gekozen is voor een 5-puntsnormeringsschaal met de volgende klassen: laag – beneden gemiddeld – gemiddeld – boven gemiddeld – hoog. Deze klassen zijn gebaseerd op de volgende percentielscores: laag (P0-P10); beneden gemiddeld (P10-P33); gemiddeld (P33-P66); boven gemiddeld (P66-P90); hoog (P90-P100). Dit betekent dat de normscore voor de klasse ‘laag’ gebaseerd is op de 10 laagst scorende personen uit de betreffende groep en de normscore voor de klasse ‘hoog’ op de 10 hoogst scorende. Op vergelijkbare wijze is de klasse ‘gemiddeld’ gebaseerd op eenderde van de personen die scoren tussen het 33e en het 66e percentiel.

De VVV-scores werden onderzocht op samenhang met biografische gegevens. In geen van de groepen was er een significante samenhang met de leeftijd. Vrouwen scoorden significant hoger dan mannen in de groepen ‘normaal belaste studenten’ (respectieve scores 13,0 en 11,8; p = 0,035), ‘zwaarbelaste studenten’ (15,9 en 12,8; p = 0,004), en ‘patiënten met functionele buikklachten’ (20,3 en 14,6; p = 0,001). In de overige groepen werden geen sekseverschillen gevonden. Het was dus voorbarig om in de normgegevens onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.

Toelichting bij het gebruik van de normgegevens

Benadrukt dient te worden dat op basis van VVV-scores alleen geen diagnosen kunnen worden gesteld. De score van een patiënt op de VVV kan vergeleken worden met die van diverse normgroepen. Bijvoorbeeld, wanneer blijkt dat de patiënt onlangs een studie heeft afgemaakt of een verbouwing aan zijn huis heeft voltooid, is dit een reden om als normgroep gezonden onder zware omstandigheden te kiezen in plaats van een van de patiëntengroepen. Zo kan het gebeuren dat een score bij de ene patiënt als ‘hoog’ gekwalificeerd wordt, terwijl dezelfde score bij een andere patiënt als ‘gemiddeld’ uit de bus komt.

Beschouwing: mogelijkheden en beperkingen

De VVV blijkt in de dagelijkse medische praktijk goed hanteerbaar. De ervaringen die tot nu toe zijn opgedaan door diverse artsen in een huisartspraktijk en op de polikliniek Inwendige Geneeskunde in ons ziekenhuis leren dat patiënten over het algemeen weinig moeite hebben met het zelfstandig en correct invullen van de VVV. Artsen kunnen op eenvoudige wijze een betrouwbare vermoeidheidsscore berekenen. Hierbij is de beschikbaarheid van normgegevens een belangrijk voordeel van de VVV; die gegevens bieden een ruim referentiekader waarbinnen de klacht kan worden bezien. De mogelijkheid tot herhaalde metingen biedt de arts de gelegenheid veranderingen in moeheid te registreren. Te denken valt aan de beoordeling van effecten van medicatie of aan het volgen van het ziektebeloop. De VVV kan bijvoorbeeld gebruikt worden als een hulpmiddel bij het stellen van de diagnose ‘chronische-vermoeidheidsyndroom’.9

De VVV biedt een aantal voordelen in vergelijking met een ander veel gehanteerd meetinstrument, een visuele analoge schaal (VAS). Dit is een lijn van 100 mm met aan weerszijden uiterste aanduidingen (‘niet moe’ en ‘zeer moe’), waarop de patiënt een kruisje dient te zetten. Een probleem is dat er voor een VAS-schaal geen gestandaardiseerde instructie bestaat om vermoeidheid te meten. Het is bekend dat patiënten doorgaans veel uitleg nodig hebben bij het invullen van dit type schalen.1011 Voorts is door het ontbreken van normen bij VAS-waarden een vergelijking met andere personen niet goed mogelijk. Veranderingen in vermoeidheid worden bij het gebruik van de VAS uitgedrukt in mm, terwijl een patiënt op de VVV bij een bepaalde normgroep een verbetering kan vertonen bij overgang van een vermoeidheidsscore ‘hoog’ naar ‘gemiddeld’. Dit laatste is voor de arts een veel inzichtelijker gegeven dat beter aansluit bij de beoordeling van de vermoeidheid van de individuele patiënt. De genoemde bezwaren tegen de VAS gelden in nog sterkere mate voor vermoeidheidsvragen die de arts zelf bedenkt.

