Beste collega’s,
In dit artikel leggen we uit wanneer er reden is om kinderen te screenen op kindermishandeling en welke onderzoeken verricht moeten worden. Het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling kan hierbij behulpzaam zijn.
Bij een vermoeden van lichamelijke kindermishandeling is het van belang om broertjes en zusjes of andere contactkinderen ook te screenen op tekenen van kindermishandeling. We illustreren dit aan de hand van een tweelingcasus. Hierin komt het belang van onderzoek naar kindermishandeling en laagdrempelige samenwerking met medische en forensische experts duidelijk naar voren.
Patiënt A, een zuigeling van 6 weken oud en één van een tweeling, werd door haar ouders naar de Spoedeisende Hulp gebracht in verband met een plots ontstaan pijnlijk, gezwollen linker bovenbeen. Bij beeldvormend onderzoek bleek sprake van een midschacht femurfractuur. Anamnestisch had er geen trauma plaatsgevonden…
Voorzichtig bij verdenking kindermishandeling
Natuurlijk is het ontzettend belangrijk om kindermishandeling te signaleren en te voorkomen, maar het is ook belangrijk om te constateren dat over-rapportage leidt tot zeer traumatische effecten voor onschuldige families.
Asymptomatische ribfracturen en metafysefracturen worden gezien als specifiek voor toegebracht letsel. Echter, er is geen controlegroep omdat in vrijwel alle gevallen deze fracturen leiden tot de conclusie van toegebracht letsel, zodat het specifiek lijkt. Dat is een cirkelredenering. Asymptomatische ribfracturen mogen niet gezienworden als bewijs van toegebracht letsel.1
Sinds 1-1-2022 is de ICD-10 diagnosecodelijst van de WHO vervangen door ICD-11. In ICD-11 is geen code meer voor kindermishandeling. Kindermishandeling is geen medische diagnose.
In het artikel NTVG D8579 wordt gesteld dat er forse krachtinwerking nodig is om bij een gezond kind een femurfractuur te veroorzaken. Ook voor metafysefracturen is een extreme kracht nodig om deze te veroorzaken.2 Zonder overliggende hematomen zijn deze fracturen dus sterk bewijs voor broze botten.
Het in NTVG D8579 genoemde onderzoek naar verhoogde botbreekbaarheid is zeer onvolledig en onjuist. De onder anamnese genoemde symptomen van Osteogenesis imperfecta (OI) komen slechts bij een beperkt aantal patiënten met OI voor. Afwezigheid van deze symptomen kan dus OI zeker niet uitsluiten.
Als de ouders geen OI hebben dan is er óf een nieuwe mutatie in een dominant gen, óf er zijn twee pathogene varianten in één van de vele recessieve genen geërfd, één van elke ouder. In beide gevallen is er meestal geen familiegeschiedenis van OI.
Er zijn veel niet-genetische oorzaken van broze botten bij pasgeborenen: obesitas van de moeder, laag geboortegewicht en meerling geboorte.3 De besproken casus betreft een meerlinggeboorte, voor de overige factoren is er geen informatie.
Obesitas van de moeder leidt tot zeer laag vitamine C, die niet wordt gecompenseerd door gebruik van de normale dosering van vitamines tijdens de zwangerschap .4 Het ligt voor de hand dat dit ook geldt voor de vet-oplosbare vitamins D en K die essentieel zijn voor gezonde botten.
Vitamine C en K worden vrijwel nooit gemeten, vitamine D wordt pas gemeten na botbreuken, maar dan is dit al genormaliseerd.
De conclusie toegebracht letsel berust vaak op de veronderstelling dat toegebracht letsel veel waarschijnlijker is dan medische oorzaken van fracturen, omdat de medisch oorzaken zeer zeldzaam zijn. Dit berust op dezelfde fout in de statistiek die gemaakt werd bij de onterechte veroordeling van Lucia de Berk. De a priorii kans dat een willekeurige baby OI heeft is laag (1 op 15,000), maar de a posteriori kans dat een baby met onverklaarde botbreuken broze botten heeft is bijna 100%.
Conclusie: Bij de besproken casus zijn fouten gemaakt in statistiek en diagnostiek.
