Uit de bibliotheek van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde: de '113 oogziekten' van Jacques Guillemeau

Perspectief
R.A. Crone
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1995;139:894-7
Download PDF

artikel

Het oudste oogheelkundige werk in de bibliotheek van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, een klein in perkament gebonden boek, heeft de volgende titel: Hondert en dertien Gebreken en genesinge der oogen, eertijdts beschreeven door Mr. Jaques Guillemeau. En nu vermeerdert door Mr. Johannes Verbrigge, Chirurgijn en Gasthuys-Meester binnen Middelburgh in Zeelandt. Nevens een kleyne beschrijvinge der tanden (Amsterdam, 1678).1

Guillemeau (1544-1613) was niet de eerste de beste. Hij was de lievelingsleerling van de grote Ambroise Paré, de grondlegger van de oorlogschirurgie, die – begonnen als eenvoudige barbier-chirurgijn – was opgeklommen tot de functie van eerste chirurg van vier opeenvolgende koningen. Guillemeau zelf stamde uit een aanzienlijk chirurgijnsgeslacht en had Latijn geleerd. Een ‘echte’ doctor was hij niet, want hij was niet afgestudeerd; hij was en bleef ‘doctorandus’. Ook hij werd chirurgijn des konings, en voorts voorzitter van het Collège de St. Côme. Dat chirurgijnscollege was alleen toegankelijk voor wie Latijn, filosofie en anatomie hadden gestudeerd en had een veel hogere status dan het barbiers- en chirurgijnsgilde, waar ook beulen lid van konden worden.

Guillemeau was in zijn tijd vooral bekend door vernieuwend werk op het gebied van de verloskunde. In 1585 verscheen in Parijs zijn boek Traité des maladies de l'oeil, qui sont en nombre de cent treize, ausquelles il est suject. Het was feitelijk (met het Duitse boek van Georg Bartisch) het eerste Europese leerboek van de oogheelkunde, en het gold als een uitstekend overzicht. Het werd al in 1597 in het Nederlands vertaald, door Carel Baten (de eerste auteur die medische boeken in het Nederlands vertaalde); Verbrugge (alias Verbrigge) verzorgde de heruitgave van 1678, met de gemoderniseerde, maar overigens letterlijke tekst van Baten (die trouwens niet genoemd wordt). Bannister vertaalde het boek in het Engels (1622) – zonder de naam van Guillemeau te noemen – en nog in 1710 verscheen in Dresden een Duitse vertaling.

Waarom 113 oogziekten?

Bij het doorbladeren van de Nederlandse versie valt dadelijk het getal 113 in de titel op. De ziekten zijn niet genummerd en uit de tekst is niet op te maken dat inderdaad 113 ziekten worden behandeld. Kennelijk stond al tevoren vast dat het er 113 waren, maar waar kwam dat getal vandaan? Guillemeau zwijgt erover, maar in een verscholen voetnoot van een oud boek vond ik de herkomst: de 113 ziekten stammen uit een pseudo-Galenisch geschrift uit de 3e eeuw, de Isagoge. Daarmee verraadt Guillemeau de herkomst van zijn kennis. Zijn boek is een nogal onkritische compilatie van de antieke oogheelkunde, met enkele toevoegingen uit Arabische bronnen.

Iedere ziekte wordt aangeduid met de Nederlandse, de Griekse en de Latijnse naam, en soms ook met de Arabische. Het Latijn is redelijk, maar het Grieks is abominabel. Zo schrijft hij voortdurend ‘Hypothyma’ waar hij ‘hypochyma’ (een ‘sincking’ van exsudaat) bedoelt.

Talloze malen haalt hij zijn bronnen aan: Hippocrates, Celsus, Dioscorides, Galenus bovenal, ook de laat-hellenistische en Byzantijnse auteurs Oribasius, Aëtius en Paulus van Aegina. Van de Arabieren vermeldt hij alleen Ibn-Sina (Avicenna) veelvuldig. Latere schrijvers worden zelden genoemd.

