Urogenitale verschijnselen en hinder daarvan bij thuiswonende Nederlandse vrouwen van 50 tot 75 jaar

Onderzoek
J.M. van Geelen
P.H.M. van de Weijer
H.Th. Arnolds
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1996;140:713-6
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Vaststellen van de prevalentie van urogenitale verschijnselen en de mate van hinder daarvan bij vrouwen in de leeftijd van 50 tot 75 jaar.

Opzet

Dwarsdoorsnede-onderzoek.

Plaats

Landelijk onderzoek.

Methode

Een representatieve steekproef van 2159 thuiswonende vrouwen in de leeftijd 50 tot 75 jaar werd getrokken uit een bestand van een onafhankelijk onderzoeksbureau. De steekproef was representatief voor de Nederlandse bevolking met betrekking tot leeftijd, burgerlijke staat, opleidingsniveau en menopauzale leeftijd. De vrouwen kregen een vragenlijst toegestuurd met 40 vragen over vaginale atrofie, mictieincontinentie en blaasontsteking.

Resultaten

De respons was 81,6 (1761 evalueerbare vragenlijsten). De prevalentie van 1 of meer verschijnselen van vaginale atrofie bedroeg 27, van mictieklachten, onwillekeurig urineverlies en recidiverende urineweginfecties 36. Vaginale droogheid en onwillekeurig urineverlies namen lineair af bij volgende leeftijdscategorieën. Ongeveer de helft van de vrouwen met urogenitale verschijnselen ondervond hiervan hinder veel hinder; 1 op de 3 consulteerde hiervoor de huisarts. De urogenitale verschijnselen hingen niet samen met eerdere uterusextirpatie, maar de hinder was wel groter.

Conclusie

De prevalentie van 1 of meer urogenitale verschijnselen bij vrouwen in de leeftijd van 50 tot 75 jaar was hoog: 47. Van deze groep ondervond 40 tot 60 in meer of mindere mate hinder, doch slechts een minderheid consulteerde hiervoor de huisarts. In de komende decennia zullen deze urogenitale problemen waarschijnlijk nog toenemen.

artikel

Inleiding

Oestrogeenderving tijdens en na de overgangsjaren van de vrouw leidt tot objectief waarneembare veranderingen in uterus, vagina en urethra. Deze veranderingen, ook aangeduid als urogenitale atrofie, kunnen al dan niet hinderlijke symptomen teweegbrengen. Gegevens over de prevalentie van symptomen van urogenitale atrofie en de mate van hinder die ervan wordt ondervonden zijn schaars.

In Nederland onderzocht Oldenhave in Ede, in een populatie gezonde vrouwen in de leeftijd van 39 tot 60 jaar, de prevalentie van vaginale klachten en dyspareunie, alsmede de mate van hinder en bracht de betreffende gegevens in verband met de climacteriële status.1 Kok et al. bestudeerden in Amstelveen – in een representatieve steekproef – de prevalentie van urine-incontinentie en psychosociale gevolgen daarvan bij vrouwen van 60 jaar en ouder.2 In een vergelijkbaar onderzoek in Zoetermeer, bij vrouwen in de leeftijd van 39 tot 80 jaar, onderzochten Rekers et al. de prevalentie van onwillekeurig urineverlies en andere urogenitale symptomen in relatie tot de menopauze.3 Groeneveld et al. onderzochten in een populatie vrouwen in de leeftijd van 45 tot 60 jaar het verband tussen menopauzale status en algemeen welbevinden.4 In het onderzoek, uitgevoerd binnen 5 huisartsenpraktijken in Krimpen aan den IJssel, werd eveneens navraag gedaan naar het voorkomen van vaginale droogheid.

In het buitenland beperkt men zich hoofdzakelijk tot epidemiologisch onderzoek op het gebied van onwillekeurig urineverlies.5-9 Gegevens over het vóórkomen van urogenitale verschijnselen bij toename van leeftijd zijn niet voorhanden. Evenmin bestaat er informatie omtrent de mate van hinder of omtrent de vraag naar medische zorg.

Ons onderzoek had tot doel representatieve Nederlandse gegevens te verzamelen over het vóórkomen van urogenitale symptomen bij vrouwen van 50 tot 75 jaar, alsook over de mate van hinder. Tevens werd nagegaan of deze groep medische zorg en behandeling nodig vond en, zo ja, waaruit deze had bestaan. Het effect van hysterectomie op het vóórkomen van urogenitale verschijnselen werd eveneens in ons onderzoek nagegaan.

