Trombidiose, een prurigo-epidemie door mijten

Klinische praktijk
J.V. Kuyvenhoven
F. Duijm
Citeer dit artikel als: Ned Tijdschr Geneeskd. 1990;134:2351-3
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Bij 4 dorpsbewoners werd een prurigo parasitaria vastgesteld, veroorzaakt door de oogstmijt (Neotrombicula autumnalis). Het klinische beeld bestaat uit hevig jeukende, erythemateuze papels op plaatsen waar zich nauwsluitende kleding bevindt of in lichaamsplooien. Bij nader onderzoek in het desbetreffende dorp bleek dat in 16 van de 48 woningen minstens één persoon in de voorafgaande twee maanden last had gehad van een prurigo die mogelijk aan de oogstmijt kan worden toegeschreven.

De karakteristieken van de parasiet, het klinische beeld, de behandeling en de preventie worden besproken.

Inleiding

In de nazomer van 1989 raakte de Basisgezondheidsdienst West en Noord Groningen betrokken bij een epidemie van jeukende huiduitslag bij inwoners van een dorp in Noord-Groningen, veroorzaakt door de oogstmijt, Neotrombicula autumnalis. De in de literatuur geformuleerde critera voor het stellen van de diagnose trombidiose zijn:1 vertoeven tussen half juli en half oktober één of enkele dagen in een klei- of lössgebied; tekenen van prurigo op die plaatsen waar de kleding strak om het lichaam sluit; vóórkomen van mijten in het desbetreffende gebied veelal in kluitjes op de vegetatie, op huisdieren of op wilde vertebraten.

In dit artikel worden de karakteristieken van de parasiet, de klinische symptomen en de behandeling van de aandoening, en de preventiemogelijkheden besproken.

Ziektegeschiedenissen

Vier personen, onder wie een baby van 9 maanden, in twee gezinnen bleken last te hebben van jeukende erythemateuze papels. Op basis van eerdere ervaringen ter plaatse schreven zij de verschijnselen toe aan mijten in de tuinen.

Microscopisch onderzoek van aldaar gevangen larven toonde het beeld van de larve van de N. autumnalis (figuur 1). Op grond hiervan werd de diagnose trombidiose bij de genoemde vier personen bevestigd.

Verspreiding van de mijt

In het dorp werd bewoners gevraagd of er in hun woning gedurende de afgelopen 2 maanden ten minste één bewoner last had gehad van een jeukende huiduitslag. Dit bleek het geval te zijn in 16 van de 48 woningen, vooral die op een terp gelegen zijn. Dit kan samenhangen met de eisen die de mijt stelt aan het ecosysteem van de bodem. Het is mogelijk dat, indien een nader onderzoek van deze personen had plaatsgevonden, in een aantal gevallen eveneens de diagnose trombidiose zou zijn bevestigd. Ondanks de gegeven toelichting toonden bij het enquêteren sommige bewoners onbegrip, alsof een gebrekkige hygiëne de oorzaak van deze aandoening was.

Om te onderzoeken hoeveel huisartsen een trombidiose hadden gediagnostiseerd, werd een schriftelijke enquête onder alle 72 huisartsen in het werkgebied van de basisgezondheidsdienst gehouden. Er werden 33 formulieren ingevuld teruggestuurd (46). Slechts 4 van de 33 huisartsen deelden mee de aandoening te hebben vastgesteld; 3 van hen verzorgen patiënten in het dorp waar de onderhavige epidemie plaatsvond. Dit kan betekenen, dat de aandoening elders in het westen en het noorden van de provincie Groningen niet voorkomt of dat deze niet met de huisarts wordt besproken. Het kan ook betekenen dat huisartsen de aandoening niet herkennen.

Trombidiose

Verwekker

Reeds in de vorige eeuw werd de oogstmijt, N. autumnalis, beschreven als verwekker van een jeukende huidaandoening.2 Deze mijt behoort tot de familie der Trombiculidae, die deel uitmaakt van de orde der mijten (Acarina), waartoe verder o.a. de teken (Ixodidae) en de schurftmijt (Sarcoptes scabiei) worden gerekend.

– De volwassen N. autumnalis is helder rood en heet fluweelmijt. Dit 8-potige dier leeft in de bodem. Daar ontwikkelen zich via tussenstadia de 6-potige oranje larven. Zij zijn met het blote oog net zichtbaar en staan onder diverse namen bekend: oogstmijt, herfstmijt, bietmijt of zaaimijt. De larve is ongeveer 0,3 mm groot en heeft een ovoïde vorm. Aan het ongelede lichaam bevinden zich drie paar poten. Zowel lichaam als poten zijn bedekt met een lichte beharing. De monddelen (gnathosoma) bevinden zich aan de voorzijde van het lichaam. De mondopening wordt afgesloten door twee licht naar binnen gebogen, dolkvormig eindigende kaken (cheliceren). Hiernaast bevinden zich de lichtgebogen pedipalpen, die naar perifeer toe smaller worden (figuur 2). Het zijn deze larven die parasiteren. Ze verplaatsen zich niet, maar infesteren vanaf lage planten op een schaduwrijke plek bij warm weer de langskomende merels, huisdieren, muizen, enz. Op een onbedekt deel van de huid verankert de mijt zijn kaken in de epidermis. Daar ingebrachte enzymen veroorzaken een lysis van materiaal van de dermis dat vervolgens wordt opgezogen. Bij mensen is dit de oorzaak van een jeukende huiduitslag, met plaatselijke benamingen zoals tuinpukkels of fortbulten.