Het boek begint met een beschrijving der ogen in Galenische trant, waarbij de schijnbaar alwetende auteur van ieder onderdeel meteen het doel vermeldt. Het kamerwater dient ter bevochtiging van de lens, ‘het eerste instrument des lichts’. Het glaslichaam, dat ‘wit bloed’ bevat, verzorgt de voeding van de lens. De uvea is zacht, om ‘het kristalijne humeur’ (de lens) niet te kwetsen. Dat teleologisch denken doet de huidige lezer dwangmatig aan.

Uitwendige oogziekten

Dan komen de oogziekten zelf. Natuurlijk worden voornamelijk uitwendige oogziekten besproken, want de oogspiegel was nog niet uitgevonden. Sommige zijn voor ons gemakkelijk te herkennen, zoals de ‘vettigheyt der oogh-scheelen’ (oogleden), in het Grieks ‘Xalation’ (nota bene: niet ‘chalation’); andere zijn moeilijker te identificeren. Opvallend kort is Guillemeau over het trachoom; kennelijk heeft hij daar niet veel ervaring mee gehad. De ernstige overgroeiing van de cornea door een bloedrijk vlies (de pannus, die – zoals Guillemeau schrijft – bij de Arabieren ‘Zebel’ heet) behandelt hij niet bij het trachoom, maar bij het pterygium.

Etiologie

De etiologie is in de geneeskunde van de oude meesters nimmer een probleem. Voor een ‘morbus e causa ignota’ is in de ingewikkelde dogmatiek van Galenus geen plaats. Zo wordt de zojuist genoemde pannus veroorzaakt door ‘vervullinge des hoofts, en dat principalijck met waterachtigh bloet, dat met een gesouten pituita gemengt is, en de dispositie der Oogen soodanigh is, datse alsulcke fluxie van wegen sijn swackheydt ontfangen kan’. De Galenische dogmatiek berust op twee pijlers: de oude Griekse leer van de vier elementen, de vier kwaliteiten en de vier lichaamssappen (humeuren) enerzijds, en de stoïsche leer van het pneuma, de bezielende geest, anderzijds. Bijna altijd is de verklaring van een ziekteproces bij Guillemeau een slag in de lucht of niet meer dan een tautologie (zwak zien komt door een ‘kleyne quantiteyt der sienelijcke geesten’).

Therapie

De therapie – algemeen, chirurgisch of lokaal-medicamenteus – is gekenmerkt door polypragmasie. Soms doet Guillemeau er nog een schepje bovenop. Volgens de Ouden is er voor de nystagmus geen therapie, maar ‘het is beter eenige remedie te proeven als geene’. Daarom wordt een ‘momaensicht’ (masker) met kleine kijkgaatjes aanbevolen.

De algemene therapie is eentonig: deze is steeds gericht op de uitdrijving van kwade humeuren uit het lichaam. Het soevereine middel is de aderlating, maar ook het purgeren wordt praktisch altijd aanbevolen. Daarnaast bestaan nog het koppen zetten, het blaren trekken met Spaanse vliegen en vele andere drastische methoden, zoals scarificaties en incisies in de schedelhuid om ‘de fluxien te diverteren’. In dat laatste geval moet men de patiënt ‘den hals met een servet tamelijck stijf toewringen’ opdat ‘Aderen en Arterien beter mogen vertoogen, en opswellen: mits dat door alsulcken middel het bloedt en de geesten om hooge gedwongen worden’.

De operatieve therapie is – al ontbreken afbeeldingen – vaak doeltreffend beschreven: operaties voor entropion, ectropion, pterygium en vele andere. Van ooglidcolobomen worden de randen ‘raeuw’ gemaakt; daarop volgt hechting, zo nodig met ontspanningsincisies. Colo-bomen waren kennelijk niet zeldzaam. Anthracosis van het ooglid – gepaard gaand met pestilentiële koortsen – veroorzaakte ‘verblootinghe der Oogh-scheelen’.

