Schildklierkanker in Zuidoost-Nederland, 1970-1989: trends in incidentie, behandeling en overleving

Onderzoek
J.L.P. Kuijpens
J.W.W. Coebergh
L.H. van der Heijden
H. Kruis
J.G. Ribot
H.A.M. de Rooij
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1994;138:464-8
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Beschrijven van (de veranderingen in) incidentie, behandeling en prognose van schildklierkanker (SKK) in de periode 1970-1989 in Zuidoost-Nederland.

Plaats

Kankerregistratie van het Integraal Kankercentrum Zuid, Eindhoven.

Opzet

Retrospectief.

Methoden

Van alle patiënten met SKK (ICD-O-code 193 en non-Hodgkin-lymfoom van de schildklier) gediagnostiseerd in de periode 1 januari 1970-31 december 1989 werden gegevens over histologische uitslag en behandeling verzameld en werd het al of niet in leven zijn per 1 juli 1991 bepaald. Berekend werden de gestandaardiseerde incidentie, prevalentie, (relatieve) overlevingskansen en sterfte voor mannen en vrouwen.

Resultaten

Van nieuwe patiënten met SKK (n = 297) was de gemiddelde leeftijd 52 jaar en de man-vrouwverhouding 1:2,3. Papillair SKK kwam het meeste voor (46), gevolgd door folliculair (35). De incidentee van SKK bij de vrouw steeg van 1,4 tot 3,0100.000jaar, bij de man bleef deze constant rond 1,1 100.000jaar; de puntprevalentie op 1 juli 1991 was respectievelijk 25,6 en 8,2100.000. Patiënten werden in alle ziekenhuizen in de regio behandeld en in toenemende mate was de internist de eerste behandelaar. Er was een toename van uitgebreidere chirurgische behandeling en van jodium-131-nabehandeling bij gedifferentieerde SKK. De waargenomen 10-jaarsoverlevingskans voor patiënten met SKK was 61, gecorrigeerd voor de gemiddelde sterfte 74. De overlevingskans was afhankelijk van geslacht, leeftijd en histologisch type. De sterfte aan SKK bleef zeer laag.

Conclusie

De incidentie en de prognose van SKK komen goed overeen met die in de omringende landen. Diagnostiek en behandeling lijken plaats te vinden volgens de aanbevelingen van de consensusbijeenkomsten in 1985 en 1987.

Inleiding

In Nederland is de laatste jaren veel gepubliceerd over (de veranderingen in) de diagnostiek en de behandeling van schildklierkanker (SKK);1-9 de incidentie en de prognose van SKK en eventuele veranderingen daarin zijn echter nog niet eerder beschreven. De tot dusver beschreven patiëntengroepen waren afkomstig van academische ziekenhuizen of uit oncologische centra.24 7-9 Over de behandeling en de prognose van ongeselecteerde patiënten met SKK in algemene ziekenhuizen is weinig bekend.

SKK is zeldzaam: in 1989 werden in Nederland door de gezamenlijke kankerregistraties 311 nieuwe patiënten geregistreerd,10 0,6 van alle nieuwe tumoren.10 Landelijke gegevens van voor 1989 zijn niet beschikbaar.

In dit artikel worden het voorkomen, de behandeling en de overlevingskansen van patiënten met SKK in Zuidoost-Nederland beschreven op basis van de gegevens van de kankerregistratie van het Integraal Kankercentrum Zuid (IKZ). De incidentie en de overlevingskans worden vergeleken met de gegevens uit Nederland en de omringende landen; de behandeling wordt vergeleken met de adviezen van de consensusbijeenkomsten uit 1985 en 1987.36

PatiËnten en methoden

De kankerregistratie van het IKZ Eindhoven (voorheen het Samenwerkingsorgaan Oncologie Ziekenhuizen (SOOZ)) bestrijkt een aaneengesloten gebied met bijna 1 miljoen inwoners in Zuidoost-Noord-Brabant en Noord- en Midden-Limburg en is sinds begin jaren zeventig als volledig dekkend te beschouwen. Alle ziekenhuizen en het radiotherapeutisch instituut in de regio nemen deel aan de registratie; in oncologische klinieken en academische ziekenhuizen werden patiëntengegevens opgevraagd.11

