Type atriumfibrilleren maakt verschil voor overleving

Nienke Fleuren
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2015;159:C2686

Permanent atriumfibrilleren geeft meer risico op cardiovasculaire sterfte, CVA’s en systemische embolieën dan niet-permanente vormen van deze aandoening, zoals paroxysmaal atriumfibrilleren. Dat blijkt uit een post-hocanalyse van gegevens uit de AMADEUS-trial, een internationale studie waarin alle deelnemers antistolling gebruikten (Stroke; online 23 juli 2015).

AMADEUS was een fase 3-studie naar het effect van idraparinux (SR34006), vergeleken met warfarine en acenocoumarol; de studie werd echter stopgezet vanwege een significant groter bloedingsrisico in de interventiegroep. Dit verklaart de relatief korte follow-upduur (gemiddeld 11,6 maanden) van de 2484 patiënten met permanent en 2072 patiënten met niet-permanent atriumfibrilleren. In totaal overleden 57 van hen aan hart-vaatziekten en kregen 45 een CVA of embolie. Deze ernstige complicaties kwamen significant vaker voor bij de patiënten met permanent atriumfibrilleren.

Wanneer patiënten op het moment van inclusie ook hartfalen hadden, verhoogde dat het risico verder. Dit toegevoegde effect was voor beide groepen even groot. Omdat hartfalen vaker voorkomt bij patiënten met permanent atriumfibrilleren, hebben zij dus een nog hoger risico op de onderzochte complicaties. De aantallen in deze studie waren echter te laag voor een uitgebreide subgroepanalyse. Bovendien had de studiepopulatie een relatief laag risico op CVA’s vergeleken met de gemiddelde patiënt met atriumfibrilleren die antistolling gebruikt.

Het verhoogde cardiovasculaire risico bij patiënten met het permanente type atriumfibrilleren lijkt dus niet voort te komen uit de hogere prevalentie van hartfalen in die groep. De onderzoekers hopen dat deze condities voortaan als 2 onafhankelijke risicofactoren beschouwd worden, zodat toekomstig onderzoek meer licht kan werpen op de onderlinge interactie.

Gerelateerde artikelen

Reacties