Een toepassing in het kader van klinisch wetenschappelijk onderzoek is het gebruik van de VVV als uitkomstmaat in klinische trials bij patiëntengroepen waarin vermoeidheid een belangrijke rol speelt. Omdat vermoeidheid directe gevolgen voor de kwaliteit van leven heeft, kan de VVV ook gebruikt worden in onderzoeken waarin de kwaliteit van leven centraal staat. Ter bepaling van momentane vermoeidheid, bijvoorbeeld ten gevolge van kortdurende ziekte of van inspanning, kan men de instructie van de VVV aanpassen door bijvoorbeeld te vragen hoe de patiënt zich de laatste dagen heeft gevoeld in plaats van de laatste twee weken. Wie de gevolgen van vermoeidheid voor het activiteitenniveau of de concentratie wenst te bepalen, wordt geadviseerd de oorspronkelijke subschalen van de vermoeidheidsvragenlijst te gebruiken. Deze aspecten zijn niet opgenomen in de VVV. De onderzoeksgroepen waarop de verkorting werd gebaseerd, waren over het algemeen relatief jong. Normen voor oudere patiëntengroepen en oudere gezonde controlepersonen ontbreken nog. Aanvullende gegevens op dit punt zijn gewenst.

Het onderzoek werd mede mogelijk gemaakt door een subsidie van het Prinses Beatrixfonds en de Stichting Nationaal Reumafonds.

Literatuur
  1. Lewis G, Wessely S. The epidemiology of fatigue: morequestions than answers. J Epidemiol Community Health 1992;46:92-7.

  2. Lamberts H. In het huis van de huisarts. Verslag van hettransitieproject. Lelystad: Meditekst, 1991.

  3. Valdini AF, Steinhardt S, Valicenti J, Jaffe A. A one-yearfollow-up of fatigued patients. J Fam Pract 1988;26:33-8.

  4. Vercoulen JHMM, Swanink CMA, Fennis JFM, Galama JMD, MeerJWM van der, Bleijenberg G. Dimensional assessment of chronic fatiguesyndrome. J Psychosom Res 1994;38:383-92.

  5. Smets EMA, Garssen B, Bonke B, Vercoulen JHMM, Haes JCJMde. Het vaststellen van vermoeidheid: de Multidimensionele VermoeidheidsIndex (MVI). Gedrag & Gezondheid 1995;23: 79-85.

  6. Smets EMA, Garssen B, Bonke B, Haes JCJM de. TheMultidimensional Fatigue Inventory (MFI) psychometric qualities of aninstrument to assess fatigue. J Psychosom Res 1995;39:315-25.

  7. Smets EMA, Garssen B, Cull A, Haes JCJM de. Application ofthe multidimensional fatigue inventory (MFI-20) in cancer patients receivingradiotherapy. Br J Cancer 1996;73:241-5.

  8. Vercoulen JHMM, Hommes OR, Swanink CMA, Jongen PJH, FennisJFM, Galama JMD, et al. The measurement of fatigue in patients with multiplesclerosis. A multidimensional comparison with patients with chronic fatiguesyndrome and healthy subjects. Arch Neurol 1996;53:642-9.

  9. Meer JWM van der, Rijken PM, Bleijenberg G, Thomas S,Hinloopen RJ, Bensing JM. Aanwijzingen voor het beleid bij langdurige,lichamelijk onverklaarde moeheidsklachten.Ned Tijdschr Geneeskd1997;141:1516-9.

  10. Brunier G, Graydon J. A comparison of two methods ofmeasuring fatigue in patients on chronic haemodialysis: visual analogue vsLikert scale. Int J Nurs Stud 1996;33:338-48.

  11. Giorgi F, Cellerino R, Gramazio A, Tummarello D,Menichetti ET, Giordani P, et al. Assessing quality of life in patients withcancer: a comparison of a visual-analogue and a categorical model. Am J ClinOncol 1996;19:394-9.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis, afd. Medische Psychologie, Postbus 9101, 6500 HB Nijmegen.

Drs.M.Alberts, gezondheidswetenschapper; drs.J.H.M.M.Vercoulen, psycholoog; dr.G.Bleijenberg, klinisch psycholoog.

Academisch Medisch Centrum, afd. Medische Psychologie, Amsterdam.

Mw.drs.E.M.A.Smets, psycholoog.

Helen Dowling Instituut, Rotterdam.

Dr.B.Garssen, psychofysioloog.

Contact drs.M.Alberts

Gerelateerde artikelen

Reacties