Diagnose

Voor dit onderzoek werden gegevens gebruikt van patiënten bij wie de diagnose was gesteld in de periode 1 januari 1970-31 december 1989. Als SKK werd beschouwd elke maligne tumor met als primaire lokalisatie de schildklier of aberrant schildklierweefsel, of een metastase elders die met zekerheid van SKK afkomstig was. (International Classification of Diseases for Oncology, 8e en 9e editie, (ICD-O)-code 193). Tevens werd in het bestand van non-Hodgkin-lymnfomen (NHL; ICD-O-code 202) gezocht naar NHL met als eerste en (of) enige lokalisatie de schildklier.

Van alle patiënten werden personalia, woonplaats, diagnosedatum, histologische beschrijving van de tumor, ziekenhuis, behandelend specialist en behandeling opgevraagd. Van 265 patiënten woonachtig in de kern van het registratiegebied van het IKZ werd bij de laatst bekende woonplaats het al of niet in leven zijn per 1 juli 1991 nagevraagd. Op grond van de pathologieverslagen werd een indeling gemaakt in 5 typen: papillair, folliculair, medullair en anaplastisch SKK en een restgroep (inclusief schildklier-NHL).12

Analyse

De incidentie werd berekend per 100.000 persoonsjaren per geslacht en gestandaardiseerd voor de Europese Standaardbevolking met een voortschrijdend 3-jaarsgemiddelde voor de trend.10 Op basis van alle SKK gediagnostiseerd vanaf 1 januari 1970 werd de prevalentie op 1 juli 1991 berekend. De actuariële overlevingskansen werden geschat met een computermodel van de Finse kankerregistratie.1314 Onder ‘waargenomen overlevingskans’ wordt verstaan de overleving gebaseerd op de sterfte, ongeacht de doodsoorzaak. De ‘relatieve overlevingskans’ is het quotiënt van de waargenomen en de verwachte overleving (op basis van de verwachte sterfte aan andere doodsoorzaken in een wat betreft leeftijds- en geslachtsverdeling vergelijkbare populatie) en is te beschouwen als de kans om niet aan SKK te overlijden.13 Met gegevens afkomstig van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) werd, op vergelijkbare wijze als de incidentie, de sterfte aan SKK per 100.000 per jaar per geslacht berekend.

Resultaten

Incidentie

In de periode 1970-1989 werden 297 nieuwe patiënten geregistreerd. In de laatste 5-jaarsperiode steeg met name het aantal nieuwe patiënten met papillair en folliculair SKK (tabel 1). Van de afzonderlijke histologische typen kwam papillair SKK het meest voor (46), gevolgd door folliculair SKK (35). Bij de 10 patiënten (3) met medullair SKK was er 1 familie met 3 patiënten met hereditair medullair SKK. Bij 6 patiënten (2) werd een schildklier-NHL vastgesteld. Een overzicht van de patiëntenkenmerken is eveneens weergegeven in tabel 1. De gemiddelde leeftijd bij manlijke patiënten was 53, bij vrouwlijke 52 jaar.

De incidentie van schildklierkanker bij de man bleef constant rond 1,1100.000jaar, bij de vrouw steeg de incidentie van 1,4 naar 3,0100.000jaar door een toename van papillair en folliculair SKK (figuur). De prevalentie per 1 juli 1991 bedroeg bij mannen en vrouwen respectievelijk 8,2 en 25,6100.000.