Reactie op 'Voorzichtig bij verdenking kindermishandeling'
In deze reactie wordt gereageerd op het commentaar van Gerard Pals op het artikel 'Screen contactkinderen bij een vermoeden van kindermishandeling'. Hoewel het belang van zorgvuldigheid bij een verdenking terecht wordt onderschreven, signaleren wij onjuiste aannames en interpretaties, mede gebaseerd op studies die niet voldoen aan gangbare wetenschappelijke standaarden.
Pals verwijst hierbij naar de publicatie van Van Gemert 1. Op dit artikel is echter inhoudelijk onderbouwde kritiek geleverd vanwege fundamentele methodologische en statistische tekortkomingen 2 . Hieronder weerleggen wij de stellingen van Pals op basis van wetenschappelijke publicaties en algemeen geaccepteerde pathofysiologische kennis.
Wij erkennen dat cirkelredeneringen een bekende methodologische valkuil vormen binnen onderzoek naar kindermishandeling. Echter de stelling dat een vermoeden van kindermishandeling bij (asymptomatische) ribfracturen en metafysaire hoekfracturen enkel het resultaat zou zijn van cirkelredeneringen kan niet worden gesteld. Ribfracturen en metafysaire hoekfracturen vereisen specifieke en substantiële krachtsinwerkingen en ontstaan niet bij normale verzorgingshandelingen of door eigen toedoen van jonge, premobiele kinderen 3. Een groot aantal studies, waaronder onderzoeken met vooraf gedefinieerde controlegroepen en analyses van zaken met bekennende plegers, toont consistent aan dat ribfracturen en metafysaire hoekfracturen significant vaker voorkomen bij mishandelde dan bij niet-mishandelde kinderen 4 5 6 7. Deze bevinding is niet gebaseerd op cirkelredeneringen, maar op herhaalde onderzoeksresultaten.
De bewering van Pals dat kindermishandeling geen medische diagnose is vanwege de ICD-classificatie, merken wij aan als een categorieverwarring: ICD-codes weerspiegelen classificatiesystematiek, maar bepalen de medische relevantie van een klinisch syndroom niet. In de pediatrische praktijk van de casus hebben we een klinisch-forensische werkdiagnose vastgesteld, gebaseerd op integratie van anamnese, lichamelijk onderzoek en aanvullende diagnostiek.
De aanname dat fracturen zonder overliggende hematomen sterk bewijs vormen voor onderliggende botfragiliteit wordt niet ondersteund door de literatuur. Hematomen zijn bij fracturen frequent afwezig, met name bij rib- en extremiteitsfracturen, zoals gerapporteerd door Peters 8. Bij jonge kinderen met onverklaarde fracturen dient differentiaal diagnostisch rekening te worden gehouden met zeldzame aandoeningen met verhoogde botfragiliteit, zoals osteogenesis imperfecta (OI), rachitis of metabole botziekte van prematuriteit. Ernstige OI-genotypen presenteren zich doorgaans intra-uterien of perinataal met duidelijke klinische kenmerken. Bij mildere varianten is voor het ontstaan van een fractuur eveneens een relevante krachtsinwerking vereist. Ribfracturen en klassieke metafysaire laesies zijn geen typische presentatie bij milde OI-varianten. Onderliggende botaandoeningen zijn in de meeste gevallen te identificeren via gerichte (familie)anamnese, lichamelijk onderzoek, laboratoriumonderzoek en radiologische evaluatie 9 10 11. Bij de tweeling uit de beschreven casus ontbreken intra-uteriene laesies en klinische kenmerken waarmee er geen aanwijzingen zijn voor ernstige OI-genotypen. Behalve de breuken, die niet passen bij milde OI-varianten, zijn bij hen ook geen afwijkingen bij (familie)anamnese, laboratoriumonderzoek of radiologische evaluatie. Er ontbreekt een relevante krachtsinwerking in de anamnese.