Verbazingwekkend is vooral de medicamenteuze therapie. Er worden namelijk geneesmiddelen genoemd die ook nu nog worden gebruikt, zoals zink-, koper- en kwikverbindingen; ook een groot aantal plantaardige geneesmiddelen: aftreksels van ogentroost (Euphrasia), pupilverwijdende nachtschade, mirre en wat al niet. Onuitputtelijk is voorts het arsenaal van dierlijke geneesmiddelen, stammend uit antiek, Arabisch en Indisch volksgeloof. Abacadabrantesk is de behandeling van het strontje met ‘Vliegen-bloet dat ’er uyt komt, als men haer het hooft heeft afgetrocken‘. Warm duivebloed is werkzaam tegen scheelzien, en bloed van tortelduiven wordt als veel effectiever beschouwd dan dat van gewone duiven.

Inwendige oogziekten

Voor de huidige medicus zijn al die uitwendige oogziekten niet het interessantste deel van het boek: wie ziet in onze gewesten nog een ooglidgangreen door anthrax? Nee, de moderne oogarts gaat het bovenal om de inwendige oogziekten: uveïtis, cataract, glaucoom, ziekten van de oogzenuw en het netvlies. Het loont de moeite om na te gaan wat daarover in het boek van Guillemeau wordt gezegd. Dan moet wel de moderne pathologie eerst grondig worden vergeten, anders dreigt opperste verwarring.

Zo is het al verwarrend dat wij voor twee belangrijke ziekten de Griekse woorden ‘cataract’ en ‘glaucoom’ gebruiken. De vergelijking tussen het Griekse glaucoom en het onze gaat volstrekt niet op. Het Griekse glaucoom was een ‘verdroging’ van de lens, en was dus voor ons begrip in feite gewoon een cataract (figuur). Vroeger meende men dat glaucoom tot blindheid leidde omdat de lens de zetel van het zien was. Dat glaucoom (in de huidige terminologie) wordt veroorzaakt door hoge oogdruk was aan de Grieken, en ook aan Guillemeau, niet bekend. Het belangrijkste diagnostische kenmerk was volgens Hippocrates dat de pupil er groenig (glaukos) uitzag. Het staat nog steeds in onze leerboeken en Guillemeau zegt zelfs dat ‘eenige groene verwe onder het christallijne humeur vermengt’ is.

Omdat sommige cataracten door een staarsteek konden worden genezen, en het glaucoom per definitie niet te cureren was, moest er nog een ander soort cataract zijn, dat niet het kostbare kristallijne vocht aantastte. Dat was het hypochyma, in de late Middeleeuwen omgedoopt tot ‘cataract’. Hypochyma was een omlaag gezonken exsudaat tussen het hoornvlies en de midden in het oog gelegen lens. Sommige exsudaten waren beweeglijk, andere raakten verhard. Hypochyma zakte doorgaans neer uit de hersenen, via de holte in de gezichtszenuw. Wij zijn aanvankelijk verbaasd bij Guillemeau te lezen dat sommige cataracten, zoals de gele, niet door operatie (de staarsteek) zijn te genezen; maar bij nader inzien moeten wij hem gelijk geven: als de oogkamer gevuld is met gele pus, komt een staarsteek niet in aanmerking.

Hoewel Guillemeau 15 bladzijden over cataract schrijft, is hij uiterst kort over de operatieve therapie, de staarsteek: het vermeende neerdrukken van het verharde exsudaat met een naald (in werkelijkheid het naar beneden drukken van de troebel geworden lens). Hij verwijst naar Paré, en naar de beroemde chirurg Guillaume de Chaulliac, die omstreeks 1350 de lijfarts was van drie pausen, maar schrijft de indicatiestelling over uit de geschriften van de oude meesters. Veel eigen ervaring heeft Guillemeau kennelijk niet opgebouwd. Misschien was hij voor de staarsteek te geleerd, en had hij die operatie meestal overgelaten aan Ambroise Paré of aan nederiger vakbroeders: rondreizende staarstekers die hun werk deden op de markt, en leden van het barbiers- en chirurgijnsgilde.