Behandeling

Patiënten met SKK werden in alle ziekenhuizen in de regio behandeld, gemiddeld 1-3 per jaar. Van de patiënten werden 2 in eerste instantie buiten de regio in een academisch ziekenhuis of een oncologisch centrum behandeld. Van vrijwel alle patiënten waren gegevens over de opnemend specialist en de primaire behandeling bekend (tabel 2). Vergeleken met de eerste 10 jaar was in de tweede 10 jaar een verschuiving opgetreden van chirurg naar internist als degene die de diagnose stelde. De primaire behandeling was vrijwel altijd chirurgisch; in de loop van de tijd werd een toename geregistreerd van uitgebreidere vormen van chirurgie (zie tabel 2). Uitwendige radiotherapie en chemotherapie werden nauwelijks voorgeschreven en 3 van alle patiënten werd niet oncologisch behandeld. In de tweede 10 jaar ondergingen patiënten met papillair SKK vooral een chirurgische behandeling (79, waarvan 40 totale thyreoïdectomie, 23 hemithyreoïdectomie en 10 thyreoïdectomie met lymfklierdissectie) evenals patiënten met folliculair SKK (88, waarvan 63 totale thyreoïdectomie, 13 hemithyreoïdectomie en 8 subtotale thyreoïdectomie).

Van 142 patiënten waren gegevens over één of meer vervolgbehandelingen bekend. Alleen patiënten met een gedifferentieerd SKK werden met jodium-131 nabehandeld; deze nabehandeling nam toe in de tweede 10 jaar van 21 naar 28 bij papillair en van 32 naar 39 bij folliculair SKK. Radiotherapie werd in totaal 45 maal gegeven, relatief het meest bij anaplastisch SKK (14 maal bij 24 patiënten) en chemotherapie in totaal 11 maal. Voor verdere behandeling werd 9 van de patiënten verwezen naar een ziekenhuis buiten de regio (academisch ziekenhuis of oncologisch centrum).

Overleving

Van 260 patiënten waren gegevens bekend over het al of niet in leven zijn op 1 januari 1991. Een overzicht van de 5- en 10-jaarsoverlevingskansen staat in tabel 3. De waargenomen 10-jaarsoverlevingskans voor patiënten met SKK was 61; de relatieve 10-jaarsoverlevingskans was 74, hetgeen betekent dat slechts een kwart van de patiënten met SKK overleed ten gevolge van SKK. Verder bleek de overlevingskans vooral afhankelijk van geslacht (relatieve 10-jaarsoverlevingskans voor mannen: 67, voor vrouwen: 77), leeftijd (voor patiënten

De relatieve overlevingskans voor alle patiënten nam toe van 69 in de eerste 10 jaar tot 79 in de tweede 10 jaar. De relatieve 10-jaarsoverlevingskans voor patiënten met papillair SKK steeg van 85 naar 100 in de tweede 10 jaar; bij folliculair SKK van 61 naar 81. Gedurende de gehele periode bleef de sterfte door SKK voor mannen en vrouwen zeer laag en constant rond 0,7 100.000jaar (zie figuur).

Beschouwing

Incidentie

In een periode van 20 jaar werden 297 nieuwe patiënten geregistreerd. De laatste jaren was er een toename van met name papillair en folliculair SKK (zie tabel 1). De incidentie in Zuidoost-Nederland aan het begin van de jaren tachtig (1,1100.000jaar bij mannen en 2,0100.000jaar bij vrouwen; zie de figuur) was gelijk aan die in de omringende landen (Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk), maar lager dan in Noorwegen en Zweden.15 Voor Nederland als geheel gold in 1989 een incidentie van respectievelijk 1,0 en 3,0 100.000 voor mannen en vrouwen.10

Een stijging van de incidentie heeft zich ook voorgedaan in Noorwegen en Denemarken, eveneens door een toename van papillair SKK; dit wordt verklaard door een vroegere detectie.1617 Dat de verandering in incidentie zich vooral voordoet bij de vrouw, hangt samen met de veel hogere prevalentie van (goedaardige) schildklierziekten bij de vrouw.1819 Hierdoor zal men bij vrouwen actiever naar schildklierziekten zoeken. Veranderingen in de risicofactoren voor SKK, zoals ioniserende bestraling in de halsstreek, besmetting met radioactief jodium uit het milieu of hormonale en vruchtbaarheidsstoornissen, hebben vermoedelijk een geringe rol gespeeld.1620-22

Prevalentie

Indien de prevalentie van Zuidoost-Nederland geldt voor heel Nederland, waren er per 1 juli 1991 ongeveer 1920 vrouwen en 615 mannen die sinds 1970 behandeld zijn voor SKK.