Methode

Voor dit dwarsdoorsnede-onderzoek werd een representatieve steekproef getrokken van 2159 vrouwen in de leeftijdscategorie 50-74 jaar uit het bestand van een onafhankelijk onderzoeksbureau (AGB Interact, Dongen). Dit bestand bevat circa 25.000 personen en is representatief voor de totale landelijke populatie. Vrouwen opgenomen in verpleeghuizen en niet-Nederlandssprekende vrouwen werden niet bij het onderzoek betrokken. Aan elk van de geselecteerde vrouwen werd een gedetailleerde lijst met 40 vragen toegestuurd met het verzoek deze zelf in te vullen. In de vragenlijst werd specifiek de aandacht gericht op het aanwezig zijn of geweest zijn van symptomen die samenhangen met vaginale atrofie (droogheid van de schede, jeuk, versterkte afscheiding en pijn, droogheid en pijn bij gemeenschap), op problemen bij het plassen (branderigheid en (of) pijn bij het plassen, kleine beetjes plassen, veranderingen in de mictiefrequentie), op onwillekeurig urineverlies (onwillekeurig urineverlies bij hoesten, niesen, persen en dergelijke) en op het bij herhaling hebben van blaasontstekingen. De vragen waren zodanig geformuleerd dat ze voor een leek begrijpelijk waren.

Voor ieder symptoom dat de vrouw herkende, werd haar verzocht aan te geven hoeveel hinder zij ervan ondervond of had ondervonden: geen hinder, klein beetje hinder, wel hinder, veel hinder. Aan alle vrouwen met hinder van één of meer symptomen werd gevraagd of zij het nodig hadden gevonden daarvoor een arts te consulteren en, zo niet, wat daarvan de reden was. De frequentie van artsbezoek en de aard van behandeling werden nagevraagd. Na een maand werd aan de non-respondenten een herinnering gestuurd.

Statistische bewerking

Met de term ‘prevalentie’ wordt bedoeld: het vóórkomen van urogenitale verschijnselen ten tijde van het onderzoek en (of) in het voorafgaande jaar. De demografische variabelen van de onderzoeksgroep, de prevalentie van ieder urogenitaal verschijnsel afzonderlijk en de mate van hinder werden uitgedrukt als percentage. Dit percentage werd berekend voor zowel de totale onderzoeksgroep van 50-74 jaar als per leeftijdscategorie van 5 jaar.

Verschillen in prevalentie of mate van hinder tussen 2 groepen werden getoets met de ?2-toets. Met een enkelvoudige lineaire regressieanalyse werd het verband tussen vaginale droogheid en leeftijd en tussen urine-incontinentie en leeftijd onderzocht.

Resultaten

In totaal werden 2159 vragenlijsten verstuurd, waarvan er 1761 evalueerbaar waren (respons: 81,6). In tabel 1 zijn de demografische variabelen van de evalueerbare respondenten, de non-respondenten en de landelijke gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de bevolkingsgroep in de leeftijd van 50 tot 75 jaar weergegeven.10 Er waren geen significante verschillen tussen de 3 groepen. Het niveau van opleiding (niet weergegeven in tabel 1) verschilde eveneens niet significant tussen de 3 groepen. In de onderzoeksgroep was 93 van de vrouwen postmenopauzaal; 19 had in het verleden een baarmoederextirpatie al of niet met verwijdering van de adnexa ondergaan. Bij 5 van de vrouwen had een operatieve correctie aan de blaas plaatsgevonden.