Blindheid zonder enig zichtbaar teken heette ‘gutta serena’, heldere druppel, later ook ‘cataracta nigra’, cataract met helder-zwarte pupil. De Grieken kenden het ernstige ziektebeeld van de plotselinge blindheid en noemden het: verstopping van de gezichtszenuw. Guillemeau geeft ook de verklaring: de visuele geesten kunnen uit de holle gezichtszenuw het oog niet binnenkomen. Dat lijkt een verschrijving: zou niet ‘het oog verlaten’ bedoeld zijn? Maar Guillemeau meende het zoals hij het schreef.

Galenus – en de meeste Grieken – beschouwden het zien als een soort radar. Visuele geest werd uit de hersenen via het oog uitgestraald en bracht (door tussenkomst van de lucht) de beelden van de buitenwereld terug naar de lens. Weliswaar had Ibn-al-Haytham (Alhazen, 1000 na Christus) de overbodigheid van geëmitteerde gezichtsstralen al overtuigend beredeneerd en had hij de beoefenaren van de visuele wetenschap (doorgaans geestelijken, zoals Roger Bacon) al voor zijn standpunt gewonnen, maar de artsen hielden zich nog strikt aan de Galenische theorie.

De criteria voor de staarsteek

Omdat de staarsteek in de tijd van Guillemeau verreweg de belangrijkste en effectiefste oogheelkundige handeling was, was het van het grootste belang de operabiliteit van de cataracten te beoordelen. Wie ooit in oogkampen op het Indische subcontinent heeft gewerkt, weet hoe gemakkelijk het voor de plaatselijke assistenten is om de operabele van de niet-operabele cataractpatiënten te scheiden: patiënten met witte pupil zijn operabel als zij lichtperceptie hebben en de pupil op licht reageert; patiënten zonder lichtperceptie en met (wijde) lichtstijve pupil zijn inoperabel. Galenus bestudeerde de reactie van de pupil bij afdekken van het andere oog. Als de pupil van het niet-afgedekte cataracteuze oog dan iets groter werd, was dat een goed teken: door afdekken van het ene oog werd de uitstroming van visueel pneuma uit de gezichtszenuw van het niet-afgedekte oog sterker, waardoor de pupil wijder open werd geblazen. Ontbrak die verwijding, dan was de N. opticus kennelijk verstopt. Dit diagnostisch criterium zal in vele gevallen effectief zijn geweest: de meeste patiënten met witte onbeweeglijke pupillen zijn immers blind door secundair glaucoom bij overrijp cataract. Maar het is toch een beperkte procedure. De Grieken kenden de lichtreactie van de pupil niet.

De lichtreactie is ontdekt door al-Razi (Rhazes, 900 na Christus), een veel gelezen Arabische auteur. Zijn werk, het Continens, was een der eerste medische boeken die gedrukt werden. Rhazes‘ ontdekking van de reactie van de pupil op licht is niet in de westerse oogheelkunde doorgedrongen. Guillemeau spreekt er niet over. Hij citeert bijna alleen uit de Canon van Ibn-Sina (Avicenna, 1000 na Christus), die aan de ontdekking van Rhazes geen aandacht besteedt. Guillemeau noemt ook nauwelijks het bij de Arabieren uitdrukkelijk vermelde criterium van de lichtperceptie. De door Avicenna's tijdgenoot Ammar-al-Mausili beschreven aspiratie van weke cataracten met een holle naald wordt door Guillemeau als onmogelijk afgewezen.

De armoede van de renaissance-oogheelkunde

Zo moeten wij concluderen dat de westerse oogheelkunde in duizend jaar nauwelijks vooruit was gegaan en ten opzichte van de Arabische zelfs in regressie verkeerde. Terwijl de Renaissance op het gebied van de kunsten grootse scheppingen heeft voortgebracht, was de geneeskunde in diezelfde tijd nog moeizaam bezig het peil van de Grieks-Arabische geneeskunde te evenaren. Het medische denken was blijven steken in dogmatisch autoriteitsgeloof, in de humeurenleer, in teleologische speculatie en pseudo-geleerde tautologie.