Histologische typen

De verdeling van de histologische typen in een onderzoek van het Rotterdamsch Radio-Therapeutisch Instituut (RRTI) van 429 geselecteerde patiënten met een gemiddelde leeftijd van 55 jaar uit de periode 1950-0981 was als volgt: papillair SKK: 46, folliculair: 20, medullair: 5 en anaplastisch: 15, en een restgroep van 14 (waarin 2 NHL).4 De verdeling bij patiënten geregistreerd door de kankerregistraties in Nederland in 1989 was als volgt: papillair: 48, folliculair: 23, medullair: 10 en anaplastisch: 7, en een restgroep van 12 (Nederlandse Kanker Registratie 1989, 1993). De gemiddelde leeftijden per histologisch type kwamen goed overeen. De procentuele verdeling van de histologische typen verandert in de loop der jaren: zowel in Nederland als elders vermindert het aandeel van de anaplastische carcinomen geleidelijk, ten gunste van de gedifferentieerde carcinomen. Dit verklaart wellicht de verschillen.

De man-vrouwverhouding was 1:2,3 voor de gehele groep (zie tabel 1), hetgeen vergelijkbaar is met de resultaten van het RRTI.4 In de Noorse kankerregistratie was de verhouding 1:3,1.23

In Zuidoost-Nederland werden de laatste jaren nieuwe patiënten met (mogelijk) SKK steeds meer als eerste door een internist gezien (zie tabel 2). Dit lijkt een gevolg van de invoering van de echografie en vooral van de cytologische punctie in de loop van de jaren tachtig, waardoor een betere selectie van patiënten voor een eventuele operatie mogelijk is.2 35-724 Hierdoor is het aantal operaties voor een nodus in de schildklier afgenomen.19

Behandeling

Patiënten met SKK werden over het algemeen in de regio behandeld. Voor de vervolgbehandeling werd slechts 1 op de 11 patiënten naar een ziekenhuis buiten de regio doorverwezen. Meer dan 90 van de patiënten werd primair geopereerd, waarbij er vaker sprake was van uitgebreidere vormen van chirurgie (zie tabel 2). Dit is in overeenstemming met de behandelingsadviezen uit het Leerboek Chirurgie (1988) en van de consensusbijeenkomst in 1987: een toename van totale thyreoïdectomieën met name bij folliculair SKK en van thyreoïdectomieën met lymfklierdissectie bij vooral papillair SKK.625 Van 142 patiënten waren één of meer vervolgbehandelingen bekend. Radiotherapie met jodium-131 was de meest voorkomende vervolgbehandeling. Alleen patiënten met gedifferentieerd SKK werden in toenemende mate hiermee nabehandeld. Ook dit spoort goed met de adviezen van de consensusbijeenkomst.6

Uitwendige radiotherapie en chemotherapie hadden een beperkte plaats bij de behandeling (en dan met name bij de vervolgbehandeling). Ook dit komt overeen met de behandelingsadviezen zoals die in Nederland zijn gegeven.625 Bovendien werden radio- en chemotherapie vaak pas maanden tot jaren later gegeven: waarschijnlijk wanneer er een (chirurgisch niet meer te behandelen) recidief optrad.

Prognose

De prognose voor patiënten met SKK was relatief goed: de relatieve 10-jaarsoverlevingskans bedroeg 67 voor mannen en 77 voor vrouwen; voor manlijke patiënten met kanker in het algemeen was dit 27 en voor vrouwlijke 44.13 De overlevingskansen leken samen te hangen met de leeftijd en het histologische type (zie tabel 3). In het onderzoek van het RRTI was de ziektevrije 10-jaarsoverleving 52, samenhangend met leeftijd, histologisch type en stadium.4

Zowel in het onderzoek van het RRTI als in het onze verbeterde in de loop der jaren de prognose: bij het RRTI is de 10-jaarsoverleving bij patiënten van voor 1965 45, na 1965 56, wij vonden een relatieve 10-jaarsoverlevingskans van 69 in de periode 1970-1979 en van 79 in de periode 1980-1989. De verbetering van de prognose is ten dele te verklaren uit het meer vóórkomen van relatief goedaardige histologische typen SKK (met name papillair SKK), eerdere detectie (en daardoor een gunstiger stadium) en een betere behandeling, onder andere door meer jodium-131-nabehandeling.