N. autumnalis is gesignaleerd in de meeste Europese landen.3 In ons land is de oogstmijt waargenomen op klei- en lössgronden in Groningen, Friesland, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Zeeland en Limburg.4 In de Engelstalige literatuur wordt het begrip ‘mite islands’ gebruikt om het zeer lokale vóórkomen aan te geven. In Suriname komt de verwante grasluis of patatta-losso voor, die ook een prurigo-beeld kan veroorzaken. Ook elders komen bijtende Trombicula-soorten voor. Tropenreizigers kunnen na terugkeer in Nederland trombidiose hebben als importziekte.5

Klinische verschijnselen

De klinische verschijnselen van trombidiose doen zich voor tussen half juli en half oktober. Zes tot twaalf uur na contact met de vegetatie waarop de mijten zich bevinden, ontwikkelen zich hevig jeukende papels, één tot enkele millimeters in diameter, of urticae, omgeven door een erytheem. Deze prurigo parasitaria treedt vooral op onder nauwsluitende kledingstukken, zoals sokken, broekband, beha, of in huidplooien zoals liezen, oksels en elleboogplooi. Dit kan toegeschreven worden aan de mechanische belemmering of de vochtigheid, eventueel gecombineerd met lichtschuwheid van de larve. De trombidiose is zelfbegrenzend. Na 4 tot 7 dagen verdwijnt de jeuk, na enkele weken is ook de uitslag verdwenen. Indien opnieuw infestatie optreedt, vlammen oudere laesies weer op.

De aandoening doet zich niet elk jaar in dezelfde mate voor; vermoedelijk spelen klimaatvariaties een rol. Daarnaast lijken sommige personen in de loop der jaren meer last ervan te krijgen. Dit verschijnsel is ook beschreven bij prurigo parasitaria door andere oorzaken.6 Gezien de geringe specificiteit van het klinische beeld is het belangrijk verdacht te zijn op deze aandoening gelijkende beelden, zodat geen onjuiste adviezen worden gegeven (‘kat de deur uit’ wegens persisterende vlooien, muggen doodspuiten, anti-scabies-behandeling, enz.).

Behandeling

De behandeling van de aandoening is uitsluitend symptomatisch. Het doel is de jeuk te verminderen teneinde krabeffecten en de secundaire infectie daarvan te voorkómen. Natte omslagen zijn effectief, wanneer de lokalisatie van de laesies zich daartoe leent. Een fenolhoudende lotion (0,5 fenol in lotio alba FNA of een 2-mentholpoeder FNA kan verlichting geven. In geval van secundaire infectie kan 10 zwavel of 3 clioquinol in unguentum zinci oxidum FNA aangewend worden. Indien de secundaire infectie uitgebreid is, kunnen tevens antihistaminica per os voorgeschreven worden teneinde een vicieuze cirkel te doorbreken.

Preventie

Eén van de vragen aan de gezondheidsdienst betrof de mogelijkheden tot preventie. De volgende maatregelen zijn doeltreffend:

-het mijden van de tuin gedurende de warme periode van de dag of het zich beperken tot een verblijf op een betegeld terras;

– het veranderen van de beplanting waardoor het aantal mijten vermindert;

– het aanbrengen van een lotion met diëthyl-m-toluamide (zoals Autan) iedere vier uur circulair rond enkels, knie, polsen en ellebogen, hoewel het effect beperkt zal zijn bij contact met een vegetatie met grote aantallen mijten.

Door de afdeling Dierplagen van de Landbouwuniversiteit Wageningen zullen binnenkort proeven worden genomen om met behulp van een bestrijdingsmiddel een ‘besmet’ gebied vrij van oogstmijten te krijgen.

De aandoening is niet besmettelijk; in de literatuur wordt niet beschreven dat mijtelarven van dier op mens of van mens op mens kunnen worden overgedragen.

Literatuur

  1. Wit RFE de. Trombidiose in Nederland, een nieuweparasitose. Utrecht, 1978. Proefschrift.

  2. Gudden B. Ueber eine Invasion von Leptus autumnalis.Archiv für Pathologische Anatomie und Physiologie für KlinischeMedicin 1871; 52: 255-60.

  3. Warton GW, Fuller HS. A manual of chiggers. Washington:The entomological society of Washington, 1952.

  4. Wit RFE de. Trombidiose een plaag voor veldbiologen.Vakblad voor Biologen 1976; 56: 201-23.

  5. Groot JFM de. Trombiculiasis als importziekte.Ned Tijdschr Geneeskd 1983; 127:447-8.

  6. Duijm F. Situatiegebonden epidemieën van jeukendehuiduitslag. Leiden: NIPG-TNO, 1988.

Auteursinformatie

Basisgezondheidsdienst West en Noord Groningen, Postbus 1007, 9780 AC Bedum.

J.V.Kuyvenhoven, arts algemene gezondheidszorg; F.Duijm, medisch milieukundige, standplaats GGD, Groningen.

Contact J.V.Kuyvenhoven

Reacties