Geen wonder dat Molière weinig respect had voor de dokters van zijn tijd. In het voor medici uiterst pijnlijke slotballet van Le malade imaginaire (1673) moet de baccalaureus examen afleggen voor een grote commissie van geleerden. De doctorandus noemt op hun vraag voor iedere ziekte de juiste therapie; voor alle ziekten is die identiek: clysterium donare, postea seignare, ensuitta purgare – klisteren, voorts aderlaten, vervolgens purgeren. Hij wordt om zijn kennis door de commissie in koor toegejuicht; ook om zijn antwoord op de vraag waardoor opium slaperig maakt: door de virtus dormitiva, de dormitieve kracht die in het middel schuilt.

Johannes verbrigge

Ten slotte nog iets over Johannes Verbrigge (Verbrugge). Hij was deken van het chirurgijnscollege te Middelburg, tevens examinator van de scheepsartsen van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). In 1677 schreef hij het Chirurgyns- of heelmeesters reysboek. Hij was door de Amsterdamse uitgever Jan Claesz. ten Hoorn uitgenodigd het boek van Guillemeau te ‘vermeerderen’ en aldus met zijn naam te sieren. Verbrugge heeft zich daarin ‘node’ geschikt, al vindt hij dat Guillemeau alles perfect heeft beschreven. Hij volstaat met de toevoeging van een aantal recepten en wat moraliserende opmerkingen. Aan de 113 ziekten voegt er hij niet één toe.

Had de uitgever méér van Verbrugge verwacht? Misschien wel, maar Verbrugge was een gewone chirurgijn. De sensationele vorderingen van de wetenschap sedert 1585 waren aan hem voorbijgegaan. Zo laat hij gewoon staan dat het bloed van de oogvenen ‘uit’ de V. jugularis komt en bewijst daarmee dat Harveys De motu cordis (1628) niet tot hem was doorgedrongen.

Ook is hem ontgaan dat Kepler in 1604 met Ad Vitellionem paralipomena de definitieve theorie van het zien had opgesteld en een streep had gehaald door de leer van Galenus, en zelfs door die van Alhazen. Verbrugge laat staan dat de lens het instrument is van het zien en zwijgt over de refractie en de functie van het netvlies.

Natuurlijk had hij al die dingen kunnen weten: de leer van de bloedsomloop had allang ingang gevonden en de geniale inzichten van Kepler waren al verdedigd door de geleerde jezuïet Christoph Scheiner (1619) en de Leuvense professor Vobiscus Plemp (1648). Reeds begon de gedachte dat cataract een ziekte van de lens was hier en daar op te komen. Maar de Excerpia medica waren toen nog niet uitgevonden; voor een dokter of een chirurgijn was het moeilijk kennis te nemen van belangrijke ontdekkingen die door denkers en geleerden waren gedaan. Er zat weinig gang in de wetenschap: Boerhaave was de eerste medicus die aan zijn studenten de leer van Kepler doceerde. Laten wij daarom niet te zwaar oordelen over Verbrugge en zijn bijdrage tot het hier besproken boek, voor een ieder te genieten in de bibliotheek van de Vereniging, te Amsterdam.

Literatuur
  1. Guillemeau J. Hondert en dertien Gebreken en genesinge deroogen, eertijdts beschreeven door Mr. Jaques Guillemeau. En nu vermeerdertdoor Mr. Johannes Verbrigge, Chirurgijn en Gasthuys-Meester binnenMiddelburgh in Zeelandt. Nevens een kleyne beschrijvinge der tanden.Amsterdam: Jan Claesz. ten Hoorn, 1678.

Auteursinformatie

Prof.dr.R.A.Crone, Reguliersgracht 1, 1017 LJ Amsterdam.

Gerelateerde artikelen

Reacties