De prognose voor. patiënten met papillair en folliculair SKK is in de tweede 10 jaar verbeterd (zie tabel 3). De 10-jaarsoverlevingskans bij papillair SKK is vergelijkbaar met die van de gemiddelde bevolking. Schelfhout vond een ziektevrije overlevingsduur van 95 bij papillair en 67 bij folliculair SKK.9 Verder komen onze bevindingen goed overeen met die van de Noorse kankerregistratie uit een vergelijkbare periode (1970-1985).23

Sterfte

De sterfte door SKK was laag: voor mannen en vrouwen rond 0,7100.000 per jaar – voor Zuidoost-Nederland enkele mannen en vrouwen per jaar. In 1989 overleden in Nederland 28 mannen en 70 vrouwen aan SKK.10 Dit komt overeen met 0,14 en 0,44 van de sterfte aan kanker bij respectievelijk mannen en vrouwen in dat jaar. De sterfte aan SKK was vergelijkbaar met die in de omringende landen (België, Denemarken, Frankrijk, West-Duitsland en Verenigd Koninkrijk).26

Wij danken mw.M.van Daal-Wijnen, administratief medewerker, GGD-regio Geldrop-Valkenswaard.

Literatuur
  1. Krenning EP. Nodus in de schildklier.Ned Tijdschr Geneeskd 1985; 129:1870-4.

  2. Elte JWF, Bussemaker JK, Jol MGGH, Koch CW. De solitairekoude schildkliernodus; de waarde van verschillende onderzoekmethodengetoetst aan de histologische bevindingen na operatie: een retrospectiefonderzoek bij 106 patiënten. NedTijdschr Geneeskd 1985; 129: 1874-7.

  3. Hennemann G, Snoek JA van der. Consensus-bijeenkomstdiagnostiek solitaire nodus in de schildklier.Ned Tijdschr Geneeskd 1985; 129:1878-82.

  4. Romme ACM, Putten WLJ van, Alexieva-Figusch J, Klijn JGM.Prognostische factoren bij het schildkliercarcinoom: follow-up-gegevens van429 patiënten. Ned TijdschrGeneeskd 1986; 130: 731-6.

  5. Wiersinga WM. Warme gevoelens over de koudeschildkliernodus. Ned TijdschrGeneeskd 1989; 133: 489-91.

  6. Schelfhout LJDM, Goslings BM, Hamming JF, Bruining HA,Krenning EP, Velde CJH van de. Diagnostiek en behandeling vangedifferentieerde schildkliercarcinomen.Ned Tijdschr Geneeskd 1989; 133:494-8.

  7. Koenders PG, Pieters GFFM, Beex LVAM, Smals AGH, Vooys GP,Kloppenborg PWC. Dunne-naaldaspiratiebiopsie van koude schildkliernodi.Ned Tijdschr Geneeskd 1990; 135:486-90.

  8. Hamming JF. Differentiated thyroid cancer: currentconsiderations on diagnosis and surgical treatment. Leiden: Groen, 1988.Proefschrift.

  9. Schelfhout LJDM. Clinical and pathological aspects ofdifferentiated thyroid cancer. Leiden, 1988. Proefschrift.

  10. Landelijk Overlegorgaan Kankercentra (LOK). Incidence ofcancer in the Netherlands 1989. Utrecht: LOK, 1992.

  11. Coebergh JWW, Verhagen-Teulings MTh, Crommelin MA, BakkerD, Heijden LH van der. Trends in incidentie van kanker inZuid-oost-Noord-Brabant en Noord-Limburg in de periode 1975-1986; bericht uitde IKZSOOZ-kankerregistratie.Ned Tijdschr Geneeskd 1990; 134:754-60.