Mineralisatieproblemen (metabolic bone disease of prematurity, MBDP) worden bij 16-40% van de prematuur geboren kinderen met een te laag geboortegewicht beschreven. Het betreft veel te vroeg geboren kinderen (<28 weken) en/of kinderen met een zeer laag geboortegewicht (<1500 g)12, hetgeen niet van toepassing op deze tweeling. Verstoorde botmineralisatie door vitamine D deficiëntie (rachitis) kent karakteristieke radiologische afwijkingen die duidelijk te onderscheiden zijn van traumatische fracturen. In de beschreven tweelingcasus zijn deze radiologische afwijkingen afwezig. De door het LECK gehanteerde benadering en conclusie resulteert in een uitspraak over de waarschijnlijkheid van de medische bevindingen onder het beschouwde hypothesepaar. Bij de beschreven premobiele zuigelingen, met multipele letsels van verschillende ouderdom en zonder aanwijzingen voor onderliggende botfragiliteit na zorgvuldige diagnostiek, is de combinatie van bevindingen waarschijnlijker 13 onder de hypothese toegebrachte krachtsinwerking dan onder de hypothese accidentele krachtsinwerking. Dit is een fundamenteel ander statistisch concept dan beschreven door Pals. Hierbij willen we benadrukken dat de door Pals getrokken conclusie over de posterior kans op broze botten bij een baby met onverklaarde botbreuken niet volgt uit het juist gebruiken van gegevens uit breed gedragen wetenschappelijke literatuur.
1. Van Gemert MJC, Vlaming M, Gabaeff SC, et al. Asymptomatic infant rib fractures are primarily non-abuse-related and should not be used to assess physical child abuse. Children (Basel). 2023;10(11):1827. doi:10.3390/children10111827. 2. Hermann B, Brüning T, et al. Comment on: Van Gemert et al. Asymptomatic infant rib fractures are primarily non-abuse-related and should not be used to assess physical child abuse. Children (Basel). 2024;11:1153-1155. 3. Bilo RAC, Robben SFG, Van Rijn RR. Forensic aspects of paediatric fractures: differentiating accidental trauma from child abuse. 2nd ed. Cham: Springer; 2023. 4. Kemp AM, Dunstan F, Harrison S, et al. Patterns of skeletal fractures in child abuse: systematic review. BMJ. 2008;337:a1518. 5. Haney S, Scherl S, DiMeglio L, Perez-Rossello J, Servaes S, Merchant N, et al. Evaluating young children with fractures for child abuse: clinical report. Pediatrics. 2025;155(2):e2024070074. doi:10.1542/peds.2024-070074. 6. Narang SK, Haney S, Duhaime AC, Martin J, Binenbaum G, de Alba Campomanes AG, et al. Abusive head trauma in infants and children: technical report. Pediatrics. 2025;155(3):e2024070457. doi:10.1542/peds.2024-070457. 7. Adamsbaum C, De Boissieu P, Teglas JP, Rey-Salmon C. Classic metaphyseal lesions among victims of abuse. J Pediatr. 2019. 8. Peters ML, Starling SP, Barnes-Eley ML, Heisler KW. The presence of bruising associated with fractures. Arch Pediatr Adolesc Med. 2008;162(9):877-881. doi:10.1001/archpedi.162.9.877. 9. Haney S, Scherl SA, DiMeglio LA, Perez-Rossello JM, Servaes S, Merchant N, et al. Evaluating young children with fractures for child abuse: clinical report. Pediatrics. 2025;155(2):e2024070074. doi:10.1542/peds.2024-070074. 10. Riley E, Elgarwany S, Arundel P, Bishop NJ, Offiah AC. An observational study of the prevalence of classic metaphyseal fractures in children with osteogenesis imperfecta in the first two years of life. Clin Radiol. 2025. 11. Greeley CS, Donaruma-Kwoh M, Vettimattam M, et al. Fractures at diagnosis in infants and children with osteogenesis imperfecta. J Pediatr Orthop. 2013. 12. Haney S, Scherl SA, DiMeglio LA, Perez-Rossello JM, Servaes S, Merchant N, et al. Evaluating young children with fractures for child abuse: clinical report. Pediatrics. 2025;155:e2024070074. doi:10.1542/peds.2024-070074. 13. Waarschijnlijker komt uit de reeks waarschijnlijksheidstermen, zoals te vinden op LECK.nu en www.forensischinstituut.nl/documenten/2017/10/18/vakbijlage-waarschijnl….