Vaginale atrofie

De prevalentie van 1 of meer verschijnselen van vaginale atrofie in de totale evalueerbare steekproef was 27 (tabel 2). In de tabel staat ook de mate van hinder. De prevalentie van vaginale droogheid nam lineair af met toenemende leeftijd: 24 in de leeftijdscategorie van 55-59 jaar tot 7 in de categorie 70-74 jaar (r = 0,97; p

Mictieklachten

De prevalentie van 1 of meer mictieklachten in de totale evalueerbare onderzoeksgroep was 36 (tabel 3). In de tabel staat ook de mate van hinder. De prevalentie van dysurie, toegenomen mictiefrequentie en van het telkens kleine hoeveelheden plassen bleef min of meer constant bij volgende leeftijdscategorieën. De prevalentie van onwillekeurig urineverlies vertoonde een lineaire afname bij volgende leeftijdscategorieën: 33 in de leeftijd 50-54 jaar tot 20 in de cate gorie 70-74 jaar (r = 0,938; p = 0,0018). Het vóórkomen van (recidiverende) urineweginfecties toonde een lichte stijging bij toename van de leeftijd: 5 tot 10.

In tabel 4 staan de frequentie van artsbezoek, het beleid en de wijze van behandeling voor zowel vaginale klachten als mictieproblemen.

De prevalentie van urogenitale verschijnselen bij vrouwen met of zonder operatieve ingreep aan baarmoeder of adnexa verschilde niet significant (vaginale atrofie: p = 0,944; mictieklachten: p = 0,538). Wel bleek dat de vrouwen bij wie de baarmoeder was verwijderd, meer hinder ondervonden van vaginale klachten en mictieproblemen dan de vrouwen die hun baarmoeder nog hadden (respectievelijk 38 en 24; p

Beschouwing

Opvliegers, menstruatieveranderingen en urogenitale atrofie worden de typische overgangsverschijnselen genoemd, maar niet alle vrouwen hebben deze tijdens hun overgangsjaren. Ook de mate van hinder verschilt per individu en in tijd.

Vaginale klachten

De resultaten van de Nederlandse en de buitenlandse onderzoeken tonen een duidelijke toename in de prevalentie van vaginale droogheid gedurende het climacterium en in de eerste jaren na de menopauze.1411 Prevalentiegegevens op latere leeftijd zijn in de literatuur niet voorhanden. Ook in ons onderzoek nam de prevalentie van vaginale droogte geleidelijk toe tot de leeftijd van circa 60 jaar. Daarna was er een duidelijke afname in volgende leeftijdscategorieën. De prevalentie van dyspareunie daarentegen nam toe. Rekers et al. komen in hun onderzoek tot dezelfde bevindingen.3 Ook Oldenhave vond, na correctie voor vrouwen zonder seksuele relatie, een toename in de prevalentie van dyspareunie van 11 bij nog regelmatig menstruerende vrouwen tot 25 bij vrouwen na de menopauze.1 De veronderstelling dat vaginale droogte alleen merkbaar is bij seksuele activiteit en tot dyspareunie leidt, onderschrijven wij op grond van deze bevindingen dan ook niet.

Mictie-continentieklachten

Op de vraag over het niet kunnen ophouden van de plas bij hoesten, niesen, persen en dergelijke werd door 25 van de respondenten bevestigend geantwoord. Kok et al.2 en Rekers et al.3 kwamen tot dezelfde bevindingen bij vrouwen in een vergelijkbare leeftijdscategorie (respectievelijk 23,5 en 26,4). In een recente metanalyse van epidemiologische onderzoeken, gepubliceerd in de Angelsaksische literatuur naar onwillekeurig urineverlies bij zelfstandig levende vrouwen van 60 jaar en ouder, werd een prevalentie van 30 gevonden.9

In overeenstemming met andere onderzoeken werd ook in dit onderzoek de hoogste prevalentie van urine-incontinentie gevonden in de periode rondom de menopauze, hetgeen een verband met de hormonale veranderingen tijdens de overgang doet vermoeden.358 De prevalentie daalde vervolgens significant tot de leeftijd van 70 jaar, waarna opnieuw een toename ontstond. Het merendeel van de vrouwen met mictie- of incontinentieverschijnselen had hiervan geen of weinig hinder, maar 14 van de respondenten gaf aan in ernstige mate hinder te ondervinden. Andere onderzoekers kwamen tot gelijkluidende bevindingen.237-9

Urineweginfecties

De in dit onderzoek gevonden prevalentie voor recidiverende urineweginfecties van circa 10 bij vrouwen van 60 jaar en ouder komt overeen met de resultaten van andere onderzoeken.312 Urineweginfecties werden door de vrouwen als respectievelijk hinderlijk en erg hinderlijk ervaren en leidden, in het algemeen reeds binnen enkele dagen, tot een bezoek aan de arts (79; zie tabel 4). Recent, goed gedocumenteerd onderzoek heeft aangetoond dat continue oestrogeentoediening leidt tot een significante daling van de incidentie van (recidiverende) urineweginfecties.1213

De resultaten van ons onderzoek gaven geen significante verschillen, noch in de prevalentie van vaginale klachten, noch in de prevalentie van urinewegverschijnselen tussen vrouwen met en zonder baarmoeder. Wel bleek dat de mate van hinder ten gevolge van vaginale atrofie en de ernst van mictieklachten na hysterectomie duidelijk groter was.