  12. Hedinger C, Williams ED, Sobin LH. The WHO histologicalclassification of thyroid tumors: a commentary on the second edition. Cancer1989; 63: 908-11.

  13. Coebergh JWW, Verhagen-Teulings MTh, Crommelin MA,Heijden LH van der, Hop WCJ. De overlevingskansen bij patiënten metkanker gediagnostiseerd in 1975-1985 in Zuidoost-Noord-Brabant enNoord-Limburg. Ned Tijdschr Geneeskd1991; 135: 938-43.

  14. Hakulinen T, Gibberd R, Abeywickrama K, Söderman B.A computer program package for cancer survival studies. Nr 39. Helsinki:Cancer Society of Finland Publications, 1988.

  15. Muir C, Waterhouse J, Mack T, et al, eds. Cancerincidence in five continents. Vol V. Lyon: IARC Scientific Publications,1987.

  16. Akslen LA, Haldorsen T, Thoresen SO, Glattre E. Incidencepattern of thyroid cancer in Norway: influence of birth cohort and timeperiod. Int J Cancer 1993; 53: 183-7.

  17. Sprogel P, Storm HH. Thyroid cancer: incidence, mortalityand histological pattern in Denmark. Int J Epidemiol 1989; 18:990-2.

  18. Saase JCLM van, Vijver JCM van der. Schildklierziekten.In: Grobbee DE, Hofman A, eds. Epidemiologie van ziekten in Nederland.Utrecht: Bunge, 1989: 329-36.

  19. Berghout A, Hoogendoorn D, Wiersinga WM. Dalend aantalschildklieroperaties in Nederland in de periode 1972-1986.Ned Tijdschr Geneeskd 1989; 133:1313-7.

  20. Daal WAJ van, Goslings BM, Hermans J, Ruiter DJ, Vink M.Schildkliercarcinoom als laat gevolg van bestraling in het halsgebied.Ned Tijdschr Geneeskd 1983; 127:12-5.

  21. Preston-Martin S, Bernstein L, Pike MC, Maldonado AA,Henderson BE. Thyroid cancer among young women related to prior thyroiddisease and pregnancy history. Br J Cancer 1987; 55: 191-5.

  22. Kolonel LN, Hankin JH, Wilkens LR, Fukunaga FH, Hinds MW.An epidemiologic study of thyroid cancer in Hawaii. Cancer Causes Control1990; 1: 223-34.

  23. Akslen LA, Haldorsen T, Thoresen SO, Glattre E. Survivaland causes of death in thyroid cancer: a population-based study of 2479 casesfrom Norway. Cancer Res 1991; 51: 1234-41.

  24. Rojeski MT, Gharib H. Nodular thyroid disease: evaluationand management. N Engl J Med 1985; 313: 428-36.

  25. Munting JDK. Schildklierziekten. In: Boer J de, Derom F,Gruwez JA, et al, red. Leerboek chirurgie. Utrecht: Bohn, Scheltema &Holkema, 1988: 909-9.

  26. Vecchia C la, Lucchini F, Negri E, Boyle P, MaisonneuveP, Levi F. Trends of cancer mortality in Europe, 1955-1989: IV. Urinarytract, eye, brain and nerves, and thyroid. Eur J Cancer 1992; 28:121-81.

Auteursinformatie

GGD regio Geldrop-Valkenswaard, Postbus 135, 5550 AC Valkenswaard.

J.L.P.Kuijpens, sociaal geneeskundige.

Integraal Kankercentrum Zuid, Eindhoven: dr.J.W.W.Coebergh, artsepidemioloog (tevens: Erasmus Universiteit, Instituut Epidemiologie en Biostatistiek, Rotterdam); L.H.van der Heijden, informaticus.

Catharina Ziekenhuis, Eindhoven.

Afd. Interne Geneeskunde: mw.H.Kruis, internist.

Afd. Radiotherapie: J.G.Ribot, radiotherapeut.

St. Joseph Ziekenhuis, afd. Interne Geneeskunde, Veldhoven.

Dr.H.A.M.de Rooij, internist.

Contact J.L.P.Kuijpens

Gerelateerde artikelen

Reacties