Subklinische hyperthyreoïdie: niet per se een schildklieraandoening
Open

Klinische les
17-06-2003
E.P.M. Corssmit en W.M. Wiersinga
Zie ook de artikelen op bl. 1156, 1159 en 1162.

Dames en Heren,

Met het beschikbaar komen van gevoelige bepalingen voor het thyreoïdstimulerend hormoon (TSH) en het in de eerste lijn steeds frequenter bepalen van de schildklierfunctie, wordt steeds vaker subklinische hyperthyreoïdie geconstateerd. Deze wordt gedefinieerd als een verlaagde serumconcentratie van TSH in combinatie met normale serumconcentraties vrij T4 en T3 en berust derhalve op een biochemische definitie. Hoewel de term ‘subklinische hyperthyreoïdie’ wordt gebruikt, is deze niet geheel juist, omdat vele patiënten toch geringe symptomen blijken te hebben. Eigenlijk zou het dan ook beter zijn te spreken van ‘geringe’ hyperthyreoïdie. In circa 55 van de gevallen normaliseert een verlaagde TSH-concentratie echter spontaan binnen een jaar. In die gevallen was er vaak geen schildklierfunctiestoornis, maar berustte de verlaagde TSH-concentratie op een andere oorzaak, bijvoorbeeld hoge doses prednison.1 Het is dan ook belangrijk om bij de bevinding ‘subklinische hyperthyreoïdie’ uit te zoeken welke aandoening ten ...