Verantwoordelijkheid van het Instituut van Vertrouwensartsen.

Nieuws
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1986;130:46
Download PDF

Verantwoordelijkheid van het Instituut van Vertrouwensartsen. – Vanaf 1 januari 1986 berust de gehele beleidsverantwoordelijkheid voor het instituut vertrouwensarts inzake kindermishandeling, inclusief de bureaus vertrouwensarts, bij de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, drs. J.P. van der Reijden. Op advies van een interdepartementale Commissie – ingesteld op initiatief van de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid, dr. R.J.H. Kruisinga – werden bij wijze van proef op 1 januari 1972 te Amsterdam, Rotterdam, Arnhem en Groningen vertrouwensartsen inzake kindermishandeling aangesteld. De begeleiding van het experiment werd opgedragen aan een interdepartementale begeleidingscommissie.

Aanvankelijk had het instituut een sterk juridisch accent. Een belangrijke functie die aan de vertrouwensarts was toegedacht, was het scheppen van de mogelijkheid voor andere artsen om vermoedens van kindermishandeling te melden zonder hun beroepsgeheim te schenden. Daarnaast was de verwachting dat ingrepen ten behoeve van mishandelde kinderen dikwijls via kinderbeschermingsmaatregelen verwezenlijkt zouden moeten worden en – zij het in mindere mate – dat strafvervolging tegen mishandelde ouders het gevolg zou kunnen zijn.

De ontwikkeling is een andere richting uitgegaan. De vertrouwensartsen zijn naast tussenpersoon voor vertrouwelijke meldingen een deskundige vraagbaak voor hun collega's en anderen geworden. Daarnaast kwam in de praktijk de nadruk meer op de beoordeling van de hulpverlening dan op justitieel ingrijpen te liggen. Om de aard en de ernst van meldingen te kunnen wegen, kregen de vertrouwensartsen al spoedig behoefte aan een eigen maatschappelijk werker en een eigen administratie. Zo ontwikkelde zich het Bureau Vertrouwensarts.

Inmiddels zijn er tien bureaus met twintig vertrouwensartsen. Naast de reeds genoemde bureaus, in Leeuwarden, Zwolle, Utrecht, Den Haag, Breda en Maastricht.

Gesteld kan worden dat het werk van de bureaus steeds is omschreven als bestaande uit vier elementen: (a) het fungeren als meldpost, het geven van adviezen met betrekking tot de hulpverlening en zonodig het op gang brengen en begeleiden van de hulpverlening, (b) het verzamelen van gegevens, (c) het behartigen van de organisatorische nazorg en (d) het geven van voorlichting over het verschijnsel kindermishandeling en over de functie van het bureau vertrouwensarts. Beleid en werkwijze werden- met inachtneming van de coördinerende functie van de begeleidingscommissie en de aanvaarde uitgangspunten – zelfstandig bepaald door de bureaus.

Reeds geruime tijd is gezocht naar een nieuwe vormgeving, die beter tegemoet zou komen aan de huidige praktijk. Daarom is besloten tot een zeer nauwe aansluiting bij de geestelijke gezondheidszorg. Verwacht wordt dat deze de mogelijkheid biedt tot meer gerichtheid op preventie en hulpverlening aan oudersverzorgers in het belang van het mishandelde kind. Deze beslissing heeft ertoe geleid dat vanaf 1 januari 1986 de beleidsverantwoordelijkheid en de financiering volledig berusten bij de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.

(Uit een persbericht van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, juli 1985.)

Gerelateerde artikelen

Reacties