Conclusie

De prevalentie van urogenitale verschijnselen bij vrouwen in de leeftijd van 50-74 jaar was hoog: 47. Ongeveer de helft van de vrouwen met urogenitale verschijnselen had hiervan in meer of mindere mate hinder. Op basis van de bevolkingsprognose moet men aannemen dat het aantal vrouwen met urogenitale verschijnselen in de komende decennia nog sterk zal toenemen. Tijdige herkenning kan voor veel vrouwen in deze levensfase de kwaliteit van leven verbeteren.

Dit onderzoek werd geïnitieerd door Organon Nederland B.V. en werd uitgevoerd in samenwerking met AGB-Interact (mw.M.van Maris). Wij danken mw.dr.A.Oldenhave, psycholoog, voor haar commentaar op het artikel.

Literatuur
  1. Oldenhave A. Well-being and sexuality in the climactericproefschrift. Utrecht: Universiteit Utrecht, 1991.

  2. Kok ALM, Voorhorst FJ, Halff-butter CMC, Janssens J,Kenemans P. De prevalentie van urine-incontinentie bij oudere vrouwen.Ned Tijdschr Geneeskd1991;135:98-101.

  3. Rekers H, Drogendijk AC, Valkenburg HA, Riphagen F. Themenopause, urinary incontinence and other symptoms of the genitourinarytract. Maturitas 1992;15:101-11.

  4. Groeneveld FPMJ, Bareman FP, Barentsen R, Dokter HJ,Drogendijk AC, Hoes AW. The climacteric and well-being. J Psychosom ObstetGynaecol 1993;51:203-7.

  5. Thomas HM, Plymat KR, Blannin J, Meade TW. Prevalence ofurinary incontinence. Br Med J 1980;281:1243-5.

  6. Diokno AC, Brock BM, Brown MB, Herzog AR. Prevalence ofurinary incontinence and other urological symptoms in thenoninstitutionalized elderly. J Urol 1985;136:1022-5.

  7. Milsom I, Ekelund P, Molander U, Arvidsson L, Areskoug B.The influence of age, parity, oral contraception, hysterectomy and themenopause on the prevalence of urinary incontinence in women. J Urol1993;149:1459-62.

  8. Yarnell JWG, Voyle GJ, Richards CJ, Stephenson TP. Theprevalence and severity of urinary incontinence in women. J EpidemiolCommunity Health 1981;35:71-4.

  9. Herzog AR, Fultz NH. Prevalence and incidence of urinaryincontinence in community-dwelling populations. J Am Geriatr Soc 1990;38:273-81.

  10. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Statistischzakboek 1993.'s-Gravenhage: Staatsuitgeverij, 1993.

  11. Hagstad A, Janson PO. The epidemiology of climactericsymptoms. Acta Obstet Gynecol Scand 1986;134:59-65.

  12. Raz R, Stamm WE. A controlled trial of intravaginalestriol in postmenopausal women with recurrent urinary tract infections. NEngl J Med 1993;329:753-6.

  13. Brandberg A, Mellström D, Samsioe G. Low dose oralestriol treatment in elderly women with urogenital infections. Acta ObstetGynecol Scand Suppl 1987;140:33-8.

Auteursinformatie

Sint Anna Ziekenhuis, afd. Verloskunde en Gynaecologie, J.Zwijsenlaan 121, 5342 BT Oss.

Juliana Ziekenhuis, Apeldoorn.

P.H.M.van de Weijer, gynaecoloog (tevens: Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit, Amsterdam).

Organon Nederland B.V., Oss.

H.Th.Arnolds, marketing information manager.

Contact Dr.J.M.van Geelen, gynaecoloog

Verbeteringen

Gerelateerde artikelen

Reacties