Richtlijn 'Diagnostiek en behandeling van varices'
Open

Richtlijnen
06-02-2009
Cees H.A. Wittens, Kees-Peter de Roos, Th.A.A. (Ted) van den Broek en Ruben T. van Zelm

In de richtlijn ‘Diagnostiek en behandeling van varices’ wordt voor de diagnostiek aanbevolen om de ‘C’ van de CEAP-classificatie in de status vast te leggen en bij de diagnostiek van een patiënt met C2- of C3-varices traditionele diagnostische tests zoals van Trendelenburg en Perthes achterwege te laten. (In ‘CEAP’ staat ‘C’ voor de klinische, ‘E’ voor de etiologische, ‘A’ voor de anatomische en ‘P’ voor de pathofysiologische classificatie.)

Bij primaire en niet eerder behandelde C1-, C2- of C3-varices kan handdoppleronderzoek worden gebruikt om reflux uit te sluiten. Indien men twijfelt of indien reflux wordt gevonden, wordt altijd een duplexonderzoek uitgevoerd.

Bij elke vorm van invasieve behandeling bij C2- of C3-varices verricht men vóór de behandeling een duplexonderzoek van het oppervlakkige en het diepe systeem. In het aanvullend onderzoek bij C2- of C3-varices is er geen plaats voor functioneel onderzoek als plethysmografie en intraveneuze drukmeting.

Wat de behandeling aangaat, is bij een insufficiënte V. saphena magna in klasse C2 of C3 het strippen van de stam met een crossectomie de gouden standaard. Daarbij verdient een korte strip de voorkeur boven een lange.

Endoveneuze behandelingen door middel van radiofrequente ablatie of laser zijn gelijkwaardig aan de klassieke stripmethode bij de behandeling van C2- of C3-varices.

Het behandelen van insufficiënte Vv. perforantes bij C2- of C3-varices is niet geïndiceerd.

Vóór een chirurgische ingreep bij de V. saphena parva dient het niveau van inmonding van het vat in de V. poplitea met duplexonderzoek te worden bepaald - liefst met de patiënt in liggende positie – en te worden gemarkeerd.

Bij patiënten met zijtakvarices geniet ambulante flebectomie de voorkeur.